Mark Elchardus, DeMORGEN, 1 september 2026
Vanwaar die fixatie op de universiteiten en op DEI (diversity, equity and inclusion)? — zo vroeg rector Marc Leirs (UA) aan Mark Elchardus. Hier zijn antwoord:
Wat de universiteiten betreft, ligt het antwoord voor de hand. De gemiddelde Vlaamse belastingplichtige draagt jaarlijks ongeveer 500 euro bij aan hoger onderwijs en fundamenteel onderzoek, maar stelt tegelijk vast dat die met een opvallende regelmaat het toneel vormen van scherpe controverse en polarisering. Dat rechtvaardigt op zich geen fixatie – een term die eerder een aandoening suggereert – maar wel gerichte aandacht.
Wat DEI betreft, gaat het om een verschil in opvatting over wat rechtvaardig is. DEI benadert diversiteit voornamelijk als een kwestie van genetisch bepaalde kenmerken – geslacht, huidskleur, seksuele geaardheid – of van herkomst. Wie, zoals ikzelf, meent dat diversiteit in de eerste plaats betrekking heeft op opvattingen, levensbeschouwing en ideologie, kan zich in die benadering niet vinden.
De a-priori-aanname, zonder wetenschappelijke onderbouwing, dat huidskleur bepaalt wat iemand kan doen of ervaren, beschouw ik als een vorm van racisme. Op het vlak van selectie en promotie pleit ik voor strikte kleurenblindheid en voor beoordeling uitsluitend op basis van persoonlijke merites. Omdat de DEI-ideologie precies het tegenovergestelde voorstaat, is mijn houding hier niet die van een fixatie, maar van een principiële en radicale afwijzing.
Radicaal
Het radicale karakter van die afwijzing hangt samen met de eigen aard van de mens- en sociale wetenschappen, waar de discussie rond DEI zich het scherpst stelt. Kenmerkend voor deze wetenschappen is dat het onderscheid tussen fundamenteel en toegepast onderzoek er niet opgaat: zij bestuderen een door mensen gemaakte werkelijkheid, waardoor verklaren er onlosmakelijk verbonden is met pogingen om die werkelijkheid te beïnvloeden en vorm te geven.
Precies daarom oefent de ideologische positionering van onderzoekers een aanzienlijke invloed uit op de vragen die worden gesteld, op de interpretatie en rapportering van bevindingen, op de wijze waarop het werk van collega’s wordt beoordeeld, en op de criteria die in de praktijk worden gehanteerd bij aanwerving en bevordering. Om die reden is ideologische diversiteit binnen de mens- en sociale wetenschappen niet bijkomstig, maar van doorslaggevend belang voor de kwaliteit van de wetenschapsbeoefening zelf.
In de westerse landen waar de ideologische diversiteit van deze wetenschappen empirisch is onderzocht, blijkt dat zij ontbreekt: in de plaats daarvan overheerst een uitgesproken linkse en progressieve eenzijdigheid. Het feit dat gedegen studies op basis van representatieve steekproeven in België vooralsnog ontbreken, laat niet toe te concluderen dat diezelfde eenzijdigheid hier afwezig zou zijn. Het is minstens even plausibel dat dergelijk onderzoek hier ontbreekt omdat de eenzijdigheid zo dominant is dat ze het uitvoeren van dergelijke studies bemoeilijkt.
Het Leuvense studentenblad Veto ondernam in 2024 een verkennende poging en stelde vast dat 57 procent van het bevraagde personeel en de bevraagde professoren, over alle faculteiten heen, op Groen of Vooruit stemde. Op basis van buitenlandse onderzoeksbevindingen is het aannemelijk dat dit percentage binnen de mens- en sociale wetenschappen nog aanzienlijk hoger ligt. Ter vergelijking: bij de verkiezingen van 2024 behaalden deze twee partijen samen 21 procent van de stemmen.
Ideologisch divers
Anders dan rector Leirs veronderstelt, wordt de ideologische invloed op wetenschappelijk onderzoek niet vergroot door méér diversiteit, maar precies door het gebrek eraan. Dat is de kern van de zaak, en het maakt externe kwaliteitsbewaking door ideologisch divers samengestelde evaluatieteams noodzakelijk.
Er bestaat vandaag al een vorm van externe evaluatie, maar niet de juiste. Wat nodig is, is nagaan wat een ideologisch divers samengesteld evaluatieteam vaststelt wanneer het steekproeven screent en evalueert van selectie- en promotiecommissies, van de toewijzing van onderzoeksgeld, van leeslijsten en cursusmateriaal en van publicaties en proefschriften. Indien alles aan de universiteiten werkelijk zo behoorlijk verloopt als rector Leirs stelt, zou een dergelijke evaluatie door hem verwelkomd moeten worden.
