Mogen de zintuigen ook meedoen in de Gods-dienst?

Wij geloven in God die de Schepper is van het lichaam; wij geloven in het Woord dat vleesgeworden is; wij geloven in de verrijzenis van het lichaam, en aan het eind komt niet de geestelijke hemel, maar een nieuwe aarde onder een nieuwe hemel.

lichamelijkheid

Eigenlijk is het bijbelse geloof (Joods en christelijk) ongehoord lichamelijk. In de Joodse traditie is dit ook volop waarneembaar: het is in het eten en drinken, in het spreken en dansen, in woorden en gebaren dat het geloof gebeurt. In de christelijke traditie is dit in principe niet anders, maar in de praktijk – zeker in de protestantse variant ervan – zijn al die stoffelijke elementen wel erg gestileerd en gespiritualiseerd: Wat is er over van het brood en de wijn? Waar is de ervaring van het doopwater? Het opleggen der handen, het geven van de vredeskus? Laat het de oude Grieken niet lezen! Zij hadden voor de schepping van de materiële wereld zelfs een speciale godheid uitgevonden, eentje van een lagere rang dan de echte, want met lichamen en andere stoffelijke zaken hield de echte God zich niet bezig. Dit was één van de grootste stenen des aanstoots bij de verkondiging van het evangelie. Soms denk ik wel eens, dat de kerk toen ze de overhand kreeg in die wereld, zij een Pyrrhus overwinning heeft behaald: Om al die geestelijk denkende mensen te winnen voor het geloof, heeft ze een heel stuk aan stoffelijkheid, concreetheid, ingeleverd. Opgegeven.

Non-verbale communicatie

Als wij spreken is volgens sommige onderzoekers 60% van de communicatie (dwz van de overdracht van wat je zeggen wilt) non-verbaal, 30% zit in de klank of toon van de stem en slechts 10% in de directe betekenis van de woorden zelf. Probeert u het zelf maar eens en zeg maar eens tegen iemand dat je niet boos bent, terwijl je het wel bent. Het zal u niet lukken om uw boodschap over te brengen. Er worden zoveel signalen uitgezonden, die niet in de woorden zitten, dat zij de betekenis bepalen. Het verraderlijk hiervan is echter dat het vooral onbewust geschiedt, zowel het uitzenden van signalen, als het opvangen ervan. Je weet niet altijd (of vaak niet) wat er precies allemaal wel niet voor tekenen worden uitgezonden.

     * Praten met handen en voeten

Sommige mensen ondersteunen met veel bewegingen hun verhaal. Soms heb je gebaren nodig om iets duidelijk te maken. Je wilt dan aangeven hoe groot of klein iets was of welke bewegingen dat ding maakte. Soms zijn gebaren simpelweg symbolen zoals; de vuist met de duim omhoog. ‘Tof hoor’. Of met de duim omlaag. ‘Echt slecht’.

     * Van je gezicht aflezen

Emoties vinden hun uitdrukking in het hele lichaam, de houding en de gebaren, maar vooral het gezicht. Denk aan de uitdrukking “het is van je gezicht af te lezen’. De stand van de wenkbrauwen, de mate waarin de ogen open of juist dichtgeknepen zijn en de mond, met name de lippen en de stand van de mondhoeken. Met een combinatie van dat kun je veel emoties aflezen.

     * Spiegels van de ziel

Ogen zijn de spiegel van de ziel. De meest diepe en intense emoties komen tot uitdrukking via de ogen. Daarom is oogcontact ook bijna een synoniem van persoonlijk contact. Het contact zoeken met de ogen ligt dan ook heel gevoelig. Blijf je iemand te lang aankijken om aandacht te trekken, dan kan dat opgevat worden als brutaal of zelfs als opdringerig. Dit is met name het geval wanneer de ander geen contact wil. Ook kan oogcontact prettig zijn, even kijken en afwachten hoe de ander reageert. Hoe lang kun je naar elkaar kijken en het nog prettig vinden? Via oogcontact kun je aftasten wat je van elkaar wil. Het zijn dan de eerste stappen naar een verdere kennismaking.

“In de hemel is een dans.”

Zo heet een boek van de godsdienst-fenomenoloog, G. van der Leeuw. Hij beschouwt de dans als de oer-vorm van alle kunst: “Voordat de mens enig instrument wist te hanteren, bewoog hij dat allervolmaakste insrument, zijn lichaam en deed dat met overgave”, want al dansend gaat de mens zijn ‘gang’ door de natuur.. zijn gang, d.w.z. niet zoals alles reilt en zeilt, maar zoals hij die tot zijn eigenmenselijke gang heeft gemaakt, een geordende gang, gestileerd, beheerst… en toch niet lichaamsvreemd. In die zin zijn ze ritueel… Er is toenadering en tegelijk wordt de afstand bewaard….

En als we dans en ‘oer’ tegelijk zeggen, dan moeten we niet aan paar-dansen denken, al helemaal niet aan individuele dansen, maar aan groepsdansen, een ernstig spel van mannen en vrouwen: van toenadering en afstand bewaren is eigen aan elke dans, dat woord waardig … Dat de toenadering tot God ook al dansend wordt gezocht, is bekend. De sacrale dans is de oudste dans, zeker weten… Een pavane van Schein bij de nadering tot het heilige… de combinatie is zo gek nog niet. Paul Fleming (17de eeuw) dichtte nog:

Lasst uns tanzen, lasst uns springen ! Lasst uns laufen für und für !
Denn durch tanzen lernen wir / eine Kunst van schönen Dingen..

80% van de communicatie, zegt men, geschiedt non-verbaal. Dat wil zeggen: de boodschap die je probeert over te brengen is maar voor een klein 20% afhankelijk van de woorden waarin je die giet. In de kerk is dat niet anders. En eigenlijk weet iedereen dat. Waarom voel je je ergens op je gemak, of thuis? Ja, dat heeft toch vooral te maken met de sfeer van een ruimte, met wat de aanwezigen’uitstralen’. Woorden kunnen dan helpen (‘op je gemak stellen’), maar alleen in tweede instantie.

Het menselijke lichaam is door onze Schepper met maar liefst vijf zintuigen begiftigd: ogen, oren, neus, tong en huid. Met deze zintuigen nemen we de wereld waar. Zoals gezegd: als iemand een mededeling doet dan hoor je woorden (met je oren), maar van die mededeling gaat het grootste deel via die andere zintuigen. Een dominee die een preek afleest van een blad en de mensen voor hem niet aankijkt, die is al een stuk van de boodschap kwijt. Hij kan Veel belangrijker zijn stoffelijke zaken, zoals de architectuur, inrichting, meubilair, belichting, muziek, zelfs de geur, die bepalen wat je voelt… Want je gevoel wordt bepaald door de waarneming (Ggrieks: aisthesis, > esthetiek). Kerkgebouwen zijn dan ook geen neutrale plaatsen. Van ruimtes gaat een werking uit, op uw gemoed. U voelt zich thuis of ongemakkelijk, u ontspant of juist niet. Zo ook van de ruimte waar de eredienst plaats vindt. Het is dus misschien tijd om daar ook eens aandacht aan te schenken. Kerken zijn meestal enigszins vreemde ruimtes en ze roepen dus een bpaalde niet-doorsnee werkelijkheidsbeleving op. Je ervaart dat natuurlijk het best in  kerkgebouwen die bewust zo gebouwd zijn, maar het geldt ook voor meer doordeweekse zalen. En dan is het dus wel van belang, wàt voor werkelijkheid die ruimtes oproepen. Ruikt het er muf, is de lucht bedompt, dan is er werk aan de winkel voor kerkeraad en kerkbestuur, zal ik maar zeggen.

Inrichting

Atmosfeer wordt naast door de architectuur, natuurlijk ook vooral bepaald door de inrichting van de ruimte. Het meubilair moet erbij passen, en ook het ‘akoustische meubilair’ moet accorderen met de ruimte. In een kleine zaal zal dat dus anders moeten zijn dan in een gewelfde ruimte. Het moet ‘kloppen’. En nog steeds heb ik het niet over de woorden die er gesproken worden, de inhoud. Ik heb het over onze zintuigen, alle vijf: horen, zien, tasten/voelen, ruiken en proeven. Als die zintuigen niet of negatief aangesproken worden, dan kan de prediker nog zo goed preken, het is dan vaak een roepen tegen de storm in, de tegenwind van de non-verbale communicatie. Ook in de ruimte aanwezige objecten vullen een ruimte met een bepaalde atmosfeer, of laat ik een ander woord gebruiken: een ‘gevoelstoon’. Ieder richt toch met zorg z’n eigen huis in, dan toch ook God’s huis. Wat ik in dit artikel nu wil zeggen is dat “symboliek” in de kerk en de eredienst prachtig is, maar dat het alleen maar z’n booschap zal kunnen overbrengen als het is ingebed in een eredienst-bewustzijn dat reeds in ruimte zin er rekening mee houdt, dat God met ons communiceert en wij met God via al onze zintuigen: De mens leeft niet van woorden alleen.

Stop met dat praathuis

In de protestantse kerk gaat het er in dit opzicht eigenlijk nogal spartaans aan toe. Soms lijkt het wel alsof het uit ideologische gronden verboden is om wat ‘sfeer’ in de kerk  te brengen. Veel protestantse erediensten zijn – ondanks de liturgische beweging – nog steeds een ‘preek met omlijsting’, zij het dat nu de omlijsting vaak wat ingewikkelder is geworden dan vroeger. Waar gaat de energie inzitten bij de voorbereiding? Nou, in de preek (uitgeschreven tekst), in de formulering van de gebeden (uitgeschreven tekst), in de keuze van de bijpassende liederen (uitgeschreven tekst met noten). En als er dan al eens dingen gebeuren (hèhè, eindelijk), zoals een doop of een avondmaal, dan worden die handelingen vaak ook nog helemaal ingepakt met woorden, of moet ik zeggen: helemaal uitgepakt, ontleed, verklaard en toegelicht, zodat de eigenlijke handeling bijna bijzaak wordt. Een stukje brood, een slokje wijn (och arme, in aparte bekertjes), 3 handjes water (niet teveel dominee, anders schrikt ze misschien, of wordt het parket nat). Om de gemeenschap met God te vieren, moet je ze wel kunnen beleven, en er niet alleen maar hard aan denken. Kortom: de zintuigen moeten aangesproken worden.

Als het basale besef hiervan ontbreekt, dan slaat een plots ingevoerd symbool als een tang op een varken en blijven alle goedbedoelde symboolhandelingen plaatjes bij praatjes, dwz dan zitten we nog steeds in het praathuis en raken we niet uit onze woorden. En dat terwijl God zoveel te zeggen heeft, waar geen woorden voor zijn, maar die wel reëel zijn en beleefbaar.

 Dick Wursten