Hij verloor de macht over het stuur…

Hij verloor de macht over het stuur

De macht over het stuur verliezen is  een mysterieus zinnetje (dat zeer vaak opduikt in berichten over verkeersongevallen). Probeer je maar eens voor te stellen wat dat nou precies betekent. Niet gelukt? Hier wat meer context.

In de derde week van januari zo veel mogelijk berichten over ongelukken in Nederlandse media. En al deze bestuurders verloren in die week de macht over hun stuur:

  • Een chauffeur werd onwel, verloor de macht over het stuur en reed op twee geparkeerde 
  • Een chauffeur verloor de macht over het stuur en reed met zijn auto 
  • Een chauffeur verloor de macht over het stuur en reed met haar auto 
  • Een chauffeur verloor de macht over het stuur van een Mercedes-AMG GT 63 S 4MATIC+ die 

Eerst dacht ik: het zinnetje lijkt iets te verklaren, maar betekent in werkelijkheid helemaal niks. Als je het weglaat, ontbreekt er namelijk geen informatie:

  • Een chauffeur werd onwel en reed op twee geparkeerde auto’s in.
  • Een chauffeur reed met zijn auto de sloot in.
  • Een chauffeur reed met haar auto tegen een lantaarnpaal.
  • En een chauffeur reed een gloednieuwe, peperdure Mercedes in de prak.

Maar toen besefte ik: het zinnetje doet toch iets.

De woorden ‘verloor de macht over het stuur’ doen hetzelfde als waarmee de Amerikaanse vicepresident Dick Cheney uitlegde hoe hij een kameraad met wie hij was gaan jagen in zijn gezicht, nek en borst had geschoten.

Cheney zei niet: ‘Ik heb Harry neergeschoten.’ Hij zei: ‘Nu ja, uiteindelijk ben ik degene die de trekker overhaalde die de kogel loste die Harry raakte’

 

Cheney plaatste zichzelf op afstand van zijn handeling, door er een paar technische stapjes tussen te zetten.

Het zinnetje ‘verloor de macht over het stuur’ creëert op eenzelfde manier afstand tussen degene die handelt en de gevolgen van die handeling – maar dan ook nog in een

‘De macht over het stuur verliezen’ is een verwoording die bijdraagt aan het gevoel dat auto’s de controle over de mensen hebben genomen: als je ze niet in je macht hebt, dan gaan ze er met je vandoor!

Dag Hammarskjöld, de langste reis

De langste reis
is de reis naar binnen.

(uit Merkstenen, 1964)

Dag Hammarskjöld (1905-1961) posthuum Nobelprijswinnaar, bij leven secretaris-generaal van de VN. Hij is weer even ‘nieuws’ omdat het gerucht dat zijn vliegtuig niet is neergestort, maar neergehaald (door een Belgische ‘huurling’) met nieuwe info is gevoed. Tsja.

Belangrijker vandaag vind ik de persoon van Dag Hammarskjöld. Na zijn overlijden werd namelijk duidelijk dat deze topdiplomaat er een rijk innnerlijk leven op nahield. Merkstenen heette het boek dat in 1963 gepubliceerd werd. Een soort dagboeknotities (hoogst gestileerd, vaak literair proza, steeds meer gedichten, haiku’s zelfs – NB: het dagboek is niet bewaard, enkel een typoscript), waarin Hammarskjöld reflecteert op zijn leven (privé, maar vooral over hoe hij in zijn beroep wil staan – een beroep dat hij als een roeping beleeft, een ambt): wat er gebeurt, wat lukt, wat mislukt, de dilemma’s waar hij voor komt te staan, de beslissingen die hij moet nemen. Hij neemt de volle – ook persoonlijke – verantwoordelijkheid. Hij wil een civil servant zijn, restloos. Geen kleinigheid. De notities in ‘Merkstenen’ karakteriseerde hij (in een ongedateerd brief die bij het manuscript zat) als:

‘…een soort witboek over mijn onderhandelingen met mijzelf – en met God’

De politicus blijkt een mysticus te zijn, èn die twee zijn niet van elkaar te scheiden. Veelzeggend en te denken gevend. Deze teksten moet je dus niet als een ‘dagboek’ lezen in de gewone zin. Dat heeft ook weinig zin, want de uitwendige gebeurtenissen worden niet eens genoemd. Het is al reflectie, een uitgepuurde, steeds weer opnieuw geredigeerde (vermoed ik, anderen betwijfelen dat) vorm van schrijven. Na-denken om vooruit te komen. Het motto – voorin het manuscript – luidt niet voor niets:

‘Alleen de hand die doorhaalt, kan waarheid schrijven.’

(een uitspraak vaak toegewezen aan Meister Eckhart – en dus ook zo op het internet te vinden, maar volgens de echte kenners afkomstig van de Zweedse dichter Bertil Malmberg).

Hier zijn meest bekende gedicht (begin jaren 1950, op het hoogtepunt van zijn carrière, nog voor hij het ambt van ‘secretaris-generaal van de VN aanvaardde). Hij heeft alles bereikt, vanuit de wereld gezien. Zelf is hij van mening dat het nu pas begint. De vertaling is lichtjes aangepast t.o.v. de Nederlandse uitgave van 1965, p. 72 – hier het origineel.

De langste reis
is de reis naar binnen.
Wie zijn lot 1gekozen heeft,
de tocht begonnen is
naar zijn eigen bodem
(is er een bodem?),
is nog midden onder u
maar staat al buiten het leven,
geïsoleerd in uw gevoel
zoals een ter dood veroordeelde
of zoals hij, 
die door een naderend afscheid
al van tevoren wordt toegewijd
aan de uiteindelijke eenzaamheid van ieder mens.

Tussen u en hem is afstand,
onzekerheid –
zorg. 2

Hij zelf zal u zien, 
almaar verder weg,
de lokroep van uw stemmen horen,
steeds zwakker.

Ik voel in dit gedicht, maar ook in andere teksten van Hammarskjöld vaak verwijzingen naar T.S. Eliot. Vergelijk bijvoorbeeld het openingsgedicht van Merkstenen. p. 23, met de sfeer die Eliot oproept in de Journey of the Magi, of met The Waste Land…

Verder word ik gedreven,
een onbekend land in.
De grond wordt harder,
De lucht prikkelender, kouder…

 

Nashville blues

De Nashville-verklaring leidt bij onze Noorderburen bijna tot kamervragen. Vreemd. Wat erin staat is helemaal niet nieuw. Het is gewoon de zoveelste manifestatie van een bepaalde vorm van christelijk denken, die haar mens- en wereldbeeld baseert op een specifieke lezing van de Bijbel en die die lezing normatief wil stellen voor de ganse christenheid. Waarom doen ze dat?

Ach, het antwoord is niet zo moeilijk. Ze lezen de bijbel en denken dat daarin God rechtstreeks het woord tot ons richt. Altijd, in elk bijbelboek, in elk vers, en zonder nood aan vertolking, zo zoals het er staat, d.w.z. als een feitelijke mededeling van standen van zaken. Dat leidt vanzelf tot dit soort opvattingen. En die zijn dan ook meteen altijd een overal waar, èn moeten luid verkondigd worden, wereldwijd, want het is wat God vindt (niet wat zij vinden).

Voilà, nu over sekse en gender.
Lees maar even mee in Genesis 2, een prachtig verhaal (samengevat):

God stelt vast dat het niet goed is dat ‘de Mens’ (in het Hebreeuws: ‘ha-Adam’) alleen is. En vraagt zich af hoe hij daaraan tegemoet kan komen. Hij besluit om de Mens in een diepe slaap te vallen en creëert dan uit zijn rib een ‘tweede exemplaar’ om hem in zijn leven terzijde te staan (letterlijk staat er: ‘een tegenover’). Als de Mens ontwaakt uit zijn coma, zijn ogen opslaat en ziet wat God gecreëerd heeft, is hij de hemel te rijk en roept het uit: ‘Eindelijk een mens zoals ik, van hetzelfde vlees en bloed’! En vervolgt de verteller: Dat verklaart waarom er ‘mannen en vrouwen’ zijn en waarom die zo graag seks hebben met elkaar en gaan samenwonen.

Totzover de lezing.

Ik zeg dan: een prachtig, oerverhaal over de condition humaine, rijk aan betekenis. Het maakt duidelijk dat de mens ‘in z’n eentje’ ook niet alles is. Dat hij pas zichzelf wordt als hij durft relaties aan te gaan. Ik preek daar ook graag over tijdens huwelijksvieringen. Mens-zijn in meervoud, het belang van relaties, en de vreugde die het biedt als je met één mens in het bijzonder je leven mag gaan verkennen en vormgeven. Maar:

Tegelijk besef ik dat het enkel herkennen en erkennen van de heteroseksuele aantrekkingskracht (en dus de heteroseksuele relatie), niet meer houdbaar is.

De menswetenschappen (ik bedoel: die zich met de mens bezighouden: psychologie, neurologie, sociologie tot cognitiewetenschap) hebben immers laten zien (echt waar, resultaat van decennialang volgehouden onderzoek, met trial and error) dat de mens een zeer complex wezen is, en dat zijn zelfbeeld ook qua sekse en gender (een term die nodig was om de complexe onderzoeksresultaten te kunnen ordenen) niet zomaar in een duale heteroseksuele mal te past. Mensen kunnen zichzelf anders beleven dan ze fysiek-biologisch zijn. En ook die beleving is een biologisch-fysiek gegeven (cognitieve wetenschap). Mensen met een mannelijk lichaam kunnen zich waarnemen als een vrouw, mannen kunnen aangetrokken worden tot mannen, en dan zijn er ook nog allerlei gradaties etc. Dat zijn vaststellingen van realiteiten. Vroeger werden die verschijnselen (men kon niet anders) afgedaan als ‘afwijkingen’, al dan niet pervers, al dan niet geneeslijk. Ze moesten en zouden in een duaal kader passen. En daar komt dan nog een sterk waardeoordeel bij: Zo heeft God het niet bedoeld en je mag dat dus niet ‘goed’ noemen. Aldus de protestantse Nashville verklaring – het roomse natuurrecht spreekt van ‘intrinsiek ongeordende’ relaties, wat even negatief is. Impliciet of expliciet klinkt de boodschap: Jìj bent niet goed. Wat jij voelt, is zondig. En dat komt hard aan, bedreigend, vernietigend zelfs.

Gelukkig gaan in de praktijk steeds meer christenen op een veel nuchterder manier om met medemensen die niet in de duale rubricering passen. Zij hebben de facto die achterhaalde vorm van denken over relaties en seksualiteit al laten vallen.

Nu de theologen en kerkleiders nog.

DIck Wursten, 8 januari 2019

 

 

György Konrád – de schelmse rabbi

Een parabel

György Konrád

Rabbi Iakov was zeer geliefd in het dorp, maar toch klonk zijn gezang bij de arke des verbonds sjabbat na sjabbat steeds klaaglijker. Hij wilde niet meer. Hij wilde de zondaars niet meer met de gestrengheid van de Almachtige bedreigen, en ook de vromen niet meer met zijn goedertierenheid troosten. Hij vluchtte weg uit zijn synagoge, vermomde zich, begon een zwervend leven te leiden.

Onderweg belandde hij bij een oude vrouw die door iedereen verlaten in haar troosteloze kot op sterven lag. “Waarom heb ik geleefd als ik zo ver ik me herinneren kan, niets dan leed te dragen heb gekregen?”, jammerde de oude vrouw. “Om het te dragen”, antwoordde de vermomde rabbi, en zo verzoende hij de stervende met haar lot. Toen hij haar gezicht met een doek toedekte besloot hij voortaan z’n mond te houden.

Op de derde dag van zijn zwerftocht ontmoette hij een jonge bedelares, die een dode zuigeling op haar rug meedroeg. De rabbi hielp haar een graf te delven; ze legden het lijkje in doeken gewikkeld in de groeve, bedekten het met aarde, aten brood, en de rabbi antwoordde alleen met gebaren op de vragen van het bedelmeisje. “Mijn arme kleine is niets ten deel gevallen, vreugde noch verdriet. Zeg eens, heeft het zin gehad dat het ter wereld kwam?” De vermomde rabbi beschreef met zijn hand een cirkel voor zijn gezicht, maar toen het meisje aanhield, knikte hij van ja. En op hetzelfde moment besloot hij zich niet alleen stom, maar ook doof te houden.

Hij verborg zich voor de mensen in een grot. Niemand vond hem daar, alleen een wezel kwam hem op het spoor. Hij had een wond aan zijn poot, de rabbi legde er geneeskrachtige kruiden op; de wezel verzamelde voortaan smakelijke zaden voor hem. De kluizenaar bad, het diertje bewoog zijn neus, de twee raakten op elkaar gesteld. Op een middag lag de wezel bij de ingang van de grot te zonnen. Opeens dook er een gier uit de lucht neer, greep het dier voor de ogen van de rabbi en nam het mee de lucht in. Daarop dacht de rabbi bij zichzelf dat het beter zou zijn als hij voortaan ook zijn ogen niet meer open zou doen.

Maar omdat hij op die manier – stom, doof en blind – alleen nog maar op de dood kon wachten en omdat hij het niet gepast vond die te verhaasten, begaf hij zich opnieuw op weg, keerde in de kring van zijn gemeente terug en zei opnieuw tegen de mensen dat volgens de wetten van de Almachtige dit in hun leven goed was en dat slecht. Hij deed wat hij vroeger ook had gedaan en nam toe in kracht naarmate hij zich meer schaamde.”

György Konrád (uit De Bezoeker, p. 131-132). Daar wordt deze parabel ingeleid met de zin ‘Ik zou natuurlijk zo kunnen handelen als die schelmse rabbi, die…’

Vézelay achterstevoren…

De schoonheid van de basiliek van Vézelay is een wonder. Je hebt geen geloof of kennis van zaken nodig. Je hoeft enkel de kerk binnen te gaan en je ervaart het (als de zon schijnt). De kerk spant samen met het licht, ze is een vriendin van de zon. En als de zomerzonnewende nadert kun je tegen het middaguur zelfs via het licht opgaan naar het Licht, want dat gebeurt er dit…En als je je omdraait, zie je dit…

Blaise Pascal over lichamelijk lijden

Divers traitez de piété

Cologne [Paris ?], Balthazar d’Egmondt, 1666.
Bibliothèque nationale de France, Réserve des livres rares, RÉS P-D-183
© Bibliothèque nationale de France
[onderaan de pagina een PDF van deze editie, die u kunt doorbladeren en desgevallend zelfs lezen. You never know]

Toelichting (uit de catalogus van een tentoonstelling):

Le trente-deuxième et dernier chapitre de l’édition des Pensées de 1670 est occupé par la Prière pour demander à Dieu le bon usage des maladies, l’une des plus hautes expressions de la « spiritualité pascalienne de l’anéantissement » (Gouhier 1986). Dans la continuité de sa méditation sur l’entrée du Christ dans son agonie au Jardin des Oliviers, Pascal y rapporte à la figure du Christ de douleur tout l’effort d’imitation du Christ qui anime la vie du chrétien : « Faites, ô mon Sauveur, que si mon corps a cela de commun avec le vôtre, qu’il souffre pour mes offenses, mon âme ait aussi cela de commun avec la vôtre, qu’elle soit dans la tristesse pour les mêmes offenses ; et qu’ainsi je souffre avec vous, et comme vous, et dans mon corps, et dans mon âme, pour les péchés que j’ai commis. »
Vraisemblablement composée en 1659 ou 1660, et non pas au lendemain de la « première conversion » de Pascal comme le croyaient les éditeurs de 1670, l’œuvre tranche sur les Pensées par son achèvement et l’ampleur du style. Pascal la destinait de toute évidence à une publication, qui n’intervint toutefois qu’après sa mort : elle parut pour la première fois, de manière anonyme, en tête du recueil des Divers traités de de piété imprimé sans doute à Paris mais publié sous l’adresse fictive de Balthazar d’Egmondt à Cologne. Le livre réunissait un ensemble de méditations et d’oraisons à l’usage des religieuses de Port-Royal. La fausse adresse s’explique par les circonstances de la publication : le conflit qui opposait Port-Royal au pouvoir royal et ecclésiastique autour de la signature du Formulaire battait son plein et avait conduit en juillet 1665 à l’expulsion des religieuses réfractaires du monastère de Paris, regroupées par force dans celui des Champs. Une copie de la Prière de Pascal se trouvait probablement parmi les « deux ou trois coffres de papiers » que, selon le récit de Racine dans son Abrégé de l’histoire de Port-Royal, les religieuses « confièrent à M. Arnauld lorsqu’elles furent dispersées » et d’où l’on tira, dans les années suivantes, la matière de plusieurs éditions subreptices de textes port-royalistes. En 1670, les éditeurs indiquèrent que la prière avait été « déjà imprimée deux ou trois fois sur des copies assez peu correctes ». Trois éditions antérieures sont aujourd’hui connues : le texte de 1666 fut réédité sans doute peu après, dans une édition sans date portant elle aussi l’adresse fictive de Balthazar d’Egmondt à Cologne – et au titre de laquelle est inscrit le mot de saint Augustin, « Prenez et lisez » –, puis en 1669 à Châlons en Champagne à l’instigation de l’évêque janséniste du lieu, Félix Vialart de Herse. Les quelques différences textuelles entre ces éditions et celle de 1670 tiennent vraisemblablement au fait que les éditeurs ont utilisé une copie manuscrite  ; mais en dépit de ce que déclare leur avertissement, ils se sont également servi de l’édition de 1666, beaucoup moins incorrecte qu’ils ne le laissaient entendre.

Hoe lees je een ‘heilig’ boek?

Niet wat er staat, maar hoe je leest…
Niet de filologie, maar de hermeneutiek is bepalend…

Het punt bij ‘godsdiensten met een heilig boek’ is niet zozeer wat er staat in die (oude) boeken, maar wat men nu doet met wat er staat. Dus niet filologie en exegese zijn doorslaggevend, maar hermeneutiek. Terzijde: in de media valt men bijna allemaal in de valkuil van de ‘geleerdenstrijd’: hete hoofden en koude harten… want je kunt met een heilig boek nog alle kanten op, bijna had ik geschreven: los van wat er staat.

Ik bedoel: Een heilig boek – met goudbeslag etc – kan in processie binnengedragen worden in wolken wierook gehuld, terwijl iedereen rechtstaat of diep buigt… En met voorgelezen of gereciteerd worden op verhoogde toon… dat zegt niets over wat men met de tekst die men net gereciteerd heeft uit dat boek doet. Iedereen die wel eens een evangelielezing in een roomskatholieke mis heeft aanhoord, weet dat het na de acclamatie echt nog alle kanten op kan met de homilie. En daar zit het springende punt, daar meldt zich de hermeneutiek (de ‘vertolking’ van het gelezen voor de huidige verstaander).
Echt alle kanten: Stel dat het een lastige tekst is (bijv. dat de vrouw moet zwijgen in de gemeenschap van gelovigen) dan kan men dat linea recta toepassing verklaren op het leven vandaag – onhistorisch dus, want met overslaan van vele eeuwen menselijke geschiedenis. Men kan echter ook een vrije, al dan niet geslaagde, filosofische beschouwing over het onderwerp houden, waarbij men met die lastige’ tekst in gesprek gaat (tegen-sprekelijk) en/of hem historisch kadert (en zo z’n gezag voor heden ondermijnt) etc. Men kan hem ook geheel ignoreren en net doen alsof er geen probleem is. Meer dan voorlezen moet dat niet zijn…

The proof of the pudding is in the eating.

NB: There is no such thing as an objective reading; il n’y a pas de hors-texte; Er is geen verstaan mogelijk, zonder Vorverständnis (en dus vooroordeel – maar dat geeft niet, want dat stelt zich wel al lezend en na-denkend, wel bij)

ABC for Architects

Een goede architect’ volgens Vitruvius

Vitruvius 15th C. manuscript

Die oude Romeinen waren zo gek nog niet. Lees eens de eerste twee alinea’s uit hoofdstuk 1 van het 2000 jaar oude boek over de Architectuur van de Romeinse bouwmeester Vitruvius. Hier somt hij kort de basiskwalificaties (kerncompetenties) van een architect. Een combinatie van theoretische culturele kennis en materieel-praktische kennis. Handvaardigheid noemt Vitruvius dat laatste letterlijk.

 

 

[tekst in Engels en Latijn]

1. The science of the architect depends upon many disciplines and various apprenticeships which are carried out in other arts. The particularity of an architect’s work consists in a combination of craftsmanship and technological insight. Craftsmanship is the continued and familiar practice, carried out by the hands in such material as is necessary for the purpose of a design. Technological insight sets forth and explains how the things wrought are in accordance with technical skill and method.
2. So architects who without culture (without books) aim at manual skill, cannot gain a prestige corresponding to their labours, while those who trust to theory and literature alone, obviously follow a shadow and not reality. But those who have mastered both, like men equipped in full armour, soon acquire authority and attain their purpose.

Vitruvii De Architectura, Liber Primus

1. Architecti est scientia pluribus disciplinis et variis eruditionibus ornata, [cuius iudicio probantur omnia] quae ab ceteris artibus perficiuntur. Opera* ea nascitur ex fabrica et ratiocinatione. Fabrica est continuata ac trita usus meditatio, quae manibus perficitur e materia cuiuscumque generis opus est ad propositum deformationis. Ratiocinatio autem est, quae res fabricatas sollertia ac rationis proportione demonstrare atque explicare potest.
2. Itaque architecti qui sine litteris contenderant ut manibus essent exercitati, non potuerunt efficere, ut haberent pro laboribus auctoritatem; qui autem ratiocinationibus et litteris solis confisi fuerant, umbram non rem persecuti videntur. at qui utrumque perdidicerunt, uti omnibus armis ornati citius cum auctoritate quod fuit propositum sunt adsecuti.

* Opera = singularis (f.)