De eerste verzen van Homeros’ Odyssee

05 augustus 2016 (bron)

Patrick Lateur vertaalde de Ilias (2010) en de Odyssee (2016) in blank verse. De uitgever (Athenaeum en Polak) vroeg hem waarom hij dat gedaan heeft, en om zijn vertaling van het bekende eerste vers eens uit te leggen. Over iamben, woordvolgorde en alliteratie.

ἄνδρα μοι ἔννεπε, μοῦσα, πολύτροπον, ὃς μάλα πολλὰ
πλάγχθη …

De man van vele listen moet u, Muze,
voor mij bezingen. Hij zwierf zeer veel rond
nadat hij Trojes goddelijke burcht
verwoest had, zag de steden van veel mensen
en leerde zo hun geest en volksaard kennen.
Veel pijn en leed doorstond zijn hart op zee
terwijl hij voor zijn eigen leven vocht,
voor de behouden thuiskomst van zijn makkers

De iambe, niet de hexameter

Lang vóór men zich ook maar waagt aan een vertaling van het eerste vers van een epos dat zo’n invloed heeft gehad op de Europese cultuur, moet men zich afvragen in welke vorm het homerisch epos zich het best laat vertalen en ook hoe je recht doet aan het woord dat de dichter in zijn ouverture met nadruk naar voren schuift. De vele versvormen die Griekse en Latijnse dichters hanteren zijn in hedendaagse Nederlandse poëzie amper of niet terug te vinden. Schwartz’ keuze (1951) om Homeros’ epen in proza weer te geven blijft verdedigbaar, want Homeros is een magistraal verteller. Maar de eerste dichter van het Avondland verdient het vooral in versvorm te worden omgezet. Liefst geen hexameter, want die versvorm werd in oorspronkelijke Nederlandse poëzie voor het laatst gebruikt door Bilderdijk.1 En dat is inmiddels twee eeuwen geleden. Een hedendaagse omzetting vraagt een evenwaardige versvorm, die geen geweld doet aan de inhoud van het origineel, noch aan de Nederlandse syntaxis of de geldende versvormen en -normen. De Franse filosoof Paul Ricoeur pleit in Sur la traduction (2004) voor een ‘équivalence sans identité’, een gelijkwaardigheid zonder gelijkheid. In die geest koos ik bij de omzetting van de homerische hexameter voor het blanke vers, dat in onze literatuur gebruikt wordt voor epische poëzie, zoals in Gorters Mei en de Interludiën van Karel van de Woestijne. Dit vijfvoetig jambisch vers leunt het dichtst aan bij het natuurlijk ritme van onze taal en blijkt ook bij voordracht uitstekend aan te sluiten bij de orale traditie van de homerische rapsoden.

De man, niet de muze

Het probleem bij de weergave van het allereerste woord van Ilias en Odyssee is van syntactische aard. De wrok (Ilias mènin) en de man (Odyssee andra), die de respectievelijke thema’s vormen van Homeros’ epen, zijn telkens het lijdend voorwerp van een imperatief (zing aeide, vertel ennepe ) waarmee de zanger zich tot de godin, de muze richt. Zij moet voor de dichter, die zich als een medium voelt, de stof aanreiken en hem inspireren. In de oude talen is de woordpositie erg wendbaar omdat de uitgang de functie bepaalt, terwijl in moderne talen de plaats zelf de functie aangeeft. De originele woordvolgorde respecteren is geen evidentie, en toch moet men het proberen omdat Homeros in zijn ouverture van de Odyssee alle nadruk wil leggen op een man. Alle voorgaande vertalers openen met ‘Muze’ of met de imperatief van ‘(be)zingen’. Alleen W.E.J. Kuiper begint zijn fragmentarische vertaling van de Odyssee in de Klassieke Bibliotheek (1949) met ‘Hem…’ Ook anderstalige vertalingen openen meestal met de aanspreking of het verzoek, maar onder meer Chapman (1614-16), Bérard (1924) en Ferrari (2001) blijven dichter bij Homeros: ‘The man, O Muse…’ ‘C’est l’homme aux mille tours, Muse…’ ‘L’uomo dai molti percorsi, o Musa…’ Ik vond voor de ouverture van Ilias en Odyssee een oplossing in de weergave van de imperatief met het modale werkwoord ‘moeten’ : ‘De wrok /De man…. moet u bezingen’.

Vele listen, niet wegen

De man die het onderwerp vormt van de ‘Odyssee wordt niet onmiddellijk bij name genoemd, maar de toehoorders wisten onmiddellijk om wie het ging. Het epitheton ‘polytropos‘ wijst op het ingenieus, vindingrijk, vernuftig karakter van de persoon. Net als die andere epitheta polymètis, polyfroon, polymèchanos. En dat kon alleen maar Odysseus zijn. Maar waar die andere adjectieven veelvuldig voorkomen (polymètis zelfs bijna honderd keer), komt polytropos verrassend genoeg slechts eenmaal terug, bij monde van Kirke: ‘Jij bent warempel Odysseus, / de man van vele listen’ (10.330). De vertaling ‘een man van vele ‘wegen’, die hoger te vinden is bij Ferrari en ook bij De Roy van Zuydewijn (1992), is een andere mogelijke interpretatie. Maar er moet daarbij wel worden opgemerkt dat Odysseus’ tocht niet het gevolg is van enige reis- of treklust, maar hem wel werd opgelegd door de omstandigheden en vooral door Poseidon.
In hetzelfde polytropos vraagt het eerste element van de samenstelling, een letterlijke vertaling, ‘van vele listen’. In de eerste vier verzen komt poly liefst viermaal voor (polytroponpolla in v.1 en als anafoor polloon en polla in vv. 3 en 4). Het ‘duizend’ van Dros (1991) klinkt mooi, maar verzwakt eigenlijk de beklemtoning van die veelvuldigheid.
In een eerdere versie, verschenen in een themanummer van Kunsttijdschrift Vlaanderen met plastisch werk van Koen Broucke (november 2012), is de woordvolgorde iets anders:
De man van vele listen, Muze, moet
u mij bezingen. Heel veel zwierf hij rond

…’
Uiteindelijk koos ik voor een zachter enjambement, hoewel in de vroegere versie de alliteratie Muze-moet sterker klinkt en ook de parataxe u-mij expressiever is. Vertalen is vaak weifelen. (Ik prefereer de eerdere versie, DW)

Patrick Lateur publiceert als dichter, vertaler en bloemlezer. Hij vertaalde werk van onder meer Pindaros en epigrammendichters van de Anthologia Graeca, Ausonius en Benedictus, Da Vinci en Michelangelo. Voor zijn vertaling van Homeros’ Ilias ontving hij in 2013 de Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren.

παρὰ θῖνα θαλάσσης / para thina thalasses

Homerus, Ida, en Ezra


παρὰ θῖνα θαλάσσης

Drie woorden slechts van Homerus, — 
               o hóór het kantelen en ruisen
dat er in schuilt; — als een kind
               dat gelovig de schelp aan het oor legt.
Hoorde ge eigenlijk nooit
               dat komen en gaan, gaan en komen:
hoorde ge eigenlijk nooit
               de zee in het vers van Homerus?


Gedicht van Ida Gerhardt (uit De zomen van het licht, 1983 — titel van de bundel verwijst naar De rerum natura van Lucretius. Afdeling in de bundel: een naam in schelpen)


1.
Para thina thalasses” (Grieks: παρὰ θῖνα θαλάσσης) is een beroemde uitdrukking uit de klassieke literatuur en betekent letterlijk “langs het strand van de zee“. De tekst komt uit de Ilias van Homerus (Boek 1, vers 34), Vollediger (maar nog niet compleet, zie onder Homerus) luidt de versregel para thina poluphloisboio thalasses (παρὰ θῖνα πολυφλοισβοῖο θαλάσσης.)
Het woord poluphloisboio (luid-ruisend) wordt vaak gebruikt in het onderwijs om uit te leggen wat een onomatopae is (klanknabootsing): Spreek het uit, en je hoort het rollen en breken van de golven op het strand. Het is bijvoeglijk naamwoord bij thalasses (zee). In moderner grieks zou de uitgang niet ‘oio’ maar ‘ou’ zijn, en is het effect weg.
Onbedoeld of bedoeld —dat weet ik niet— laat Ida Gerhardt (1983) net dat woord weg en vraagt in het gedicht aan de hoorders toch of ze de zee horen ‘kantelen en ruisen’. Door de weglating hoor/voel ik nog wel de golven (dat zullen dactylussen (dactyloi?) zijn die zich na de cesuur (na thina) zo mooi neerleggen in het woord thalasses)… maar ik hoor de branding van poluphloisboio niet meer… φλοῖσβος (phloisbos) = bruisend.

2.
Origineel is Ida niet: In Mœurs Contemporaines (1919) gebruikte Ezra Pound het bij Ida ontbrekende woord in een engels gedichtje, met daaronder de volledige Griekse frase: “Para thina poluphloisboio thalasses”. De context bij Ezra is wel iets uitbundiger dan bij Ida


VI
Stele

After years of continence
           he hurled himself in a sea of six women.
Now, quenched as the brand of Meleagar,
           he lies by the poluphloisboious sea-coast.

παρὰ θῖνα πολυφλοισβοῖο θαλάσσης

SISTE VIATOR.


Stele, rechtopstaande zuil.
Meleager, Grieks dichter van epigrammen (m.n. liefdesgedichten)
Siste viator: Sta stil, reiziger (in de Romeinse tijd vaak als epitaaf op grafmonumenten),

3.
En ja, dan nu Homerus. De zinsnede komt het begin van de Ilias, het griekse epos over de wrok van Achilles. De zin is het kantelmoment in de introductie. Degene die langs het strand loopt en de branding van de zee hoort bulderen in zijn oren is de oude priester Chryses. Hij komt net bij Agamemnon vandaan, de aanvoerder van het Griekse leger dat voor Troje (Ilium) ligt. Hij kwam zijn dochter vrijkopen (buitgemaakt toen de Grieken Thebe hadden ingenomen), hij had het losgeld bij zich. Alle Griekse vorsten waren akkoord lezen we bij Homerus, enkel Agamemnon niet. Die snauwt de grijsaard toe: “Ik laat haar niet gaan, nooit. She is mine! Weven kan ze, in mijn huis, delen zal ze, mijn bed. En nu wegwezen jij, als je leven je lief is!”

Zo sprak hij en de grijsaard werd bang en gehoorzaamde het bevel
Zwijgend ging hij langs het strand van de
polu-phloisboio zee,

Ὣς ἔφατ᾿, ἔδεισεν δ᾿ ὃ γέρων καὶ ἐπείθετο μύθῳ·
βῆ δ᾿ ἀκέων παρὰ θῖνα πολυφλοίσϐοιο θαλάσσης·

Een cruciaal moment, deze stille tocht langs de bruisende zee, want als het kamp van de Grieken in de verte verdwijnt, staat Chryses stil, en schreeuwt het uit tot Apollo (‘roept hem aan’). HIj smeekt hem om de Grieken te straffen, het onrecht/de schande hem en zijn dochter aangedaan te wreken. Welnu, Apollo laat geen bidder staan, en zal via de wrok van Achilles het Griekse kamp grote schade toebrengen. Ja, zo gaat dat.

Voor de liefhebbers, nog drie officiële vertalingen van deze twee hexameters. Eerst de klassieke (ook in dactylische hexameters, ja!) van H.J. de Roy van Zuydewijn (1980/1993), dan een totaal andere vertaling van Patrick Lateur, die de jambische pentameter kiest, zonder rijmdwang (2010).

De Roy van Zuydewijn
Ga en prikkel me niet, zodat je veilig naar huis keert!’
De oude werd bang van dat woord en deed zoals hem gezegd werd.
Stil ging hij heen langs het strand en de luid omstortende branding.

Patrick Lateur
Ga weg en terg me niet, wanneer je toch
nog veilig en behouden thuis wil komen.’
De oude man was bang en gaf gehoor
aan het bevel. Stilzwijgend liep hij langs
de oever van de zee. De branding bruiste.

Imme Dros
Maak dat je wegkomt en erger me niet als je leven je lief is,’
zei hij. De oude man werd bang en deed wat gezegd werd.
Stilletjes sloop hij langs de rusteloos ruisende zee weg,


Leesfragment (website Athenaeum/Scheltema)

[bron: https://athenaeumscheltema.nl/leesfragmenten/archief/2010/ilias]

Eerste zang
De wrok van Achilles

Aanroeping van de Muze

De wrok, godin, van Peleus’ zoon Achilles
moet u bezingen. Hij was dodelijk,
bracht voor Achaiërs rampspoed zonder einde
en stuurde naar de Hades vele schimmen
van forse helden; lijken werden voer
voor honden en voor vogels allerhande.
Maar zo voltrok zich het besluit van Zeus.
Begin vanaf de dag toen twist een breuk
bracht tussen Atreus’ zoon, bevelhebber
van krijgsvolk, en de godlijke Achilles.

Pest in het kamp van de Achaiërs

Maar wie toch van de goden dreef die twee
tot twist en strijd? De zoon van Zeus en Leto.
Verbolgen op de vorst had hij een ziekte,
de pest, verwekt in heel het legerkamp. 10
De krijgers stierven één voor één. De zoon
van Atreus had zijn priester zwaar beledigd,
toen Chryses met ontzaglijk losgeld kwam
tot bij de snelle schepen der Achaiërs.
Hij dacht zijn dochter daarmee vrij te kopen.
Een gouden scepter droeg hij in de hand
waarrond de wollen hoofdband van Apollo,
de god die treft van verre, was gebonden.
Hij smeekte alle Danaërs, het meest nog
de twee Atriden, leiders van het krijgsvolk:
‘Zonen van Atreus en ook u, Achaiërs
met sterke scheenplaat, voor u wens ik dat
de goden die op de Olympos huizen,
u de verwoesting gunnen van de stad
van Priamos en een behouden thuiskomst.
Maar laat mijn dochter vrij, aanvaard het losgeld 20
en heb ook eerbied voor de zoon van Zeus,
de godheid die van verre treft, Apollo.’

Toen juichten alle Danaërs dat toe
en stemden ermee in de priester te
ontzien, het prachtig losgeld aan te nemen.
Dat was niet naar de zin van Agamemnon,
de zoon van Atreus. Smadelijk joeg hij
hem weg. Brutaal en bars klonk zijn bevel:
‘Jij, oude vent, ik wil je nooit meer zien
nabij de holle schepen! Of je nu
blijft dralen of nadien nog eens terugkomt:
je scepter en de hoofdband van jouw god
beschermen jou dan zeker niet. Want haar
laat ik niet vrij! Nog eerder zal de oude
dag haar in mijn paleis in Argos vinden, 30
ver van haar vaderland, terwijl zij daar
het weefgetouw bedient, met mij het bed deelt.
Ga weg en terg me niet, wanneer je toch
nog veilig en behouden thuis wil komen.’

De oude man was bang en gaf gehoor
aan het bevel. Stilzwijgend liep hij langs
de oever van de zee. De branding bruiste.
En toen de grijsaard zich verwijderd had,
klonk vurig zijn gebed tot heer Apollo,
de zoon van Leto met de mooie lokken:
‘Aanhoor me, godheid met de boog van zilver,
die het hoogheilig Killa, de stad Chryse
beschermt en machtig heerst op Tenedos,
god Smintheus. Als ik tot uw vreugde ooit
een tempel van een dak voorzag of ooit
van stieren en van geiten vette schenkels 40
voor u verbrandde, wil dan deze wens
voor mij vervullen: dat de Danaërs
nu door uw pijlen boeten voor mijn tranen.’

Zo bad hij. Foibos heeft hem toen verhoord.
Apollo’s hart was toornig en hij liep
van de Olympostoppen naar beneden
met rond zijn schouders boog en koker, dicht
langs beide kanten. Pijlen rammelden
zodra hij woedend in beweging kwam.
Hij kwam zoals de nacht en zette zich
ver van de schepen neer en schoot een pijl af.
Een vreselijke klank kwam uit de boog
van zilver. Muildieren en snelle honden 50
bestookte hij het eerst, maar richtte dan
zijn scherpe pijlen op de krijgers: telkens
raak. Laaiend van de lijken brandden toen
ononderbroken niet te tellen stapels.

Kalchas’ godsspraak

Apollo’s pijlen kwamen negen dagen
lang op het scheepskamp neer. De tiende
dag riep Achilles de soldaten samen.
Want die gedachte was hem ingefluisterd
door Hera, de godin met blanke armen.
Zij was bezorgd, omdat zij toe moest zien
hoe de Argeiërs sneuvelden. Toen allen
verzameld waren in vergadering,
verhief Achilles met de snelle voeten
zich in hun kring en nam het woord tot hen:
‘Atride, onze onderneming faalt,
zo denk ik nu, wij moeten weer naar huis,
als wij tenminste aan de dood ontkomen, 60
want pest en oorlog zullen tegelijk
de Danaërs doen vallen. Kom, wij moeten
een ziener vragen of een priester of
een droomverklaarder – ook de droom gaat uit
van Zeus. Hij moet ons zeggen wat Apollo
zo woedend maakte: is hij ontevreden
om het verzuim van een gelofte of
een plechtig offer? Wellicht wil hij walm
van vlekkeloze lammeren en geiten
aanvaarden en ons voor verderf behoeden?’

Zo sprak hij en ging zitten. In hun midden
verhief zich Kalchas, zoon van Thestor, ziener
van al wat is, zal zijn en er ooit was, 70
veruit de beste vogelwichelaar.
Dankzij de zienersgave die Apollo
hem had gegeven, wees hij ooit de weg
naar Troje voor de vloot van de Achaiërs.
Bedacht op hun belang nam hij het woord:
‘Achilles, lieveling van Zeus, jij vraagt mij
de wrok van de trefzekere Apollo,
mijn meester, te verklaren. Wel, ik doe het.
Maar jij moet luisteren en mij dan zweren
dat jij bereid bent me met woord en daad
te helpen. Ja, ik weet dat ik de toorn
zal wekken van een man die over alle
Argeiërs machtig heerst en naar wie wordt
geluisterd door Achaiërs. Als een vorst
vertoornd is op een mindere, blijft hij 80
de sterkste. Want hij mag zijn woede wel
dezelfde dag verbijten, toch bewaart hij
die wrok voor later in zijn borst, totdat
hij hem gekoeld heeft. Overweeg nu eerst
of jij kunt borg staan voor mijn veiligheid.’

Hem gaf Achilles met de snelle voeten
als antwoord: ‘Wees gerust, vat moed en zeg
maar wat de godsspraak jou heeft ingegeven.
Want bij Apollo, die door Zeus geliefd is,
tot wie jij, Kalchas, bidt als jij orakels
voor de Argeiërs openbaart, ik zweer:
zolang ik leef en zonlicht zie op aarde –
aan jou zal niemand bij de holle schepen
zijn zware handen slaan, niet één van alle
Achaiërs, zelfs al noem je Agamemnon, 90
die zich erop beroemt dat hij nu veruit
de machtigste van de Argeiërs is.’

De onberispelijke ziener vatte
toen moed: ‘Apollo is niet ontevreden
om het verzuim van een gelofte of
een plechtig offer, maar omdat zijn priester
door koning Agamemnon werd beledigd:
zijn dochter kwam niet vrij, de vorst aanvaardde
geen losgeld. De trefzekere Apollo
zond daarom rampspoed en er volgt nog meer.
Hij zal dat smadelijk verderf niet weren
van de Argeiërs, vooraleer het meisje
met levendige ogen aan haar vader
teruggegeven wordt, maar zonder koopsom
nu, zonder losgeld, en vóór wij naar Chryse
een heilig offer sturen. Dan eerst kunnen
wij hem misschien verzoenen en vermurwen.’ 100

De twist

Zo sprak hij en ging zitten. In hun midden
verhief zich toen de held, de zoon van Atreus,
de wijd en zijd heersende Agamemnon.
Hij was gegriefd, zijn geest geheel gehuld
in duister en vervuld van woede, ogen
had hij als vonken vuur. Eerst keek hij boos
naar Kalchas en hij zei: ‘Onheilsprofeet!
Nog nooit voorspelde jij iets in mijn voordeel.
Je vindt altijd plezier in het voorspellen
van ongeluk. Nog nooit heb jij iets goeds
gedaan of uitgesproken. En ook nu weer
verklaar je in het openbaar een godsspraak
voor de Achaiërs: de Trefzekere
zou dáárom rampspoed brengen over hen 110
omdat ik voor het meisje, Chryses’ dochter,
geen schitterende losprijs wou aanvaarden.
Natuurlijk dat ik haar veel liever thuis hou!
Want ik verkies haar boven Klytaimnestra,
mijn legitieme vrouw. Zij hoeft niet onder
te doen voor haar in schoonheid en gestalte,
noch in verstand en handwerk. Toch wil ik haar
teruggeven, als dat het beste is.
Want ik verkies het welzijn van mijn krijgsvolk
boven zijn ondergang. Achaiërs, jullie
bezorgen mij terstond een eergeschenk,
opdat ik niet als enige Argeiër
hier zonder eergeschenk zal staan. Want zoiets
is onbehoorlijk. Elkeen ziet hoe mij
het eergeschenk verloren dreigt te gaan.’ 120

Toen gaf Achilles met de snelle voeten
hem antwoord: ‘Roemrijke Atride, jij bent
van allen de hebzuchtigste! Hoe kunnen
de fiere Danaërs een eergeschenk
aan jou bezorgen? Nergens kennen wij
nog grote buit die onverdeeld bleef liggen.
De buit uit de verwoeste steden is
verdeeld en het betaamt niet dat het krijgsvolk
die dingen op een hoop weer samenbrengt.
Laat jij haar nu uit eerbied voor de godheid
gaan. Driemaal, viermaal zullen wij, Achaiërs,
jou wel vergoeden, mochten wij door Zeus
het goed ommuurde Troje ooit verwoesten.’

De heerser Agamemnon gaf ten antwoord: 130
‘Hoe dapper jij ook bent, godengelijke
Achilles, huichel toch niet zo. Je zult
me niet te slim af zijn, noch overtuigen.
Wil jij, om zelf je eergeschenk te houden,
dat ik hier zomaar zit met lege handen?
Verzoek jij mij haar dáárom weer te geven?
Mij goed, wanneer de fiere Danaërs me
een eergeschenk bezorgen naar mijn zin
en met dezelfde waarde. Geven zij
het niet, dan kom ik zelf een eergeschenk
ophalen, dat van jou of dat van Ajas,
of neem ik dat van Odysseus maar mee.
Ja, wie ik opzoek, zal heel toornig worden.
Komaan, dat alles zullen wij wel later 140
nog eens bespreken. Wat nu moet gebeuren:
een zwart schip trekken in de zee vol glinsters
en het bemannen met een keur van roeiers,
aan boord de hecatombe brengen én
Chryseïs, meisje met de mooie wangen.
Eén iemand uit de krijgsraad neemt de leiding,
Idomeneus of Ajas, Odysseus,
de godlijke, of jij, Pelide, meest
geduchte van ons allen, in de hoop
de god die uit de verte treft, met ons
weer te verzoenen door een heilig offer.’

Achilles met de snelle voeten keek
hem dreigend aan en zei: ‘Ach, wat!? Jij, vat
vol onbeschaamdheid. Jou drijft winstbejag.
Hoe wil je dat nog iemand der Achaiërs 150
van harte luistert naar wat jij beveelt,
hetzij een expeditie wacht, hetzij
hij dapper tegen mannen moet gaan vechten?
Ik ben toch niet omwille van Trojaanse
lanszwaaiers hier gekomen voor een oorlog.
Zij hebben niets misdreven tegen mij.
Nooit hebben zij mijn koeien of mijn paarden
gestolen, nooit vernielden zij mijn oogst
in het vetkluitig, mannenvoedend Fthia.
Er liggen tussenin talloze bergen
vol schaduw en een zee met luide galm.
Nee, jou zijn wij gevolgd, voor jouw plezier,
jij die totaal geen schaamte kent. Hondsvot,
voor jou en Menelaos willen wij
van de Trojanen eerherstel verkrijgen.
Maar niets daarvan bekommert jou, het deert 160
je niet. Nu dreig je mij zelfs eigenhandig
mijn eergeschenk, waarvoor ik veel doorstond
en dat de zonen der Achaiërs mij
geschonken hebben, te ontnemen. Nooit
krijg ik een evenwaardig eergeschenk
als de Achaiërs een welvarende
Trojaanse stad verwoesten. Maar mijn handen
zijn wel het meest van alle in de weer
in het onstuimig oorlogswerk. En wordt
de buit verdeeld, dan is jouw eergeschenk
veel groter. Met een klein ben ik tevreden,
vermoeid van vechten keer ik dan terug
naar onze vloot. Maar nu ga ik terug
naar Fthia. Echt, het is veel beter weer
naar huis te keren op gekromde schepen. 170
Voor jou hier rijkdommen in overvloed
verzamelen, terwijl ik in mijn eer
ben aangetast, dat ben ik niet van plan.’

De aanvoerder van krijgsvolk, Agamemnon,
gaf antwoord: ‘Vlucht maar, als je hart dat nu
verlangt. Ik smeek je niet voor mij te blijven.
Ik heb hier nog wel anderen om mij
te eren, allereerst de wijze Zeus.
Van alle koningen die afstammen
van Zeus, verfoei ik jou het meest. Altijd
hou jij van ruzie, oorlogen en vechten.
Ben jij heel sterk, dan is dat een geschenk
van goden, denk ik. Vaar maar met je schepen
naar huis, speel daar de baas over je volk
van Myrmidonen. Over jou maak ik 180
me niet bezorgd, ik geef niet om je woede.
Neem deze dreiging voor gezegd: nu Foibos
Apollo mij Chryseïs afneemt, stuur ik
haar met mijn eigen schip, mijn eigen mannen.
Maar zelf kom ik naar jouw verblijf en haal
Briseïs weg, jouw eergeschenk, het meisje
met mooie wangen. Jij moet goed beseffen
hoezeer ik jou hier overtref in macht.
Dat ook een ander er terug voor deinst
zich mijns gelijke te verklaren en
zich openlijk met mij gelijk te stellen.’

[…]

Copyright vertaling © 2010 Patrick Lateur/Athenaeum—Polak & Van Gennep, Singel 262, 1016 AC Amsterdam


De eerste verzen van Homeros’ Odyssee

05 augustus 2016, door Patrick Lateur
[bron: https://athenaeumscheltema.nl/vertalers/2016/de-eerste-verzen-van-homeros-odyssee-vertaald-door-patrick-lateur]

Na zijn Ilias-vertaling (2010) komt Patrick Lateur nu met de Odyssee – het tweede boek van de Westerse literatuur, over de terugkeer van de Griekse held Odysseus. Wij vroegen hem waarom hij Homeros’ openingsverzen heeft vertaald zoals hij ze heeft vertaald. Over iamben, woordvolgorde en alliteratie.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Lateurs Ilias-vertaling. En schreef Imme Dros voor ons over de laatste zin van haar Ilias-vertaling.

ἄνδρα μοι ἔννεπε, μοῦσα, πολύτροπον, ὃς μάλα πολλὰ
πλάγχθη …
De man van vele listen moet u, Muze,
voor mij bezingen. Hij zwierf zeer veel rond

De iambe, niet de hexameter

Lang vóór men zich ook maar waagt aan een vertaling van het eerste vers van een epos dat zo’n invloed heeft gehad op de Europese cultuur, moet men zich afvragen in welke vorm het homerisch epos zich het best laat vertalen en ook hoe je recht doet aan het woord dat de dichter in zijn ouverture met nadruk naar voren schuift. Beide vragen heb ik voor mezelf al moeten beantwoorden bij het vertalen van Homeros’ Ilias (Athenaeum, 2010).

Het vertalen van antieke poëzie lijkt me in hoge mate een vormprobleem te zijn. De vele versvormen die Griekse en Latijnse dichters hanteren zijn in hedendaagse Nederlandse poëzie amper of niet terug te vinden. Schwartz’ keuze (1951) om Homeros’ epen in proza weer te geven blijft verdedigbaar, want Homeros is een magistraal verteller. Maar de eerste dichter van het Avondland verdient het vooral in versvorm te worden omgezet. Liefst geen hexameter, want die versvorm werd in oorspronkelijke Nederlandse poëzie voor het laatst gebruikt door Bilderdijk. En dat is inmiddels twee eeuwen geleden. Een hedendaagse omzetting vraagt een evenwaardige versvorm, die geen geweld doet aan de inhoud van het origineel, noch aan de Nederlandse syntaxis of de geldende versvormen en -normen. De Franse filosoof Paul Ricoeur pleit in Sur la traduction (2004) voor een ‘équivalence sans identité’, een gelijkwaardigheid zonder gelijkheid. In die geest koos ik bij de omzetting van de homerische hexameter voor het blanke vers, dat in onze literatuur gebruikt wordt voor epische poëzie, zoals in Gorters Mei en de Interludiën van Karel van de Woestijne. Dit vijfvoetig jambisch vers leunt het dichtst aan bij het natuurlijk ritme van onze taal en blijkt ook bij voordracht uitstekend aan te sluiten bij de orale traditie van de homerische rapsoden.

De man, niet de muze

Het probleem bij de weergave van het allereerste woord van Ilias en Odyssee is van syntactische aard. De wrok (mènin) en de man (andra), die de respectievelijke thema’s vormen van Homeros’ epen, zijn telkens het lijdend voorwerp van een imperatief (aeide, ennepe) waarmee de zanger zich tot de godin, de muze richt. Zij moet voor de dichter, die zich als een medium voelt, de stof aanreiken en hem inspireren. In de oude talen is de woordpositie erg wendbaar omdat de uitgang de functie bepaalt, terwijl in moderne talen de plaats zelf de functie aangeeft. De originele woordvolgorde respecteren is geen evidentie, en toch moet men het proberen omdat Homeros in zijn ouverture van de Odyssee alle nadruk wil leggen op een man. Alle voorgaande vertalers openen met ‘Muze’ of met de imperatief van ‘(be)zingen’. Alleen W.E.J. Kuiper begint zijn fragmentarische vertaling van de Odyssee in de Klassieke Bibliotheek (1949) met ‘Hem…’ Ook anderstalige vertalingen openen meestal met de aanspreking of het verzoek, maar onder meer Chapman (1614-16), Bérard (1924) en Ferrari (2001) blijven dichter bij Homeros: ‘The man, O Muse…’ ‘C’est l’homme aux mille tours, Muse…’ ‘L’uomo dai molti percorsi, o Musa…’ Ik vond voor de ouverture van Ilias en Odyssee een oplossing in de weergave van de imperatief met het modale werkwoord ‘moeten’.

Vele listen, niet wegen

De man die het onderwerp vormt van de ‘Odyssee wordt niet onmiddellijk bij name genoemd, maar de toehoorders wisten onmiddellijk om wie het ging. Het epitheton ‘polytropos wijst op het ingenieus, vindingrijk, vernuftig karakter van de persoon. Net als die andere epitheta polymètis, polyfroon, polymèchanos. En dat kon alleen maar Odysseus zijn. Maar waar die andere adjectieven veelvuldig voorkomen (polymètis zelfs bijna honderd keer), komt polytropos verrassend genoeg slechts eenmaal terug, bij monde van Kirke: ‘Jij bent warempel Odysseus, / de man van vele listen’ (10.330). De vertaling ‘een man van vele ‘wegen’, die hoger te vinden is bij Ferrari en ook bij De Roy van Zuydewijn (1992), is een andere mogelijke interpretatie. Maar er moet daarbij wel worden opgemerkt dat Odysseus’ tocht niet het gevolg is van enige reis- of treklust, maar hem wel werd opgelegd door de omstandigheden en vooral door Poseidon.

In hetzelfde polytropos vraagt het eerste element van de samenstelling, een letterlijke vertaling, ‘van vele listen’. In de eerste vier verzen komt poly liefst viermaal voor (polytroponpolla in v.1 en als anafoor polloon en polla in vv. 3 en 4). Het ‘duizend’ van Dros (1991) klinkt mooi, maar verzwakt eigenlijk de beklemtoning van die veelvuldigheid.

In een eerdere versie, verschenen in een themanummer van Kunsttijdschrift Vlaanderen met plastisch werk van Koen Broucke (november 2012), is de woordvolgorde iets anders: ‘De man van vele listen, Muze, moet / u mij bezingen. Heel veel zwierf hij rond /…’ Uiteindelijk koos ik voor een zachter enjambement, hoewel in de vroegere versie de alliteratie Muze-moet sterker klinkt en ook de parataxe u-mij expressiever is. Vertalen is vaak weifelen.

Patrick Lateur publiceert als dichter, vertaler en bloemlezer. Hij vertaalde werk van onder meer Pindaros en epigrammendichters van de Anthologia Graeca, Ausonius en Benedictus, Da Vinci en Michelangelo. Voor zijn vertaling van Homeros’ Ilias ontving hij in 2013 de Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren.

Funeral Blues (W.H. Auden) – satire en/of sentiment

Stop all the clocks, cut off the telephone, 
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come...

3 Nederlandse vertalingen

Hieronder drie vertalingen naast het origineel als afbeelding. Alle drie hebben ze hun sterktes en zwaktes. Alle drie dateren van na de film (Four Weddings and a Funeral) voorzover ik heb kunnen nagaan. Schulte Nordholt’s vertaling verscheen in een zeer lezenswaardige verzameling vertalingen van Engelse klassiekers: ‘De stille droeve mensenmelodie’ (u herkent William Wordsworth’s the still sad music of humanity…), zeker de moeite waard om te kopen als u het tweedehands eens ergens tegenkomt. Hij heeft overigens de regel 2 (over de blaffende honden) van het eerste couplet verkeerdom geïnterpreteerd. Wel de meest geslaagde slotzin van de drie vind ik. (click to enlarge)

Achtergrond bij het gedicht van W.H. Auden (1936)

Dit zeer bekende gedicht (dankzij de film ‘Four Weddings and a Funeral) komt – verrassing – uit een satirisch toneelstuk van W. H. Auden en Christopher Isherwood, The Ascent of F6 (1936): over een tot mislukken gedoemde bergbeklimmingsexpeditie (de F6 als een nog niet bedwongen berg in de Himalaya). Hoofdpersoon is Michael Ransom, bergbeklimmer en volksheld. Hij wordt gepusht (door publiek, pers en politiek) om als eerste de top van de F6 te bereiken (er is concucrrentie van een ander land en dat kan the UK niet laten gebeuren). Hij gaat overhaast te werk, offert z’n ploeg op, en als hij de top bereikt, komt hijzelf ook om. Het toneelstuk (met muziek van Benjamin Britten) reflecteert op het Engels imperialisme (Rule Brittannia), charismatische figuren en hun leiderschap, en het conflict tussen de publieke persoonlijkheid en de private sfeer.

Het gedicht – oorspronkelijke versie (satire) : Stop all the clocks

Binnen bovengeschetst toneelstuk wordt een lied gezongen door twee van de acteurs, na de dood van Michael Ransom. Het steekt de draak met de holle retoriek als het overlijden van de volksheld bekend wordt gemaakt (gepubliceerd). Dat zijn dood self-inflicted was, dat hij een team van medeklimmers in z’n grootheidswaan heeft meegesleurd, dat de hele onderneming eigenlijk de volkswil om beste/eerste/hoogste/snelste te zijn diende blijft buiten beeld. Satirisch dus. Ja, laat maar even bezinken. Nu lees je plots de tekst toch met andere ogen, d.w.z. een andere tekst. Qua compositie is het een pastiche van de populaire Amerikaanse musicalvorm, met verbale ritmes, simpel rijmende coupletten, en stereotiepe beeldspraak over tegenslag in de liefde.
Hier de originele tekst: U zult de eerste 2 coupletten herkennen als van het zeer geliefde gedicht (gelezen op menige uitvaart). De laatste 3 niet (die zijn ook niet echt sterk, vind ik, maar de cabaretsfeer is onmiskenbaar). Die heb ik schuingedrukt, want ze zijn dus vervangen door twee ons bekende, zeer persoonlijk aandoende, aandoenlijke verzen.

Stop all the clocks, cut off the telephone, 
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He Is Dead,
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

Hold up your umbrellas to keep off the rain
From Doctor Williams while he opens a vein;
Life, he pronounces, it is finally extinct.
Sergeant, arrest that man who said he winked!

Shawcross will say a few words sad and kind
To the weeping crowds about the Master-Mind,
While Lamp with a powerful microscope
Searches their faces for a sign of hope.

And Gunn, of course, will drive the motor-hearse:
None could drive it better, most would drive it worse.
He’ll open up the throttle to its fullest power
And drive him to the grave at ninety miles an hour.

Uitvoering (met de muziek van Benjamin Britten). De tekst is dus die hierboven staat !

Het gedicht – versie 2: Funeral blues

Stop all the clocks, cut off the telephone, 
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He Is Dead,
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last for ever: I was wrong.

The stars are not wanted now: put out everyone;
Pack up the moon and dismantle the sun;
Pour away the ocean and sweep up the wood.
For nothing now can ever come to any good.

De revisie

Auden heeft in 1937 de eerste twee coupletten behouden en ze in een herziene versie van het toneelstuk toegewezen aan één zanger… en hij heeft de twee nieuwe coupletten toegevoegd (die zijn wel briljant!). Zo is er een heel ander gedicht, een nieuw lied, ontstaan: een rauwe klacht, een rouwklacht, een fysieke uitbarsting van smart. Nu klinkt het juist heel oprecht (tsja, gevoelens opgeroepen door taal zijn ook kneedbaar door de context). Het lied/gedicht krijgt nu ook een titel ‘Funeral Blues’.
In 1938 verschijnt het in een bloemlezing van W.H. Auden, getiteld The Year’s Poetry, en in de verzamelbundel Another Time (1940). Samen met ‘Johnny’, ‘O Tell Me the Truth About Love’ en ‘Calypso’, verschijnt het in de bundel met de titel ‘Four Cabaret Songs for Miss Hedli Anderson’ (de sopraan die in 1937 de herziene versie in The Ascent of F6 had gezongen).

In de film Four Weddings and a Funeral uit 1994 wordt ‘Stop all the clocks’ voorgelezen tijdens die ene dramatische funeral. Kort na de release van de film werd —slim— een klein boekje uitgegeven met tien liefdesgedichten van W.H. Auden. Er werden bijna 300.000 exemplaren van verkocht. Mede door de context van de film is dit ook het gedicht geworden dat de ravage die de AIDS-epidemie heeft teweeggebracht samenvat.

Dick Wursten

Henri Lacordaire – Entre le fort et le faible

Zonder wetten geen vrijheid

“Entre le fort et le faible c’est la liberté qui opprime et la loi qui affranchit.” 
“Tussen sterken en zwakken leidt vrijheid tot onderdrukking en is het de wet die vrij maakt.

Dit paradoxaal klinkende citaat is afkomstig van de Franse dominicaan en politicus Henri-Dominique Lacordaire (1802–1861). Hij sprak deze woorden tijdens een vastenpreek in 1848. Die preek is gepubliceerd in 1855 in deel III van Les conférences de Notre-Dame de Paris (1835-1851). De volledige zin is langer: “Entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le maître et le serviteur, c’est la liberté qui opprime, et la loi qui affranchit.” Zonder wetten zal de vrijheid van de sterke de vrijheid van de zwakke verpletteren. Daarom is passieve vrijheid, d.w.z. een vrijheid die bij wet wordt opgelegd (afgedwongen dus), een essentiële voorwaarde om ‘zwakken’ (economisch, sociaal, cultureel) ook hun rechten te laten toekomen. Als dit niet gebeurt neemt de sterke alle terrein in. De wet maakt vrij.

Waar komt het citaat vandaan?

  • Lacordaire was een vertegenwoordiger van het liberaal-katholicisme. Hij leefde in een tijd van grote sociale en politieke onrust in Frankrijk. Hij streed met grote inzet, en veel eloquentie, voor een positieve relatie tussen christendom (de rooms-katholieke kerk) en de moderne zich emanciperende wereld. De relatie met zijn hiërarchie was précair (meer hieronder).
  • Met deze uitspraak keert hij zich tegen het radicale economische liberalisme van zijn tijd. Vrijheid klinkt wel mooi maar in een ongelijke samenleving profiteren de sterken daarvan. Wet klinkt inperkend maar is in zo’n situatie juist essentieel, niet enkel om zwakken te beschermen, maar ook om hen de kans te geven om hun vrijheid te veroveren.
  • Ik las het citaat voor het eerst voorin het boekje van Karin Hereman, Een tip van de sluiter, over het hoofddoekenverbod op het Antwerpse Atheneum. Ik heb lesgegeven op die school en de invoering van dat verbod meegemaakt. Dat was een ‘regel’ die ingevoerd werd om de reële vrijheid van de zwakken (i.c. meisjes die leven in een moslimcultuur, waar sociale druk en controle groot is) te beschermen.

Wie was Henri Lacordaire?

Lacordaire liet zich in de jaren 1830 opmerken door artikels over de vrijheid van mening, de persvrijheid, en de vrijheid van onderwijs ook op universitair vlak. Die hij – hoewel overtuigd katholiek – verdedigde. Die vrijheid was gezond en heilzaam voor allen, op voorwaarde van een volledige scheiding tussen kerk en staat. Zijn teksten waren, net als die van Montalembert en Lamennais, zo uitdagend geformuleerd dat de Franse bisschoppen verontrust werden, en hem probeerden het zwijgen op te leggen. In Frankrijk haalden ze bakzeil, maar op 15 augustus 1832 werden de ideeën van Lacordaire c.s. (zonder dat ze werden vernoemd) veroordeeld in de pauselijke encycliek Mirari Vos, voornamelijk wat de gewetensvrijheid en de persvrijheid betreft. Lacordaire trok zich terug uit de strijd en onderwierp zich aan het pauselijk gezag, maar veranderde niet van mening. Op 9 april 1839 trad hij in Rome toe tot de orde van de predikheren (Domicanen). Ondertussen ging hij verder met zijn theologische studies. In 1841 keerde hij naar Frankrijk terug. Ostentatief kleede hij zich in de (in theorie verboden) monnikspij van de dominicanen. Hij knoopte ook weer aan bij de zeer populaire vastenpreken in de Notre-Dame van Parijs, die hij in de jaren 1830 had gehouden. Hij stichtte kloosters doorheen Frankrijk en in 1850 werd de Franse provincie van de Dominicanen officieel heropgericht. Lacordaire werd provinciaal-overste. Onderwijl bleef hij ook buiten het klooster actief. Hij was van mening dat kloosterwetten de vrijheid van publieke prediking en onderricht niet in de weg stonden.

Lacordaire in de Notre-Dame omstreeks 1845, anonieme tekening (Bibliothèque nationale de France)

Hij begroette enthousiast de revolutie van 1848 en de oprichting van de Tweede Republiek. Samen met Henri Ozanam stichtte hij de krant l’Ère nouvelle, waarin hij opnieuw heel sterk de vrijheid verdedigde, omdat hij de voordelen daarvan zag voor de kerk zelf (die zou door niet meer met de macht gelieerd te zijn, van veel ballast verlost zijn). Toen er gekozen werd voor een parlement, werd Lacordaire door de kiezers van Marseille naar de constituante gestuurd. Als voorstander van de republikeinse staatsvorm ging hij uiterst links zetelen. Hij bleef echter maar kort, want de onlusten van mei 1848 en de repressie die erop volgde waren hem te veel. Enkele jaren later verzette hij zich echter tegen de staatsgreep van Napoleon III (1851), die naar zijn oordeel inging tegen de ideeën van vrijheid en tegen alles waar hij voorstond. Daarna trok hij zich terug uit het openbare leven. 

De Conférences de Notre-Dame 

zijn een reeks fameuze preken gehouden door Lacordaire in de kathedraal Notre-Dame de Paris, in twee periodes: 1835 tot 1843, en opnieuw van 1848 tot 1850. Zij kaderden in de zeer oude traditie van de ‘vastenpreken’. Die zijn door hem (en de bisschop (beide mannen met visie)) terug in het leven geroepen in 1835. Hun doelgroep was het stedelijk, intellectueel publiek dat de Kerk verlaten had na de Franse Revolutie. (vgl. Fr. Schleiermacher in Duitsland met zijn ‘Reden über die Religion an die gebildeten unter ihren Verächtern). Hij richtte zich dus op studenten, schrijvers, journalisten, juristen, kunstenaars, sceptici en de “moderne seculiere Parijzenaars.” De Notre-Dame fungeerde hier als kathedraal (Vastenpreken), maar ook als publiek forum. Het was een poging van de Kerk zich opnieuw tot de (moderne) wereld te richten na de woelige jaren, vol omwentelingen. Zijn preken trokken veel volk en hadden een aanzienlijke invloed op de heropleving van het christelijk geloof en de kerk in het 19de eeuwse Frankrijk.

De 52ste conférence: Over de vrije zondag

Wat velen niet weten, is dat de beroemde quote in een ‘conférence’ over de verplichte zondagsrust gaat, die volgens Lacordaire bij wet moest worden geregeld, omdat anders de machtsongelijkheid tussen patrons en arbeiders al snel ertoe zou leiden dat de vrijheid om op zondag niet te werken een dode letter zou worden voor laatstgenoemden (de faibles van dienst). Hier de tekst met z’n context (Conférence 52, met als titel; Le double travail de l’homme) …

Est-ce bien la France qui méconnaît à ce point les devoirs les plus sacrés de l’homme envers l’homme ? Est-ce elle qui déchire le pacte fondamental de l’humanité, qui livre au riche l’âme et le corps du pauvre pour en user à son plaisir, qui foule aux pieds le jour de la liberté, de l’égalité, de la fraternité, le jour sublime du peuple et de Dieu ? Je vous le demande, est-ce bien la France ? Ne l’excusez pas en disant qu’elle permet à chacun le libre exercice de son culte, et que nul, s’il ne le veut, n’est contraint de travailler le septième jour ; car c’est ajouter à la réalité de la servitude l’hypocrisie de l’affranchissement. Demandez à l’ouvrier s’il est libre d’abandonner le travail à l’aurore du jour qui lui commande le repos […]. Demandez à ces êtres flétris qui peuplent les cités de l’industrie, s’ils sont libres de sauver leur âme en soulageant leur corps. Demandez aux innombrables victimes de la cupidité d’un maître, s’ils sont libres de devenir meilleurs, et si le gouffre d’un travail sans réparation physique ni morale ne les dévore pas vivants […]. Non, Messieurs, la liberté de conscience n’est ici que le voile de l’oppression ; elle couvre d’un manteau d’or les lâches épaules de la plus vile des tyrannies, la tyrannie qui abuse des sueurs de l’homme par cupidité et par impiété […]. Sachent donc ceux qui l’ignorent, sachent les ennemis de Dieu et du genre humain, quelque nom qu’ils prennent, qu’entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le maître et le serviteur, c’est la liberté qui opprime, et la loi qui affranchit. Le droit est l’épée des grands, le devoir est le bouclier des petits. (p. 492-494)

Cinquante-deuxième conférence: du double travail de l’homme, uit: Lacordaire, Henri-Dominique, Œuvres. Tome IV. *Conférences de Notre-Dame de Paris. Tome troisième (1846–1848). Paris: Librairie Poussielgue Frères, 1872, pp. 471-495. Het citaat staat op p. 494.

Dick Wursten

Looft God gij christnen, maakt hem groot

Een kerstlied voor de kinderen in Joachimstal

Van dit prachtige kinderlied voor Kerst (en wie is er met Kerst geen kind?) hieronder alle acht coupletten. In hedendaagse zangbundels (kerk en privaat) vindt u maximaal 6 coupletten. Jammer, stelde ik vast, toen ik de ontbrekende opzocht. Vandaar de volledige tekst met vertaling hieronder. De verdwenen verzen zijn de coupletten 4 en 5. Tekst en melodie is van cantor-schoolmeester Nicolaus Herman (eerste versie, ca. 1554, definitief 1560) uit St-Joachimstal (nu Jáchymov – Tsjechië). Dit Duitse ‘Weihnachtslied’ is tot in Frankrijk bekend en geliefd: noel allemand… (zoek daar maar eens naar samen met ‘Corrette’ …)

tekst

Duits (1560)
Nikolaus Herman

originele tekst (incl. spelling)
Nederlandse vertaling

1. Lobt Gott, ir Christen, alle gleich,
In seinem höchsten thron,
Der heut schleust auff sein Himelreich,
Und schenckt uns seinen Son,
Und schenckt uns seinen Son.
Looft God, gij christnen, maakt hem groot
in zijn verheven troon,
die nu zijn rijk voor ons ontsloot,
en schenkt aan ons zijn zoon,
en schenkt aan ons zijn zoon.
2. Er kömpt aus seines Vaters schos
Und wird ein Kindlein klein,
Er leit dort elend, nackt und blos
In einem Krippelein,
In einem Krippelein.
Hij daalt uit ‘s Vaders schoot terneer
op aard’ om kind te zijn,
een kindje arm en naakt en teer,
al in een kribje klein,
al in een kribje klein.
3. Er eussert sich all seiner gewalt,
Wird nidrig und gering
und nimpt an sich eins knechts gestalt,
Der Schöpffer aller ding,
Der Schöpffer aller ding.
Verzakende zijn macht en recht
verkoos hij zich een stal,
neemt de gestalt’ aan van een knecht,
de schepper van ‘t al’,
de schepper van ‘t al’.
4. Er leit an seiner Mutter brust,
Ir milch, die ist sein speis,
An dem die Engel sehn irn lust,
Denn er ist Davids reis,
Denn er ist Davids reis,
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,
de engelen zien hem en zijn blij,
want David’s loot is hij,

want David’s loot is hij,
5. Das aus sein stamm entspriessen solt
In dieser letzten zeit,
Durch welchen Gott auffrichten wolt
Sein Reich, die Christenheit,
Sein Reich, die Christenheit.
die uit zijn stam ontspruiten zou
in deze laatste tijd,
zodat op aarde bloeien zal
Gods heerlijk koninkrijk
,
Gods heerlijk koninkrijk.
6. Er wechselt mit uns wunderlich,
Fleisch und Blut nimpt er an
und gibt uns inn seins Vatern reich
die klare Gottheit dran,
die klare Gottheit dran.
Hij ruilt met ons zo wonderbaar,
neemt aan ons vlees en bloed.
Nu straalt ons uit zijns Vaders rijk
Gods glorie tegemoet,
Gods glorie tegemoet.
7. Er wird ein Knecht und ich ein Herr,
das mag ein Wechsel sein,
Wie könnd er doch sein freundlicher,
Das herze Jhesulein,
Das herze Jhesulein.
Hij wordt een knecht en ik een heer,
wat win ik veel daarbij!
Waar vind men zoveel gulheid weer,
als Jezus heeft voor mij,
als Jezus heeft voor mij.
8. Heut schleust er wider auff die thür,
zum schönen Paradeis,
der Cherub steht nicht mehr darfür.
Gott sey lob, ehr und preis,
Gott sey lob, ehr und preis.
En nu ontsluit Hij weer de poort
naar ‘t schone paradijs.
De cherub staat er niet meer voor.
God zij lof, eer en prijs!
God zij lof, eer en prijs!

mengeling van
1 2 3 : J.J. Thomson, 1938
7 8: C.B. Burger, 1973
4 5 6 : Dick Wursten, 2025

4de en 5de couplet

In ‘verlichte’ tijden vond men het vierde couplet nogal primitief — of aanstootgevend:
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,

Pudeur. ‘t Zal wel in de 19de eeuw geweest zijn. Toen moest alles wat met geloven te maken hebben geestelijk en verheven zijn. Tsja, het leven is dat ook niet. De kracht van het lied ligt juist in de geslaagde aansluiting (sentiment en strekking) bij het Kerstfeest met z’n heel basale concrete emotionaliteit (‘t kindeke in de kribbe, Maria, de stal, ocharme), terwijl het tegelijk de betekenis hiervan verwoordt zonder te gaan preken. God werd ècht mens, en het is precies dàt wat ons redt. Alleen zo komen mens en God samen. Geen theorie, geen theologie, maar gezongen exegese. Er zijn maar weinig (kerst)liederen die daarin slagen (Komt verwondert u hier mensen…misschien?). Onder de afbeelding van de eerste druk, nog wat toelichting. Vervolgens iets over de dichter (Nicolaus Herman) en de plaats van ontstaan (de dorpsschool van het mijnstadje Joachimstal).

titelpagina van de eerste versie van dit lied (ongedateerd, 1550-1554), het eerste van 3 kerstliederen ‘voor de kinderen in Joachimstal’

Toelichting op de tekst

Hoe eenvoudig dit lied ook is, toch is het een en al Heilige Schrift wat u hoort (met een Luther’s accent, m.n. in 6 en 7: ‘De vrolijke ruil’). De ‘incarnatie’, daar gaat het om, maar dan niet abstract-theoretisch, speculatief, maar concreet: God wordt mens, en niet een beetje, halfslachtig, neen: ècht, waarachtig mens. En daar mag je God wel voor danken, want alleen zo komen die twee bij elkaar : Looft God, gij christenen…
– In couplet 1 wordt de toon gezet: Door de komst van Jezus (de zoon) gaat de poort van het hemelrijk open. NB: ‘schleusst auf’ het hemelrijk, in het laatste couplet opnieuw ‘schleusst auf’ maar dan de poort van het paradijs.
– In de coupletten 2-4 wordt dit plastisch beschreven en geduid (zonder schoolmeesterachtig te worden, knap!) door de armoe en naaktheid te koppelen aan Filippenzen 2:5-11 (Christus, die zijn goddelijke macht aflegt en mens wordt, inclusief de kwetsbaarheid, de pijn.)

– In couplet 3 wordt deze tekst bijna letterlijk geciteerd (d.w.z. voor schriftgetrouwe lezers geëvoceerd, opgeroepen), in werkwoord en beeld: Entäussern, Gestalt, Knechtes, niedrig. Christus legt zijn god-zijn af, ziet af van zijn privileges: ontlediging (‘kenosis’ in het Grieks) en wordt een mensenkind, hij neemt de knechtsgestalte aan, wordt mens. Uniek christelijk gedachtengoed, zich zó “god” denken.
– In couplet 4 komt Maria in beeld, en de profetie uit Jesaja: de afgehouwen tronk van Jesse (Isaï, David’s vader) moet weer gaan bloeien. Een kerstklassieker (uweetwel met de ‘Reis‘ en de ‘Roos‘ die ontsprongen is uit Jesse’s stam). NB: dat kerstlied waaraan u nu denkt, bestond toen nog niet, maar de symbolische uitleg al wel (virga Jesse floruit – Maria bloeit open in een zoon).
– in couplet 5 wordt dit ontvouwd (expliciet), waarna
– in couplet 6 de ‘wonderlijke of vrolijke ruil’ van Luther het overneemt. Hij wordt mens, opdat ik vergoddelijkt wordt, zo zegt Luther het niet helemaal, maar wel zoiets. Herman gaat hierin wel ver: wij krijgen de ‘”klare Gottheit” in de plaats. Het lied zit goed in elkaar. Want dit is inhoudelijk (Filippenzen 2) en aanschouwelijk voorbereid (couplet 2-4).
– In couplet 7 kan de conclusie getrokken worden: Innig en liefdevol zijn zo mens en God (via Jezus, vriend) met elkaar verbonden. Onderschat de emotieve kracht van het volkse Kerstfeest niet.
– In couplet 8 kan de jubel dan losbarsten : Paradise regained: Het lied is ook rond. De poort van de hemel is open, en dus ook die van het Paradijs. De engel die na Eva/Adam’s val de mensenkinderen verhindert daarbinnen te geraken… is weg.

Vierstemmige zetting van J.H. Schein (youtube)

Hier een mooie uitvoering van dit lied, met de toonzetting van J.H. Schein inclusief het vierde couplet (dat uit de gezangboeken is verdwenen). Ze zingen 1, 2, 4, 8. Anderhalve minuut meer en het hele lied had erop gestaan.

Achtergrond: Niclas Herman in (Sankt-)Joachimstal.

Over de dichter-componist, Nicolaus (of Niclas) Herman (1500-1561) weten we weinig privaats, behalve dat hij in de buurt van Nürnberg geboren moet zijn, en dat hij op 18 jarige leeftijd in St-Joachimstal is, en wel als leraar aan de Latijnse school. Op zich niet zo bijzonder, ware het niet dat hij dat z’n hele leven zou blijven èn Joachimstal toen nog maar 2 jaar bestond. in 1516 was een rijke zilverader ontdekt (of beter: een bijna verlaten mijn opnieuw in gebruik genomen, met plots succes). De ontginning was aangevat door graaf Stephan Schlick (oude Boheemse adel) . Het daarrond ontstane mijnwerkersdorp (c.q. industriestadje, met koninklijke vrijheidsrechten) werd toegewijd aan St. Joachim. Het was het Klondike van de 16de eeuw.

Nu Jáchymov, op de grens van tsjechië en Duitsland. Landstreek: Bohemen.

De adellijke familie von Schlick (voluit: zu Bassano und Weißkirchen) was de eigenaar van de grond en 10 jaar later een van de rijkste families in Bohemen, tot Ferdinand (koning van Bohemen, later keizer…) zich ermee begon te moeien. Stephan Schlick was in dezen het meest actief. Zijn wapenschild staat ook vaak op de zilveren munten die uit het erts geslagen werd: de munt uit Joachimsthal, de Joachimsthaler. Hieronder een afbeelding van de tweede reeks Joachimthalers. Het is een Guldengroschen “Joachimsthaler” uit 1525.

centraal: S I – Sant Joachim. Daaronder diverse wapens. / keerzijde de leeuw van Bassano
in de rand (de afkortingen voluit – begin te lezen bovenaan rechts):
links: Arma Dominorum Slickorum Stefani Et Fratrum Comitum De Bassano
rechts: Ludovicus Primus Dei Gratia Rex Bohemiae.
bron: https://nl.numista.com/86643

Hij vertrouwde de ontginning van de mijn toe aan een ‘mijn-hoofdman’ (Berg-Hauptmann, Bergwerk=Mijnbouw), Heinrich von Könneritz, tevens muntmeester. Naast regelgevend werk, en opzicht, bevorderde hij ook het metallurgisch onderzoek (o.a. door samenwerking met de lokale arts, Georg Bauer, beter bekend als Agricola, de ‘vader van de moderne mineralogie’). Zijn vrouw Barbara von Breitenbach was dan weer zeer actief bij de constructie van het sociale weefsel van deze nieuwe ‘samenleving’. Könneritz leidde de exploitatie in goede banen en binnen 20 jaar groeide Joachimstal uit tot de tweede stad van Bohemen en telde meer dan 20.000 inwoners. Alle genoemden waren bekend met Luther en zijn gedachten en het genoemde echtpaar was zelfs goed met hem bevriend (hun zonen studeerden in Wittenberg), en hield — gezien een bemoedigende brief van Luther uit 1524 aan Nicolaus Herman — in moeilijke tijden ook de cantor-schoolmeester Nicolaus Herman de hand boven het hoofd. Luthers vader was zelf trouwens… mijnbouwer.

Silver medal commemorating Stephan von Schlick, the founder of Joachimsthal, no year (after 1526), unsigned by Wolf Milicz. Dedicated by Stephan’s widow in commemoration of her husband’s death in the Battle of Mohács of 1526. Probably the second specimen on the market. Extremely fine. Estimate: 15,000 euros. From Künker auction 418 (29 January 2025), No. 413.
Zilveren penning uit Joachimstal ter herinnering aan Stephan von Schlick (na 1526). Vervaardigd in opdracht van Stephans weduwe ter gedachtenis aan de dood van haar echtgenoot in de Slag bij Mohács in 1526. https://new.coinsweekly.com/coins-medals-more/joachimsthal-and-the-reformation/

Zilveren penning uit Joachimstal (1531) toegeschreven aan Hieronymus Magdeburger, die ook talrijke ‘evangelische munten’ graveerde, de numismatische evenknie van Niclas Herman. In het voorwoord van Johann Mathesius tot Herman’s tweede liedbundel, wordt ook deze evangelisatiemethode geroemd.
Links het (bijna)offer van Isaac door zijn vader, rechts het voltrokken offer van Christus door zijn Vader. Een van die — eigenlijk nogal schokkende — standaard christelijke typologieën. Op deze pagina – tevens de bron – vindt u meer uitleg en voorbeelden (English)

De daalder

De Schlicks hadden ook een eigen muntrecht, en de door hen geslagen zilveren munten werden de ‘gouden standaard’ in het hele (Habsburgse) Rijk: de Joachimsthaler, al snel afgekort tot ‘Thaler‘ (een volle thaler: ca. 25g zilver). Je mag dit ook letterlijk nemen: Deze in zilver geslagen munt vervangt als courant betaalmiddel de ‘gulden’.1 In onze contreien heeft zo’n Thaler de waarde van 30 stuivers, dat is 1,5 gulden, de daalder (nu enkel nog spreekwoordelijk: Op de markt is uw gulden een daalder waard…netzoveel trouwens als de eerste slag). Later komt er ook nog een upgrade tot 50 stuivers: de rijksdaalder 2,5 gulden. Op dat ‘Rijk’ hadden de Hollanders het niet zo, want dat was het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie (Karel V, Filips II etc.) en als ze overzee hun goederen verhandelden, sloegen zij hun eigen daalders, zonder ‘kop’, maar met een leeuw erop: de leeuwendaalder… Engelsen konden daalder of thaler niet goed uitspreken en maakten er dan maar dollar van. Gelooft u het niet: Lieven Scheire zegt het ook: (Joachimstaler > Thaler > Daalder > Dollar. facebook). Het kan trouwens nog korter: in het Tsjechisch is een thaler een tolar, tot 2007 de munteenheid van Slovenië.

Back to business: Belangrijk in dit alles is, dat in deze ‘nieuwe samenleving’ in Bohemen (dus toch al niet zo ‘rooms-gezind’) zowel de politieke, economische als ambachtelijke leidinggevenden van meet aan op z’n minst sympathiseren met de Lutherse Reformatie. De eerste kerk wordt nog wel (net als het dorp) toegewijd aan St Joachim, maar in 1522 wordt er al een “Evangelische Kerkorde” ingevoerd, de eerste in Bohemen. Van de bisschop is er geen spoor meer te bekennen. De machthebbers (m.n. graaf Stephan Schlick en de Berghauptmann Könnewitz) slaan de handen ineen en nemen zelf — met intellectuele, morele, en personele ondersteuning vanuit Wittenberg — de organisatie ter hand. Ze waken over de inrichting van de eredienst, nemen de verantwoordelijkheid over voor de andere maatschappelijke functies die de roomse kerk (of orden) vervulden: school, armenzorg, ziekenverpleging.

De school

Jongens konden dus naar de Latijnse school gaan, naar meester Herman. Toelatingsvoorwaarde: kunnen lezen, schrijven. Dat kon je zelf leren (thuis) of op de Duitse school. Beide stedelijke en kerkelijke instellingen ineen. Instroom in de Latijnse school was zo ongeveer vanaf 7 jaar. Logisch: de hersenen ontwikkelden zich toen netzo als nu. Op die school werden de jongens opgeleid voor hogere studies of een baan in de publieke sector (de slimmen waren tegen hun 12de al klaar, maar het kon ook 16-17 worden. Dan konden ze naar de universiteit). Cantor Nicolaus Herman is z’n leven lang schoolmeester geweest van de ‘onderbouw’ op de Latijnse school (net als Bach!). Hij heeft die school waarschijnlijk zelf mee uit de grond gestampt, en mogen werken met twee briljante en ondernemende rectors (die de bovenbouw voor hun rekening namen) : Eerst Stephan Roth, een goede vriend van Luther, afkomstig uit Zwickau, waar hij ook weer heen terugkeert. Hij wordt daar stadssecretaris, en de stuwende kracht om de Hervorming daar ‘deftig’ in te voeren. Een strijd tussen radicale protestanten en behoudsgezinde katholieken kan worden vermeden. De tweede is Johann Mathesius, student van en bevriend met Luther. Hij heeft bij hem ingewoond en gestudeerd, bekend ook als uitgever van diens preken en vooral de ‘Tischreden’. Eerst is hij rector, later wordt hij Pfarr-herr (Pfarrer) van Joachimstal. Hij schrijft ook het voorwoord bij de tweede verzamelbundel van Herman. Het stadje kent een pijlsnelle economische en demografische groei.

Zilvermijn in Joachimstal, 1548 (Duitse fototheek, wiki). De titel verwijst naar de vrijheidsrechten die deze nieuwe stad ook had verworven.

liederen voor de kinderen van Joachimstal

Niclas Herman is een fan van Luther, en helemaal als hij diens publicatie “AAN DE RAADSLEDEN VAN ALLE STEDEN VAN DUITSLAND DAT ZIJ CHRISTELIJKE SCHOLEN MOETEN OPRICHTEN EN IN STAND HOUDEN” uit 1524 leest. 2 Iedereen moet onderwijs worden aangeboden, zegt Luther, jongens èn meisjes, en de ouders moeten worden aangespoord (bijna verplicht) om van dat aanbod gebruik te maken: onderwijs als mensenrecht. Goede ouders (en dus: de overheid) volstaan toch ook niet met enkel lichamelijk voedsel aan hun kinderen te geven. Die voorzien ook geestelijke (op)voeding. Daarbij moet de overheid haar verantwoordelijkheid nemen en scholen oprichten. En zij moet er ook op toe zien dat alle kinderen daar naar toegaan (naartoe kùnnen gaan), jongens èn meisjes. In 1518 is er dus al een Lateinschule (jongens) in Joachimstal, en even later ook een meisjesschool, met een vrouwelijke directrice: Magaretha Heldin. Niclas Herman prijst haar in het voorwoord van zijn verzamelbundel. Daar onthult hij ook dat hij met name voor haar en haar leerlingen zijn liederen heeft geschreven. Hun bijbelkennis en zang had grote indruk op hem gemaakt (De tekst van die passage uit dat voorwoord kunt u hier lezen. Kortom: Leren lezen, leren rekenen (mathematica) èn muziek. Iedereen moet dat kunnen/kennen. Een leraar moet dus ook kunnen zingen (muziek maken), vindt Luther. En de jongens onder hen moeten met de polyfonie vertrouwd gemaakt worden, want zij vormen de ‘Cantorey’ (dat is dus in Bach’s tijd nog steeds zo: de Thomasschool). Zij moeten Latijnse motetten en (later) Duitse composities kunnen zingen, tijdens de vieringen op school, maar ook in de kerk (doordeweeks en zeker op zondag). Herman blijkt trouwens een vooruitstrevende leraar te zijn. Hij is ervan overtuigd dat de mensen willen leren. Hij hekelt lijfstraffen, pleit voor een motiveringspedagogiek, en stelt – zeker wat het godsdienstonderwijs betreft – een zingend curriculum voor (meer daarover hier). Hij biedt het zelfs aan. Alle bijbelverhalen op tekst en muziek gezet: Die SontagsEvangelia über das gantze Jahr in Gesänge gefasst für die Kinder und christlichen Hausväter

Hier een editie uit 1561 van dit lied. (uit de bundel met liederen bij de evangelieverhalen) Nog steeds staat eronder, wat ook in de eerste druk (als ‘flyer’ met 3 kerstliederen, z.b.) op de titelpagina stond: für die Kinder im Jo(a)chimstal

Bekendste liederen

En zeker rond de grote feesten, moet er wat te zingen zijn:

  • met Kerst dus: Drey Geistliche Weinacht Lieder, vom Newgebornen kindlein Jhesu, für die kinder im Joachimstal is waarschijnlijk zijn eerste publicatie (de zetter heeft wel een potje gemaakt van de teksten). Ons lied is hier het eerste (Liedboek, gezang 147).
  • En met Pasen: “Erschienen ist der herrlich Tag” (gezang 200) – prachtige melodie en ook een zeer leerrijke tekst (helaas ook niet meer aanwezig in de huidige gezangboeken). Voor meer info klik op de melodie:
  • En ‘s ochtends en s’avonds: Die helle Sonn leucht’ jetzt herfür” (gezang 373), “Hinunter ist der Sonnen Schein” (384)en “Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ” (gezang 316).
  • En als je op sterven ligt (want de kinderen werden niet oud, nemen de liederen mee naar huis): “Wenn mein Stündlein vorhanden ist” (gezang 270). Het laatste couplet is ook vaak apart geciteerd en op muziek gezet (“Weil du vom Tod erstanden bist…” – Schütz musicalische exequien). Het koraal is nog getoonzet door Schumann, in z’n laatste levensjaar, toen hij opgenomen was in de kliniek. De laatste maand was hij bezig met de bijbel en het liedboek. Meer info: klik hier

Herman’s teksten en melodieën zijn eenvoudig, maar niet simplistisch. Een goed voorbeeld is het onderwerp van deze pagina, maar dat geldt ook voor de andere genoemde liederen. Over de berijming van de bijbelverhalen kun je twisten, maar dat was dan ook puur onderwijsmateriaal, 4 of 7 regels, met een lijst met melodieën die geschikt zijn. Deze bijbelse-verhalende-liederen heeft hij tegen het eind van zijn leven gemaakt en gebundeld, toen hij ziek thuis zat (geplaagd door hevige en zeer pijnlijke jicht). Het voorwoord tekent hij met Niclas Herman, der alte cantor…. Ze zijn na zijn dood uitgegeven en talloze malen herdrukt. Even terzijde: dus niet bestemd voor de kerkdienst (liturgie), maar voor alle vormen van ‘godsdienstoefening’ daarbuiten.

portret

Hier een portret, gemaakt in zijn laatste levensjaar (1560: corpus vexabat podagra… staat er in het gedicht: zijn lichaam gekweld door de jicht. Je kunt het ‘m aanzien). Hij houdt een lied van zijn hand in de hand:

De muziekrol bevat de eerste regel van zijn berijming van de brief aan de Corinthiërs, waarin hij (met Paulus) de neiging tot afscheuring, sectarisme bestrijdt. Het eerste couplet:

Sant Paulus die Corinthier
hat unterweist in rechter lehr,
sobaldt er aber von in kam,
da fingen sich vil seckten an.

Boven zijn hoofd staat: Vox amici vox Dei: de stem van een vriend is de stem van God…

Dick Wursten (Kerst 2025)

P.S. Ad den Besten over Herman

Vertaler en liedboekdichter Ad den Besten schrijft aan het eind van zijn biografische notitie in het Compendium bij het Liedboek, over Nicolaus Herman:

Na Luther is Nikolaus Herman veruit de meest gezongen dichter van geestelijke liederen uit de 16de eeuw geweest. De heldere eenvoud van zijn teksten, hun kinderlijke, maar nergens kinderachtige toon, hun menselijke warmte, hebben gemaakt, dat zij een veel algemener betekenis kregen dan Nikolaus Herman zelf ooit heeft verwacht. Hij was met andere woorden een veel beter dichter en componist dan hij zelf heeft geweten.

der ‘tolle’ Mensch – zot? dwaas? uitzinnig?

Wat betekent ‘toll’ in de tolle Mensch (Fröhliche Wissentchaft, nr. 125) en hoe vertaal je dat dan in het Nederlands?

overweging n.a.v. van het vertaalproject ‘De vrolijke wetenschap’ (verblijdend inzicht). Daar ook de tekst (Duits-Nederlands).

De vertaling ‘dolle mens’ (Pé Hawinkels, 1976/Hans Driessen, 1999) voldoet niet. De substitutie ervan door ‘de krankzinnige man’ (Hans Driessen, 2018) is gewoon fout: krankzinnig in het Duits is irre, verrückt. Wie een historisch woordenboek Duits (bijv. Grimm) opslaat, ziet al snel dat het bij ‘toll‘, ‘Tollheit‘ vooral gaat over emotionele buitensporigheid, uitzinnigheid. In het Nederlands kennen we dat enkel nog in de combi: hondsdolheid , en in de kunstgeschiedenis bij Brueghel’s Dulle Griet. Verder: oppassen met het hedendaags Duits, want Nietzsche is een 19de eeuwer (en dan in z’n taalgevoel ook nog al klassiek). ‘Das ist toll‘ is tegenwoordig een positieve uitspraak! (Wauw!), maar in de late 19de eeuw nog niet echt (zie onder). Een Vlaming zou het kunnen wagen met ‘een zot, die met een zaklamp zoekt naar God’. Je kunt ook denken aan de ‘idioot’, zoals die vereeuwigd is door Dostojewski. En natuurlijk Diogenes. Nietzsche-kenner prof. em. Paul van Tongeren zou het liefst vertalen met ‘Dwaas’, maar dan mis je naar mijn aanvoelen de ‘uitzinnige’ kant, het woedende. Enfin: Serieus nu, of beter: vrolijk.

Zarathoestra en Diogenes als voorvaders

– In een voorstadium van deze parabel (want dat is het literaire genre) heeft Nietzsche het niet over ‘der tolle Mensch’, maar over ‘Z’. = Zarathoestra.
– Wie op klaarlichte dag met een lamp op zoek gaat naar God, heeft de kunst afgekeken van Diogenes (uweetwel, die wijsgeer in de ton, de ‘kynicus’), van wie vertelt wordt dat hij dat ook deed, d.w.z. op zoek gaan, maar niet naar God, maar naar ‘een mens’. Veelzeggende context.
Beide elementen moeten m.i. meegewogen worden bij de vertaling van ‘der tolle Mensch’. Dat impliceert dat er zeker een positief betekenis aspect hoorbaar moet blijven: Zarathoestra en Diogenes zijn voor de auteur twee voorbeeldige figuren, leermeesters.

Woordenboekbetekenis ‘toll’

Als je Grimm (1854) raadpeegt, dan zie je dat het een redelijk courant woord was, en wel in de – inmiddels verouderde – betekenis, waarbij het emotionele uitbarstende kenmerkend is. Het wordt gebruikt voor onstuimig, mateloos, overdadig gedrag, niet noodzakelijk dom, maar onbeheerst.

Voorbeelden van de connotatie (19e eeuw):

  • in Tollheit verfallen = uitzinnig gedrag vertonen. Dit kan negatief zijn (waanzin), maar ook romantisch-subliem (uitbarsting van gevoel, Sturm-und-Drang).

Conclusie: een uitzinnige, een zot

De ‘tolle Mensch’. Hoe vertalen?
1. De klassieke klankvertaling ‘de dolle mens‘ (Hawinkels, Driessen) is enkel verdedigbaar omdat klank voor Nietzsche betekenisvol is, en ‘dolheid’ en ‘gekte’, ‘razernij’ in het Nederlands nog herkend zou kunnen worden: Hondsdolheid. Maar dit bevredigt niet.
2. Een ‘gek’? In het Engels is het vaak een ‘mad man‘, maar ‘mad’ in het Engels is toch net iets anders dan ‘gek’ in het Nederlands. There is method in his madness. Ik ken geen vertaling in het Nederlands die hiervoor kiest.
3. De meest recente vertaling (Driessen 2018) vervangt ‘de dolle mens’ door ‘een krankzinnig man‘. Dat is zoals al gezegd m.i. geen gelukkige oplossing. Het kan verdedigd worden als je dit woord ook hoort in Nietzsche’s tijd (historische context) : de late 19de eeuw. Psychiatrie bestaat nog niet. Laat staan een diagnostisch handboek DSM xx. En ‘raar, vreemd gedrag’ werd toen zonder meer als ‘krank’ van ‘zinnen’ (zenuwziek) gedefinieerd.
4. Mijns inziens (of beter: mijns aanvoelens) is de vertaling ‘een uitzinnige‘ of ‘een zot‘ verdedigbaar. De emotionele component (woede) moet mee kunnen klinken. Ook het in de parabel beschreven gedrag roept daarom (hij roept , hij spring in hun midden, hij kijkt hen met een doorborende ogen aan, hij gedraagt zich aberrant).

Wie is hier eigenlijk aan het woord ?

Ook de vraag in welk opzicht of vanuit welk perspectief wordt deze mens ‘een zot’ genoemd: vanuit zijn eigen perspectief? Vanuit dat van de “atheïsten” (ja, wat zijn dat nu weer?) die zich op de markt hebben verzameld? Of vanuit de verteller? Of de auteur? (En is dat dezelfde?).


Erhalte mich..

Aria from the ‘Funeral Music’ for Leopold (Prince of Anhalt-Köthen)
BWV 244a (second part, first aria)
– The prince had died at the age of 33;
– The mourners’ pray: Spare us the fate of an untimely death.
– The music you will recognize : ‘Erbarme dich’…

Erhalte mich,
Mein Gott, in der Hälfte meiner Tage!

Schone doch,
Meiner Seele fällt das Joch
Jämmerlich.
Erhalte mich,
Gott, In der Hälfte meiner Tage.
Preserve me,
my God, in the midst of my days!
Spare me yet,
when upon my soul the yoke falls
piteously.
Preserve me,
my God, in the midst of my days!  

Hoor de klokken luiden (Moralia – Hándl, Gallus) 1590

https://youtu.be/s48bmOvgHlk

De tekst met Engelse vertaling kunt u hier nalezen

Jacob Hándl (verkleinwoord van “Hahn” – Latijn: Gallus) 1551-1591. Componist aan het Habsburgse hof (Graz, Praag), geboortig van Carniola (Kranjska – Slovenië). Stond in zijn dagen hoog in aanzien. Publiceerde aan het eind van zijn korte leven een aantal bundels met wereldlijke muziek, licht van toon: Morele harmonieën. 4 In deze vierstemmige miniatuurtjes zet hij oude Latijnse gedichtjes, spreuken met levenswijsheden (vandaar ‘Moralia’) op muziek. Teksten van Horatius, Ovidius, maar ook uit gangbare verzamelingen (Anthologia Latina, Carmina proverbalia), en van onbekende origine, wellicht van hemzelf. Ze verschenen in drie delen (drie ‘boeken’) in 1598-1890 (Praag). Zijn broer Johann gaf posthuum nog een collectie uit: Moralia (1596). 8, 6 en 5 stemmig. Samen: 100 stuks. Hier de titelpagina van die uitgave:

Het vocaal ensemble ‘Singer Pur’ zong ze allemaal in en gaf een selectie uit op CD. Hier hebt u er eentje uit de eerste bundels (4-stemmig): over een kerkklok Tintinabulo clango

https://youtu.be/s48bmOvgHlk

De kathedraalscholen (12de eeuw)

Fragment uit een TV-film over de kathedralenbouwers (1980), waarin Georges Duby over het ontstaan van de wetenschap vertelt, met speciale aandacht voor Pierre Abélard en de ‘redeneerkunde’. Hij heeft een papier op zak met een citaat van/over Abélard’s lesmethode en haalt die tijdens de uitzending tevoorschijn om voor te lezen… Top-tv was dat op Antenne 2, in 1980, en nog steeds de moeite van het bekijken en beluisteren (en overdenken) waard. Nederlands ondertiteld (cc); transcript-vertaling onder het filmfragment.

https://youtu.be/LVthk5YsCFE

TRANSCRIPT, ongeveer vertaald

“De bouw van de kathedralen (in razend tempo eind 12de, begin 13de eeuw) is mogelijk geworden door de groei van de stedelijke economie. Zeker. Maar is tegelijk ook te danken aan een andere groei die onlosmakelijk verbonden is met de eerste: de groei van de kennis (savoir).
Elke kathedraal wordt immers geflankeerd door een school, en de meest dynamische scholen bevinden zich rond de kathedralen in Noord-Frankrijk. Zeker, in kloosters werd ook les gegeven, maar de kloosterschool was gesloten, de kathedraalschool was open. Dat heeft te maken met haar functie. De kathedraal is – per definitie – de kerk van de bisschop. De primaire functie van de bisschop is (ja echt waar! DW) de verkondiging van het Woord van God en niet alleen in zijn eigen kerk, nee, in zijn hele bisdom. Hij heeft helpers nodig, om samen met hem te prediken. En dus werkplaatsen (ateliers) om predikers op te leiden, te scholen. Dat impliceerde goede boeken (manuscripten), goede leraars die deze boeken konden verklaren. En: in een samenleving waarin reizen steeds gemakkelijker werd, zien we intellectuele avonturiers door Europa trekken op zoek naar de beste scholen. Die bevonden zich precies daar waar de meesterwerken van de gotische kunst verrezen: in Laon, Chartres, en Parijs. Ik denk niet dat het toeval (coïncidentie) is dat de locaties van deze intellectuele onderzoekscentra samenvallen (coïncideren) met de haarden van de artistieke creatie (artistiek = alles wat de mens ‘toevoegt’ aan de natuur: kunde, ambacht, ambachtelijke kunst).
De studiecyclus was dezelfde als in de “eerste Renaissance” (onder Karel de Grote), de zeven vrije kunsten – de artes liberales. Deze zijn te zien op een van de roosvensters van de kathedraal van Laon, waar ze de centrale bloem omringen waar de Wijsheid troont. Die vormen haar hof, verrijkend en verlichtend. De zeven artes bestonden uit drie inleidende disciplines: grammatica (taal), retorica (de kunst van het spreken) en dialectiek (de kunst van het redeneren), gevolgd door vier dieper gravende disciplines: de leer van getallen, de geometrie, de astronomie en de wetenschap van de ‘tonen van de muziek’ (en hun onderlinge verhouding).

Laon cathedral - noord venster
roosvenster met de 7 artes, kathedraal van Laon (voltooid ca 1200)

Deze disciplines onthulden de mysterieuze wetten die het universum beheersen. Dit pad, deze weg, deze boulevard van kennis, leidde uiteindelijk tot de theologie – de hoogste wetenschap omdat zij de mens hielp om de geheimen van God te doorgronden die hij meedeelt in wat hij zegt (zijn Woord) en in de zichtbare tekenen, uitgestrooid in de de natuur.5

In de tweede helft van de 12e eeuw kenden de scholen van Parijs een buitengewoon succes. Ze werden de kweekvijver van bekwame bisschoppen; alle pausen van die tijd kwamen er studeren. Dit succes was grotendeels te danken aan het onderwijs van Abélard6). Men begon bij de taal, de woorden, maar de dialectiek stond daarbij centraal: door redenering de betekenis van de woorden begrijpen. Niet door er in mystieke overpeinzingen over te mediteren, zoals in het klooster, maar door ze te analyseren. Het intellectuele gereedschap werd steeds verfijnder. Geestelijken reisden met de ridders mee die Spanje en Sicilië op de moslims heroverden, en ze stortten zich op de schitterende bibliotheken van Toledo en Palermo. Ze begonnen – samen met/tegelijk met de Joden – koortsachtig Arabische werken te vertalen naar het Latijn – werken die de Arabieren op hun beurt uit het Grieks hadden vertaald. Wat zij zo onthulden was de antieke wetenschap: Euclides, Ptolemaeus, en nog waardevoller voor hen: de logica van Aristoteles.
De methode werd verfijnd, op punt gesteld en verrijkt door Abélard. De eerste stap? Twijfelen! Abélard zei: “we komen tot onderzoek door twijfel, en door onderzoek ontdekken we de waarheid.” Hoogmoed, arrogantie… Sommigen veroordeelden deze houding fel, met name Bernardus van Clairvaux, die Abélard uiteindelijk ten val heeft gebracht. Maar wat een vruchtbaarheid school er in deze benadering ! Wat een enthousiasme ontstond er in de scholen. Het ging niet langer om lessen enkel te aanhoren, maar om discussie. Dialoog, dialectiek, debat! “Mijn studenten,” zei Abélard, “verlangen menselijke redenen te horen, verklaringen die ze begrijpen; geen stellingen en affirmaties.” Ze vonden dat spreken zinloos was, als men niet ook tegelijk het begrip van wat men wilde zeggen mee aanbracht, en ook dat men niets kan geloven als men het niet eerst heeft begrepen.7

Uit deze manier van denken is al onze wetenschap voortgekomen…

Ils disaient qu’il est inutile de parler si l’on donne pas l’intelligence de ses propos et que nul ne peut croire s’il n’a pas d’abord compris. Et toute notre science sors de là…

Georges Duby, Le temps des cathédrales – 9 delige TV-film uit 1980, deel 3, Dieu est lumière.

Georges Duby – Ecce homo

  1. De mens in het Paradijs (Eva, Van Eyck)
  2. De uitdrijving van de mens uit het paradijs (Eva en Adam, Masaccio)
  3. De mens die weet waar hij staat (Jeremia, Donatello)

Hieronder de laatste drie afbeeldingen uit de weergaloze trilogie over de middeleeuwse kunst van Georges Duby8. Hij wil met deze drie ‘koppen’ tonen hoe de mens aan het eind van (wat we) de Middeleeuwen (noemen) zich bewust wordt, niet enkel van zijn falen, maar ook van zijn kracht: ‘virtù‘. De toelichting van Duby onder de afbeelding in het Frans (voluit) en het Nederlands (parafrase, want onvertaalbaar).

🇫🇷 La condition humaine

À la fin du XVe siècle, les hommes riches qui guidaient le travail des artistes aimaient à identifier les objets dans l’œuvre peinte; et le nominalisme ockhamien enseignait d’autre part qu’il est vain de vouloir connaître l’univers autrement que par les sens et par l’observation particulière de chaque créature. Au terme d’un long effort pour traduire les apparences sensibles, l’œuvre des Limbourg parvenait à la vision totale. En jouant à travers l’épaisseur de l’atmosphère, la lumière trompait en profondeur la toile de fond du théâtre; elle ramenait à l’unité les regards discontinus portés sur les divers éléments du décor. Or, voici qu’il devenait possible de réaliser plus parfaitement encore cette synthèse visuelle en employant l’huile comme véhicule de la couleur, et la plate peinture l’emportait désormais sur l’art des enlumineurs. Sur le corps d’Ève, que Van Eyck traite comme un paysage complexe, le glissement onctueux de la lumière vers l’ombre approfondit l’analyse du grain extérieur de chaque objet. 9 Il explore attentivement la matière, mais il relie aussi chacune des expériences sensorielles; il fond leur dispersion dans un ensemble cohérent, étendu dans les trois dimensions du monde sensible – de même que l’illumination de l’Esprit réunit dans l’ineffable la communauté de toutes les âmes, de même que la lumière divine établit la réalité de l’univers dans une création continue. Alors que, pour Masaccio, la peinture est bien déjà «chose mentale». Ses fresques sont filles de l’architecture, d’un art de calcul et d’abstraction qui mesure l’espace et le crée, qui conquiert l’univers par l’intelligence et qui ne se soucie nullement de ressemblance. L’édifice réalise un concept, par le recours aux sciences mathématiques et par le jeu de la raison. Dans Florence, la nouvelle architecture, celle de Brunelleschi, repousse l’ornement gothique, toutes les parures superflues; elle tend à retrouver la pureté et l’équilibre de San Miniato. Dans la composition de Masaccio, l’élément majeur devient donc le vide, l’espace pur, abstrait. Il y place l’homme, présent par son corps. « Ce corps, » lira-t-on bientôt dans le Traité de la peinture de Leon Battista Alberti, « tombera en poussière, mais non longtemps qu’il respire, le mépriser, c’est mépriser la vie. » Cette présence corporelle est bâtie comme un monument. Tous ces corps d’hommes – comme tous les visages que sculpte Donatello – sont établis dans la gravité, celle d’un christianisme tendu, qui refuse toute complaisance, se veut lucide, fondé en volonté et qui assume, en pleine sérénité, le tragique de la condition humaine.10

🇳🇱 Geboorte van een nieuw humanisme

Tegen het einde van de 14de eeuw dringt het besef door dat je het universum nooit zult kunnen begrijpen los van de zintuigen. Elk schepsel moet waargenomen worden. Wil je dus ooit ‘de mens’ begrijpen, dan moet hen zien, waarnemen, d.w.z. goed kijken naar echte mensen, niet speculeren over het begrip ‘mens’. Het nominalisme heeft gewonnen. Bij de gebrs. Van Limburg wordt er gespeeld met het licht, waardoor er anders gekeken gaat worden. En ook al is de diepte nog bedriegelijk (zoals bij een theaterdecor) toch ontstaat er al een totaalblik. Door het gebruik van olieverf wordt het mogelijk om de visuele eenheid krachtig in de verf te zetten. De paneelschilderkunst verdringt de illluminatie (= het werk van de boekverluchters, DW). In het lichaam van Eva, dat Van Eyck schilderde alsof het een fijnmazig landschap is, maakt de vloeiende overgang van licht naar schaduw de textuur van elk onderdeel duidelijk.11 Van Eyck onderzoekt niet alleen aandachtig de materie, maar ook hoe afzonderlijke zintuiglijke indrukken – die in eerste instantie verspreid of gefragmenteerd zijn – worden samengebracht in een samenhangend geheel dat zich uitbreidt in de drie dimensies van de waarneembare wereld. – net zoals de Verlichting (Illuminatio) door/met de heilige Geest de zielen van alle mensen in een onuitsprekelijke vreugde verenigt; net zoals het goddelijke Licht (van de schepping) de werkelijkheid van het universum tot stand brengt in een creatio continua.
Bij Masaccio is het schilderen zelf een mentaal proces geworden, een ‘concept’. Zijn fresco’s komen voort uit de architectuur, een abstract-rekenkundig ambacht dat ruimte meet en creëert, dat het universum onderwerpt aan het intellect zonder acht te slaan op gelijkenis. Het bouwwerk belichaamt een idee en komt tot stand door toepassing van wiskunde en meetkunde, aangestuurd door het spel van de rede. In Florence maakt Brunelleschi komaf met de gotische ornamentiek en overbodige versieringen; Zijn bouwkunst wil de zuiverheid en het evenwicht van San Miniato terugvinden. In de compositie van Masaccio wordt het voornaamste element de leegte, als pure, abstracte ruimte. Daarin plaatst hij de mens. Die is daar lijfelijk aanwezig. Dat lichaam, zoals Leon Battista Alberti schrijft in zijn “Verhandeling over de Schilderkunst, “zal vergaan tot stof; maar zolang het nog ademt, geldt: wie dat lichaam veracht, veracht het leven zelf .”12Deze lijfelijke presentie bouwt Masaccio op, zoals een monument. Al zijn menselijke lichamen zijn – net als de gezichten die Donatello uitkapt – doordrongen van ernst, van een intens christendom, die elke toegeeflijkheid afwijst, die helder wil zijn en vastberaden. Ze nemen volledig sereen de tragische last van de menselijke staat op zich.

noten