Funeral Blues (W.H. Auden) – satire en/of sentiment

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come…

3 Nederlandse vertalingen

Hieronder drie vertalingen naast het origineel. Alle drie hebben ze hun sterktes en zwaktes. Alle drie dateren van na de film (Four Weddings and a Funeral, 1994) voorzover ik heb kunnen nagaan. Schulte Nordholt’s vertaling verscheen in een zeer lezenswaardige verzameling vertalingen van Engelse klassiekers: ‘De stille droeve mensenmelodie’ (u herkent William Wordsworth’s the still sad music of humanity…), zeker de moeite waard om te kopen als u het tweedehands eens ergens tegenkomt. Hij heeft overigens de regel 2 (over de blaffende honden) van het eerste couplet verkeerdom geïnterpreteerd. Wel de meest geslaagde slotzin van de drie vind ik. (click to enlarge)

Achtergrond bij het gedicht van W.H. Auden (1936)

Dit zeer bekende gedicht (dankzij de film ‘Four Weddings and a Funeral) komt – verrassing – uit een satirisch toneelstuk van W. H. Auden en Christopher Isherwood, The Ascent of F6 (1936): over een tot mislukken gedoemde bergbeklimmingsexpeditie (de F6 als een nog niet bedwongen berg in de Himalaya). Hoofdpersoon is Michael Ransom, bergbeklimmer en volksheld. Hij wordt gepusht (door publiek, pers en politiek) om als eerste de top van de F6 te bereiken (er is concucrrentie van een ander land en dat kan the UK niet laten gebeuren). Hij gaat overhaast te werk, offert z’n ploeg op, en als hij de top bereikt, komt hijzelf ook om. Het toneelstuk (met muziek van Benjamin Britten) reflecteert op het Engels imperialisme (Rule Brittannia), charismatische figuren en hun leiderschap, en het conflict tussen de publieke persoonlijkheid en de private sfeer.

Het gedicht – oorspronkelijke versie (satire) : Stop all the clocks

Binnen bovengeschetst toneelstuk wordt een lied gezongen door twee van de acteurs, na de dood van Michael Ransom. Het steekt de draak met de holle retoriek als het overlijden van de volksheld bekend wordt gemaakt (gepubliceerd). Dat zijn dood self-inflicted was, dat hij een team van medeklimmers in z’n grootheidswaan heeft meegesleurd, dat de hele onderneming eigenlijk de volkswil om beste/eerste/hoogste/snelste te zijn diende blijft buiten beeld. Satirisch dus. Ja, laat maar even bezinken. Nu lees je plots de tekst toch met andere ogen, d.w.z. een andere tekst. Qua compositie is het een pastiche van de populaire Amerikaanse musicalvorm, met verbale ritmes, simpel rijmende coupletten, en stereotiepe beeldspraak over tegenslag in de liefde.
Hier de originele tekst: U zult de eerste 2 coupletten herkennen als van het zeer geliefde gedicht (gelezen op menige uitvaart). De laatste 3 niet (die zijn ook niet echt sterk, vind ik, maar de cabaretsfeer is onmiskenbaar). Die heb ik schuingedrukt, want ze zijn dus vervangen door twee ons bekende, zeer persoonlijk aandoende, aandoenlijke verzen.

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He Is Dead,
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

Hold up your umbrellas to keep off the rain
From Doctor Williams while he opens a vein;
Life, he pronounces, it is finally extinct.
Sergeant, arrest that man who said he winked!

Shawcross will say a few words sad and kind
To the weeping crowds about the Master-Mind,
While Lamp with a powerful microscope
Searches their faces for a sign of hope.

And Gunn, of course, will drive the motor-hearse:
None could drive it better, most would drive it worse.
He’ll open up the throttle to its fullest power
And drive him to the grave at ninety miles an hour.


Uitvoering (met de muziek van Benjamin Britten). De tekst is dus die hierboven staat !

Het gedicht – versie 2: Funeral blues

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He Is Dead,
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last for ever: I was wrong.

The stars are not wanted now: put out everyone;
Pack up the moon and dismantle the sun;
Pour away the ocean and sweep up the wood.
For nothing now can ever come to any good.

De revisie

Auden heeft in 1937 de eerste twee coupletten behouden en ze in een herziene versie van het toneelstuk toegewezen aan één zanger… en hij heeft de twee nieuwe coupletten toegevoegd (die zijn wel briljant!). Zo is er een heel ander gedicht, een nieuw lied, ontstaan: een rauwe klacht, een rouwklacht, een fysieke uitbarsting van smart. Nu klinkt het juist heel oprecht (tsja, gevoelens opgeroepen door taal zijn ook kneedbaar door de context). Het lied/gedicht krijgt nu ook een titel ‘Funeral Blues’.
In 1938 verschijnt het in een bloemlezing van W.H. Auden, getiteld The Year’s Poetry, en in de verzamelbundel Another Time (1940). Samen met ‘Johnny’, ‘O Tell Me the Truth About Love’ en ‘Calypso’, verschijnt het in de bundel met de titel ‘Four Cabaret Songs for Miss Hedli Anderson’ (de sopraan die in 1937 de herziene versie in The Ascent of F6 had gezongen).

In de film Four Weddings and a Funeral uit 1994 wordt ‘Stop all the clocks’ voorgelezen tijdens die ene dramatische funeral. Kort na de release van de film werd —slim— een klein boekje uitgegeven met tien liefdesgedichten van W.H. Auden. Er werden bijna 300.000 exemplaren van verkocht. Mede door de context van de begrafenis in de film is dit ook het gedicht geworden dat de ravage die de AIDS-epidemie heeft teweeggebracht samenvat.

Dick Wursten

De eerste verzen van Homeros’ Odyssee

05 augustus 2016 (bron)

Patrick Lateur vertaalde de Ilias (2010) en de Odyssee (2016) in blank verse. De uitgever (Athenaeum en Polak) vroeg hem waarom hij dat gedaan heeft, en om zijn vertaling van het bekende eerste vers eens uit te leggen. Over iamben, woordvolgorde en alliteratie.

ἄνδρα μοι ἔννεπε, μοῦσα, πολύτροπον, ὃς μάλα πολλὰ
πλάγχθη …

De man van vele listen moet u, Muze,
voor mij bezingen. Hij zwierf zeer veel rond
nadat hij Trojes goddelijke burcht
verwoest had, zag de steden van veel mensen
en leerde zo hun geest en volksaard kennen.
Veel pijn en leed doorstond zijn hart op zee
terwijl hij voor zijn eigen leven vocht,
voor de behouden thuiskomst van zijn makkers

De iambe, niet de hexameter

Lang vóór men zich ook maar waagt aan een vertaling van het eerste vers van een epos dat zo’n invloed heeft gehad op de Europese cultuur, moet men zich afvragen in welke vorm het homerisch epos zich het best laat vertalen en ook hoe je recht doet aan het woord dat de dichter in zijn ouverture met nadruk naar voren schuift. De vele versvormen die Griekse en Latijnse dichters hanteren zijn in hedendaagse Nederlandse poëzie amper of niet terug te vinden. Schwartz’ keuze (1951) om Homeros’ epen in proza weer te geven blijft verdedigbaar, want Homeros is een magistraal verteller. Maar de eerste dichter van het Avondland verdient het vooral in versvorm te worden omgezet. Liefst geen hexameter, want die versvorm werd in oorspronkelijke Nederlandse poëzie voor het laatst gebruikt door Bilderdijk.1 En dat is inmiddels twee eeuwen geleden. Een hedendaagse omzetting vraagt een evenwaardige versvorm, die geen geweld doet aan de inhoud van het origineel, noch aan de Nederlandse syntaxis of de geldende versvormen en -normen. De Franse filosoof Paul Ricoeur pleit in Sur la traduction (2004) voor een ‘équivalence sans identité’, een gelijkwaardigheid zonder gelijkheid. In die geest koos ik bij de omzetting van de homerische hexameter voor het blanke vers, dat in onze literatuur gebruikt wordt voor epische poëzie, zoals in Gorters Mei en de Interludiën van Karel van de Woestijne. Dit vijfvoetig jambisch vers leunt het dichtst aan bij het natuurlijk ritme van onze taal en blijkt ook bij voordracht uitstekend aan te sluiten bij de orale traditie van de homerische rapsoden.

De man, niet de muze

Het probleem bij de weergave van het allereerste woord van Ilias en Odyssee is van syntactische aard. De wrok (Ilias mènin) en de man (Odyssee andra), die de respectievelijke thema’s vormen van Homeros’ epen, zijn telkens het lijdend voorwerp van een imperatief (zing aeide, vertel ennepe ) waarmee de zanger zich tot de godin, de muze richt. Zij moet voor de dichter, die zich als een medium voelt, de stof aanreiken en hem inspireren. In de oude talen is de woordpositie erg wendbaar omdat de uitgang de functie bepaalt, terwijl in moderne talen de plaats zelf de functie aangeeft. De originele woordvolgorde respecteren is geen evidentie, en toch moet men het proberen omdat Homeros in zijn ouverture van de Odyssee alle nadruk wil leggen op een man. Alle voorgaande vertalers openen met ‘Muze’ of met de imperatief van ‘(be)zingen’. Alleen W.E.J. Kuiper begint zijn fragmentarische vertaling van de Odyssee in de Klassieke Bibliotheek (1949) met ‘Hem…’ Ook anderstalige vertalingen openen meestal met de aanspreking of het verzoek, maar onder meer Chapman (1614-16), Bérard (1924) en Ferrari (2001) blijven dichter bij Homeros: ‘The man, O Muse…’ ‘C’est l’homme aux mille tours, Muse…’ ‘L’uomo dai molti percorsi, o Musa…’ Ik vond voor de ouverture van Ilias en Odyssee een oplossing in de weergave van de imperatief met het modale werkwoord ‘moeten’ : ‘De wrok /De man…. moet u bezingen’.

Vele listen, niet wegen

De man die het onderwerp vormt van de ‘Odyssee wordt niet onmiddellijk bij name genoemd, maar de toehoorders wisten onmiddellijk om wie het ging. Het epitheton ‘polytropos‘ wijst op het ingenieus, vindingrijk, vernuftig karakter van de persoon. Net als die andere epitheta polymètis, polyfroon, polymèchanos. En dat kon alleen maar Odysseus zijn. Maar waar die andere adjectieven veelvuldig voorkomen (polymètis zelfs bijna honderd keer), komt polytropos verrassend genoeg slechts eenmaal terug, bij monde van Kirke: ‘Jij bent warempel Odysseus, / de man van vele listen’ (10.330). De vertaling ‘een man van vele ‘wegen’, die hoger te vinden is bij Ferrari en ook bij De Roy van Zuydewijn (1992), is een andere mogelijke interpretatie. Maar er moet daarbij wel worden opgemerkt dat Odysseus’ tocht niet het gevolg is van enige reis- of treklust, maar hem wel werd opgelegd door de omstandigheden en vooral door Poseidon.
In hetzelfde polytropos vraagt het eerste element van de samenstelling, een letterlijke vertaling, ‘van vele listen’. In de eerste vier verzen komt poly liefst viermaal voor (polytroponpolla in v.1 en als anafoor polloon en polla in vv. 3 en 4). Het ‘duizend’ van Dros (1991) klinkt mooi, maar verzwakt eigenlijk de beklemtoning van die veelvuldigheid.
In een eerdere versie, verschenen in een themanummer van Kunsttijdschrift Vlaanderen met plastisch werk van Koen Broucke (november 2012), is de woordvolgorde iets anders:
De man van vele listen, Muze, moet
u mij bezingen. Heel veel zwierf hij rond

…’
Uiteindelijk koos ik voor een zachter enjambement, hoewel in de vroegere versie de alliteratie Muze-moet sterker klinkt en ook de parataxe u-mij expressiever is. Vertalen is vaak weifelen. (Ik prefereer de eerdere versie, DW)

Patrick Lateur publiceert als dichter, vertaler en bloemlezer. Hij vertaalde werk van onder meer Pindaros en epigrammendichters van de Anthologia Graeca, Ausonius en Benedictus, Da Vinci en Michelangelo. Voor zijn vertaling van Homeros’ Ilias ontving hij in 2013 de Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren.

Henri Lacordaire – Entre le fort et le faible

Zonder wetten geen vrijheid

“Entre le fort et le faible c’est la liberté qui opprime et la loi qui affranchit.” 
“Tussen sterken en zwakken leidt vrijheid tot onderdrukking en is het de wet die vrij maakt.

Dit paradoxaal klinkende citaat is afkomstig van de Franse dominicaan en politicus Henri-Dominique Lacordaire (1802–1861). Hij sprak deze woorden tijdens een vastenpreek in 1848. Die preek is gepubliceerd in 1855 in deel III van Les conférences de Notre-Dame de Paris (1835-1851). Wat velen niet weten is dat hij deze vaststelling doet in de politieke strijd rondom het recht op zondagsrust. Volgens hem een holle frase, als deze niet wordt afgedwongen door een verplichte zondagssluiting van de fabrieken.

ENGLISH:
Between the strong and the weak, the rich and the poor, the master and the servant, it is liberty that oppresses, and law that sets free. Right is the sword of the powerful; duty is the shield of the powerless. (pp. 492–494)

De volledige zin is langer: “Entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le maître et le serviteur, c’est la liberté qui opprime, et la loi qui affranchit.” Zonder wetten zal de vrijheid van de sterke de vrijheid van de zwakke verpletteren. Daarom is passieve vrijheid, d.w.z. een vrijheid die bij wet wordt opgelegd (afgedwongen dus), een essentiële voorwaarde om ‘zwakken’ (economisch, sociaal, cultureel) ook hun rechten te laten toekomen. Als dit niet gebeurt neemt de sterke alle terrein in. De wet maakt vrij.

Waar komt het citaat vandaan?

  • Lacordaire was een vertegenwoordiger van het liberaal-katholicisme. Hij leefde in een tijd van grote sociale en politieke onrust in Frankrijk. Hij streed met grote inzet, en veel eloquentie, voor een positieve relatie tussen christendom (de rooms-katholieke kerk) en de moderne zich emanciperende wereld. De relatie met zijn hiërarchie was précair (meer hieronder).
  • Met deze uitspraak keert hij zich tegen het radicale economische liberalisme van zijn tijd. Vrijheid klinkt wel mooi maar in een ongelijke samenleving profiteren de sterken daarvan. Wet klinkt inperkend maar is in zo’n situatie juist essentieel, niet enkel om zwakken te beschermen, maar ook om hen de kans te geven om hun vrijheid te veroveren. De aanleiding was de weigering van de patrons om hun fabrieken op zondag te sluiten. Zonder zo’n wet zoud het recht op een vrije dag een dode letter blijven voor de arbeiders (de ‘faibles’ van dienst).
  • Ik las het citaat voor het eerst voorin het boekje van Karin Hereman, Een tip van de sluiter, over het hoofddoekenverbod op het Antwerpse Atheneum. Ik heb lesgegeven op die school en de invoering van dat verbod meegemaakt. Dat was een ‘regel’ die ingevoerd werd om de reële vrijheid van de zwakken (i.c. meisjes die leven in een moslimcultuur, waar sociale druk en controle groot is) te beschermen.

Wie was Henri Lacordaire?

Lacordaire liet zich in de jaren 1830 opmerken door artikels over de vrijheid van mening, de persvrijheid, en de vrijheid van onderwijs ook op universitair vlak. Die hij – hoewel overtuigd katholiek – verdedigde. Die vrijheid was gezond en heilzaam voor allen, op voorwaarde van een volledige scheiding tussen kerk en staat. Zijn teksten waren, net als die van Montalembert en Lamennais, zo uitdagend geformuleerd dat de Franse bisschoppen verontrust werden, en hem probeerden het zwijgen op te leggen. In Frankrijk haalden ze bakzeil, maar op 15 augustus 1832 werden de ideeën van Lacordaire c.s. (zonder dat ze werden vernoemd) veroordeeld in de pauselijke encycliek Mirari Vos, voornamelijk wat de gewetensvrijheid en de persvrijheid betreft. Lacordaire trok zich terug uit de strijd en onderwierp zich aan het pauselijk gezag, maar veranderde niet van mening. Op 9 april 1839 trad hij in Rome toe tot de orde van de predikheren (Domicanen). Ondertussen ging hij verder met zijn theologische studies. In 1841 keerde hij naar Frankrijk terug. Ostentatief kleede hij zich in de (in theorie verboden) monnikspij van de dominicanen. Hij knoopte ook weer aan bij de zeer populaire vastenpreken in de Notre-Dame van Parijs, die hij in de jaren 1830 had gehouden. Hij stichtte kloosters doorheen Frankrijk en in 1850 werd de Franse provincie van de Dominicanen officieel heropgericht. Lacordaire werd provinciaal-overste. Onderwijl bleef hij ook buiten het klooster actief. Hij was van mening dat kloosterwetten de vrijheid van publieke prediking en onderricht niet in de weg stonden.

Lacordaire in de Notre-Dame omstreeks 1845, anonieme tekening (Bibliothèque nationale de France)

Hij begroette enthousiast de revolutie van 1848 en de oprichting van de Tweede Republiek. Samen met Henri Ozanam stichtte hij de krant l’Ère nouvelle, waarin hij opnieuw heel sterk de vrijheid verdedigde, omdat hij de voordelen daarvan zag voor de kerk zelf (die zou door niet meer met de macht gelieerd te zijn, van veel ballast verlost zijn). Toen er gekozen werd voor een parlement, werd Lacordaire door de kiezers van Marseille naar de constituante gestuurd. Als voorstander van de republikeinse staatsvorm ging hij uiterst links zetelen. Hij bleef echter maar kort, want de onlusten van mei 1848 en de repressie die erop volgde waren hem te veel. Enkele jaren later verzette hij zich echter tegen de staatsgreep van Napoleon III (1851), die naar zijn oordeel inging tegen de ideeën van vrijheid en tegen alles waar hij voorstond. Daarna trok hij zich terug uit het openbare leven. 

De Conférences de Notre-Dame 

zijn een reeks fameuze preken gehouden door Lacordaire in de kathedraal Notre-Dame de Paris, in twee periodes: 1835 tot 1843, en opnieuw van 1848 tot 1850. Zij kaderden in de zeer oude traditie van de ‘vastenpreken’. Die zijn door hem (en de bisschop (beide mannen met visie)) terug in het leven geroepen in 1835. Hun doelgroep was het stedelijk, intellectueel publiek dat de Kerk verlaten had na de Franse Revolutie. (vgl. Fr. Schleiermacher in Duitsland met zijn ‘Reden über die Religion an die gebildeten unter ihren Verächtern). Hij richtte zich dus op studenten, schrijvers, journalisten, juristen, kunstenaars, sceptici en de “moderne seculiere Parijzenaars.” De Notre-Dame fungeerde hier als kathedraal (Vastenpreken), maar ook als publiek forum. Het was een poging van de Kerk zich opnieuw tot de (moderne) wereld te richten na de woelige jaren, vol omwentelingen. Zijn preken trokken veel volk en hadden een aanzienlijke invloed op de heropleving van het christelijk geloof en de kerk in het 19de eeuwse Frankrijk.

De 52ste conférence: Over de vrije zondag

Wat velen niet weten, is dat de beroemde quote in een ‘conférence’ over de verplichte zondagsrust gaat, die volgens Lacordaire bij wet moest worden geregeld, omdat anders de machtsongelijkheid tussen patrons en arbeiders al snel ertoe zou leiden dat de vrijheid om op zondag niet te werken een dode letter zou worden voor laatstgenoemden (de faibles van dienst). Hier de tekst met z’n context (Conférence 52, met als titel; Le double travail de l’homme). Rhetorisch werkelijk top! (Let erop hoe hij in de eerste alinea de ‘dag des Heren’ gelijkstelt met de ‘dag van gelijkheid vrijheid en broederschap’. De zondagsviering wordt zo de nationale feestdag van de republiek, in omgekeerd. Briljant.

Est-ce bien la France qui méconnaît à ce point les devoirs les plus sacrés de l’homme envers l’homme ? Est-ce elle qui déchire le pacte fondamental de l’humanité, qui livre au riche l’âme et le corps du pauvre pour en user à son plaisir, qui foule aux pieds le jour de la liberté, de l’égalité, de la fraternité, le jour sublime du peuple et de Dieu ? Je vous le demande, est-ce bien la France ?

Ne l’excusez pas en disant qu’elle permet à chacun le libre exercice de son culte, et que nul, s’il ne le veut, n’est contraint de travailler le septième jour ; car c’est ajouter à la réalité de la servitude l’hypocrisie de l’affranchissement. Demandez à l’ouvrier s’il est libre d’abandonner le travail à l’aurore du jour qui lui commande le repos […]. Demandez à ces êtres flétris qui peuplent les cités de l’industrie, s’ils sont libres de sauver leur âme en soulageant leur corps. Demandez aux innombrables victimes de la cupidité d’un maître, s’ils sont libres de devenir meilleurs, et si le gouffre d’un travail sans réparation physique ni morale ne les dévore pas vivants […]. Non, Messieurs, la liberté de conscience n’est ici que le voile de l’oppression ; elle couvre d’un manteau d’or les lâches épaules de la plus vile des tyrannies, la tyrannie qui abuse des sueurs de l’homme par cupidité et par impiété […].

Sachent donc ceux qui l’ignorent, sachent les ennemis de Dieu et du genre humain, quelque nom qu’ils prennent, qu’entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le maître et le serviteur, c’est la liberté qui opprime, et la loi qui affranchit. Le droit est l’épée des grands, le devoir est le bouclier des petits. (p. 492-494)

Is it truly France (or: Can this really be France), that so disregards the most sacred duties owed by man to man? Is it France that tears apart the fundamental covenant of humanity, that hands over the soul and body of the poor to the rich to be used at will, that tramples underfoot the day of liberty, of equality, of fraternity — the sublime day of the people and of God? I ask you: is this truly France?

Do not excuse her by saying that she allows everyone to freely practise their faith, and that no one is forced to work on the seventh day unless they choose to; for that only adds the hypocrisy of emancipation to the reality of servitude. Ask the worker whether he is free to lay down his tools at the dawn of the day meant for his rest […]. Ask those broken souls who fill the cities of industry whether they are free to save their spirit by easing the burden on their bodies. Ask the countless victims of a master’s greed whether they are free to better themselves, and whether the abyss of labour without rest — physical or moral — does not swallow them alive […]. No, gentlemen: freedom of conscience here is nothing but a veil over oppression; it drapes in gold the cowardly shoulders of the vilest of tyrannies — the tyranny that exploits the sweat of man out of greed and godlessness […].

So let those who fail to see this understand it; let the enemies of God and of mankind (humanity), whatever name they go by, understand this: that between the strong and the weak, the rich and the poor, the master and the servant, it is liberty that oppresses, and law that sets free. Right is the sword of the powerful; duty is the shield of the powerless. (pp. 492–494)

Cinquante-deuxième conférence: du double travail de l’homme, uit: Lacordaire, Henri-Dominique, Œuvres. Tome IV. *Conférences de Notre-Dame de Paris. Tome troisième (1846–1848). Paris: Librairie Poussielgue Frères, 1872, pp. 471-495. Het citaat staat op p. 494.

Dick Wursten

Looft God gij christnen, maakt hem groot

Een kerstlied voor de kinderen in Joachimstal

Van dit prachtige kinderlied voor Kerst (en wie is er met Kerst geen kind?) hieronder alle acht coupletten. In hedendaagse zangbundels (kerk en privaat) vindt u maximaal 6 coupletten. Jammer, stelde ik vast, toen ik de ontbrekende opzocht. Vandaar de volledige tekst met vertaling hieronder. De verdwenen verzen zijn de coupletten 4 en 5. Tekst en melodie is van cantor-schoolmeester Nicolaus Herman (eerste versie, ca. 1554, definitief 1560) uit St-Joachimstal (nu Jáchymov – Tsjechië). Dit Duitse ‘Weihnachtslied’ is tot in Frankrijk bekend en geliefd: noel allemand… (zoek daar maar eens naar samen met ‘Corrette’ …)

tekst

Duits (1560)
Nikolaus Herman

originele tekst (incl. spelling)
Nederlandse vertaling

1. Lobt Gott, ir Christen, alle gleich,
In seinem höchsten thron,
Der heut schleust auff sein Himelreich,
Und schenckt uns seinen Son,
Und schenckt uns seinen Son.
Looft God, gij christnen, maakt hem groot
in zijn verheven troon,
die nu zijn rijk voor ons ontsloot,
en schenkt aan ons zijn zoon,
en schenkt aan ons zijn zoon.
2. Er kömpt aus seines Vaters schos
Und wird ein Kindlein klein,
Er leit dort elend, nackt und blos
In einem Krippelein,
In einem Krippelein.
Hij daalt uit ‘s Vaders schoot terneer
op aard’ om kind te zijn,
een kindje arm en naakt en teer,
al in een kribje klein,
al in een kribje klein.
3. Er eussert sich all seiner gewalt,
Wird nidrig und gering
und nimpt an sich eins knechts gestalt,
Der Schöpffer aller ding,
Der Schöpffer aller ding.
Verzakende zijn macht en recht
verkoos hij zich een stal,
neemt de gestalt’ aan van een knecht,
de schepper van ‘t al’,
de schepper van ‘t al’.
4. Er leit an seiner Mutter brust,
Ir milch, die ist sein speis,
An dem die Engel sehn irn lust,
Denn er ist Davids reis,
Denn er ist Davids reis,
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,
de engelen zien hem en zijn blij,
want David’s loot is hij,

want David’s loot is hij,
5. Das aus sein stamm entspriessen solt
In dieser letzten zeit,
Durch welchen Gott auffrichten wolt
Sein Reich, die Christenheit,
Sein Reich, die Christenheit.
die uit zijn stam ontspruiten zou
in deze laatste tijd,
zodat op aarde bloeien zal
Gods heerlijk koninkrijk
,
Gods heerlijk koninkrijk.
6. Er wechselt mit uns wunderlich,
Fleisch und Blut nimpt er an
und gibt uns inn seins Vatern reich
die klare Gottheit dran,
die klare Gottheit dran.
Hij ruilt met ons zo wonderbaar,
neemt aan ons vlees en bloed.
Nu straalt ons uit zijns Vaders rijk
Gods glorie tegemoet,
Gods glorie tegemoet.
7. Er wird ein Knecht und ich ein Herr,
das mag ein Wechsel sein,
Wie könnd er doch sein freundlicher,
Das herze Jhesulein,
Das herze Jhesulein.
Hij wordt een knecht en ik een heer,
wat win ik veel daarbij!
Waar vind men zoveel gulheid weer,
als Jezus heeft voor mij,
als Jezus heeft voor mij.
8. Heut schleust er wider auff die thür,
zum schönen Paradeis,
der Cherub steht nicht mehr darfür.
Gott sey lob, ehr und preis,
Gott sey lob, ehr und preis.
En nu ontsluit Hij weer de poort
naar ‘t schone paradijs.
De cherub staat er niet meer voor.
God zij lof, eer en prijs!
God zij lof, eer en prijs!

mengeling van
1 2 3 : J.J. Thomson, 1938
7 8: C.B. Burger, 1973
4 5 6 : Dick Wursten, 2025

4de en 5de couplet

In ‘verlichte’ tijden vond men het vierde couplet nogal primitief — of aanstootgevend:
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,

Pudeur. ‘t Zal wel in de 19de eeuw geweest zijn. Toen moest alles wat met geloven te maken hebben geestelijk en verheven zijn. Tsja, het leven is dat ook niet. De kracht van het lied ligt juist in de geslaagde aansluiting (sentiment en strekking) bij het Kerstfeest met z’n heel basale concrete emotionaliteit (‘t kindeke in de kribbe, Maria, de stal, ocharme), terwijl het tegelijk de betekenis hiervan verwoordt zonder te gaan preken. God werd ècht mens, en het is precies dàt wat ons redt. Alleen zo komen mens en God samen. Geen theorie, geen theologie, maar gezongen exegese. Er zijn maar weinig (kerst)liederen die daarin slagen (Komt verwondert u hier mensen…misschien?). Onder de afbeelding van de eerste druk, nog wat toelichting. Vervolgens iets over de dichter (Nicolaus Herman) en de plaats van ontstaan (de dorpsschool van het mijnstadje Joachimstal).

titelpagina van de eerste versie van dit lied (ongedateerd, 1550-1554), het eerste van 3 kerstliederen ‘voor de kinderen in Joachimstal’

Toelichting op de tekst

Hoe eenvoudig dit lied ook is, toch is het een en al Heilige Schrift wat u hoort (met een Luther’s accent, m.n. in 6 en 7: ‘De vrolijke ruil’). De ‘incarnatie’, daar gaat het om, maar dan niet abstract-theoretisch, speculatief, maar concreet: God wordt mens, en niet een beetje, halfslachtig, neen: ècht, waarachtig mens. En daar mag je God wel voor danken, want alleen zo komen die twee bij elkaar : Looft God, gij christenen…
– In couplet 1 wordt de toon gezet: Door de komst van Jezus (de zoon) gaat de poort van het hemelrijk open. NB: ‘schleusst auf’ het hemelrijk, in het laatste couplet opnieuw ‘schleusst auf’ maar dan de poort van het paradijs.
– In de coupletten 2-4 wordt dit plastisch beschreven en geduid (zonder schoolmeesterachtig te worden, knap!) door de armoe en naaktheid te koppelen aan Filippenzen 2:5-11 (Christus, die zijn goddelijke macht aflegt en mens wordt, inclusief de kwetsbaarheid, de pijn.)

– In couplet 3 wordt deze tekst bijna letterlijk geciteerd (d.w.z. voor schriftgetrouwe lezers geëvoceerd, opgeroepen), in werkwoord en beeld: Entäussern, Gestalt, Knechtes, niedrig. Christus legt zijn god-zijn af, ziet af van zijn privileges: ontlediging (‘kenosis’ in het Grieks) en wordt een mensenkind, hij neemt de knechtsgestalte aan, wordt mens. Uniek christelijk gedachtengoed, zich zó “god” denken.
– In couplet 4 komt Maria in beeld, en de profetie uit Jesaja: de afgehouwen tronk van Jesse (Isaï, David’s vader) moet weer gaan bloeien. Een kerstklassieker (uweetwel met de ‘Reis‘ en de ‘Roos‘ die ontsprongen is uit Jesse’s stam). NB: dat kerstlied waaraan u nu denkt, bestond toen nog niet, maar de symbolische uitleg al wel (virga Jesse floruit – Maria bloeit open in een zoon).
– in couplet 5 wordt dit ontvouwd (expliciet), waarna
– in couplet 6 de ‘wonderlijke of vrolijke ruil’ van Luther het overneemt. Hij wordt mens, opdat ik vergoddelijkt wordt, zo zegt Luther het niet helemaal, maar wel zoiets. Herman gaat hierin wel ver: wij krijgen de ‘”klare Gottheit” in de plaats. Het lied zit goed in elkaar. Want dit is inhoudelijk (Filippenzen 2) en aanschouwelijk voorbereid (couplet 2-4).
– In couplet 7 kan de conclusie getrokken worden: Innig en liefdevol zijn zo mens en God (via Jezus, vriend) met elkaar verbonden. Onderschat de emotieve kracht van het volkse Kerstfeest niet.
– In couplet 8 kan de jubel dan losbarsten : Paradise regained: Het lied is ook rond. De poort van de hemel is open, en dus ook die van het Paradijs. De engel die na Eva/Adam’s val de mensenkinderen verhindert daarbinnen te geraken… is weg.

Vierstemmige zetting van J.H. Schein (youtube)

Hier een mooie uitvoering van dit lied, met de toonzetting van J.H. Schein inclusief het vierde couplet (dat uit de gezangboeken is verdwenen). Ze zingen 1, 2, 4, 8. Anderhalve minuut meer en het hele lied had erop gestaan.

Achtergrond: Niclas Herman in (Sankt-)Joachimstal.

Over de dichter-componist, Nicolaus (of Niclas) Herman (1500-1561) weten we weinig privaats, behalve dat hij in de buurt van Nürnberg geboren moet zijn, en dat hij op 18 jarige leeftijd in St-Joachimstal is, en wel als leraar aan de Latijnse school. Op zich niet zo bijzonder, ware het niet dat hij dat z’n hele leven zou blijven èn Joachimstal toen nog maar 2 jaar bestond. in 1516 was een rijke zilverader ontdekt (of beter: een bijna verlaten mijn opnieuw in gebruik genomen, met plots succes). De ontginning was aangevat door graaf Stephan Schlick (oude Boheemse adel) . Het daarrond ontstane mijnwerkersdorp (c.q. industriestadje, met koninklijke vrijheidsrechten) werd toegewijd aan St. Joachim. Het was het Klondike van de 16de eeuw.

Nu Jáchymov, op de grens van tsjechië en Duitsland. Landstreek: Bohemen.

De adellijke familie von Schlick (voluit: zu Bassano und Weißkirchen) was de eigenaar van de grond en 10 jaar later een van de rijkste families in Bohemen, tot Ferdinand (koning van Bohemen, later keizer…) zich ermee begon te moeien. Stephan Schlick was in dezen het meest actief. Zijn wapenschild staat ook vaak op de zilveren munten die uit het erts geslagen werd: de munt uit Joachimsthal, de Joachimsthaler. Hieronder een afbeelding van de tweede reeks Joachimthalers. Het is een Guldengroschen “Joachimsthaler” uit 1525.

centraal: S I – Sant Joachim. Daaronder diverse wapens. / keerzijde de leeuw van Bassano
in de rand (de afkortingen voluit – begin te lezen bovenaan rechts):
links: Arma Dominorum Slickorum Stefani Et Fratrum Comitum De Bassano
rechts: Ludovicus Primus Dei Gratia Rex Bohemiae.
bron: https://nl.numista.com/86643

Hij vertrouwde de ontginning van de mijn toe aan een ‘mijn-hoofdman’ (Berg-Hauptmann, Bergwerk=Mijnbouw), Heinrich von Könneritz, tevens muntmeester. Naast regelgevend werk, en opzicht, bevorderde hij ook het metallurgisch onderzoek (o.a. door samenwerking met de lokale arts, Georg Bauer, beter bekend als Agricola, de ‘vader van de moderne mineralogie’). Zijn vrouw Barbara von Breitenbach was dan weer zeer actief bij de constructie van het sociale weefsel van deze nieuwe ‘samenleving’. Könneritz leidde de exploitatie in goede banen en binnen 20 jaar groeide Joachimstal uit tot de tweede stad van Bohemen en telde meer dan 20.000 inwoners. Alle genoemden waren bekend met Luther en zijn gedachten en het genoemde echtpaar was zelfs goed met hem bevriend (hun zonen studeerden in Wittenberg), en hield — gezien een bemoedigende brief van Luther uit 1524 aan Nicolaus Herman — in moeilijke tijden ook de cantor-schoolmeester Nicolaus Herman de hand boven het hoofd. Luthers vader was zelf trouwens… mijnbouwer.

Silver medal commemorating Stephan von Schlick, the founder of Joachimsthal, no year (after 1526), unsigned by Wolf Milicz. Dedicated by Stephan’s widow in commemoration of her husband’s death in the Battle of Mohács of 1526. Probably the second specimen on the market. Extremely fine. Estimate: 15,000 euros. From Künker auction 418 (29 January 2025), No. 413.
Zilveren penning uit Joachimstal ter herinnering aan Stephan von Schlick (na 1526). Vervaardigd in opdracht van Stephans weduwe ter gedachtenis aan de dood van haar echtgenoot in de Slag bij Mohács in 1526. https://new.coinsweekly.com/coins-medals-more/joachimsthal-and-the-reformation/

Zilveren penning uit Joachimstal (1531) toegeschreven aan Hieronymus Magdeburger, die ook talrijke ‘evangelische munten’ graveerde, de numismatische evenknie van Niclas Herman. In het voorwoord van Johann Mathesius tot Herman’s tweede liedbundel, wordt ook deze evangelisatiemethode geroemd.
Links het (bijna)offer van Isaac door zijn vader, rechts het voltrokken offer van Christus door zijn Vader. Een van die — eigenlijk nogal schokkende — standaard christelijke typologieën. Op deze pagina – tevens de bron – vindt u meer uitleg en voorbeelden (English)

De daalder

De Schlicks hadden ook een eigen muntrecht, en de door hen geslagen zilveren munten werden de ‘gouden standaard’ in het hele (Habsburgse) Rijk: de Joachimsthaler, al snel afgekort tot ‘Thaler‘ (een volle thaler: ca. 25g zilver). Je mag dit ook letterlijk nemen: Deze in zilver geslagen munt vervangt als courant betaalmiddel de ‘gulden’.2 In onze contreien heeft zo’n Thaler de waarde van 30 stuivers, dat is 1,5 gulden, de daalder (nu enkel nog spreekwoordelijk: Op de markt is uw gulden een daalder waard…netzoveel trouwens als de eerste slag). Later komt er ook nog een upgrade tot 50 stuivers: de rijksdaalder 2,5 gulden. Op dat ‘Rijk’ hadden de Hollanders het niet zo, want dat was het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie (Karel V, Filips II etc.) en als ze overzee hun goederen verhandelden, sloegen zij hun eigen daalders, zonder ‘kop’, maar met een leeuw erop: de leeuwendaalder… Engelsen konden daalder of thaler niet goed uitspreken en maakten er dan maar dollar van. Gelooft u het niet: Lieven Scheire zegt het ook: (Joachimstaler > Thaler > Daalder > Dollar. facebook). Het kan trouwens nog korter: in het Tsjechisch is een thaler een tolar, tot 2007 de munteenheid van Slovenië.

Back to business: Belangrijk in dit alles is, dat in deze ‘nieuwe samenleving’ in Bohemen (dus toch al niet zo ‘rooms-gezind’) zowel de politieke, economische als ambachtelijke leidinggevenden van meet aan op z’n minst sympathiseren met de Lutherse Reformatie. De eerste kerk wordt nog wel (net als het dorp) toegewijd aan St Joachim, maar in 1522 wordt er al een “Evangelische Kerkorde” ingevoerd, de eerste in Bohemen. Van de bisschop is er geen spoor meer te bekennen. De machthebbers (m.n. graaf Stephan Schlick en de Berghauptmann Könnewitz) slaan de handen ineen en nemen zelf — met intellectuele, morele, en personele ondersteuning vanuit Wittenberg — de organisatie ter hand. Ze waken over de inrichting van de eredienst, nemen de verantwoordelijkheid over voor de andere maatschappelijke functies die de roomse kerk (of orden) vervulden: school, armenzorg, ziekenverpleging.

De school

Jongens konden dus naar de Latijnse school gaan, naar meester Herman. Toelatingsvoorwaarde: kunnen lezen, schrijven. Dat kon je zelf leren (thuis) of op de Duitse school. Beide stedelijke en kerkelijke instellingen ineen. Instroom in de Latijnse school was zo ongeveer vanaf 7 jaar. Logisch: de hersenen ontwikkelden zich toen netzo als nu. Op die school werden de jongens opgeleid voor hogere studies of een baan in de publieke sector (de slimmen waren tegen hun 12de al klaar, maar het kon ook 16-17 worden. Dan konden ze naar de universiteit). Cantor Nicolaus Herman is z’n leven lang schoolmeester geweest van de ‘onderbouw’ op de Latijnse school (net als Bach!). Hij heeft die school waarschijnlijk zelf mee uit de grond gestampt, en mogen werken met twee briljante en ondernemende rectors (die de bovenbouw voor hun rekening namen) : Eerst Stephan Roth, een goede vriend van Luther, afkomstig uit Zwickau, waar hij ook weer heen terugkeert. Hij wordt daar stadssecretaris, en de stuwende kracht om de Hervorming daar ‘deftig’ in te voeren. Een strijd tussen radicale protestanten en behoudsgezinde katholieken kan worden vermeden. De tweede is Johann Mathesius, student van en bevriend met Luther. Hij heeft bij hem ingewoond en gestudeerd, bekend ook als uitgever van diens preken en vooral de ‘Tischreden’. Eerst is hij rector, later wordt hij Pfarr-herr (Pfarrer) van Joachimstal. Hij schrijft ook het voorwoord bij de tweede verzamelbundel van Herman. Het stadje kent een pijlsnelle economische en demografische groei.

Zilvermijn in Joachimstal, 1548 (Duitse fototheek, wiki). De titel verwijst naar de vrijheidsrechten die deze nieuwe stad ook had verworven.

liederen voor de kinderen van Joachimstal

Niclas Herman is een fan van Luther, en helemaal als hij diens publicatie “AAN DE RAADSLEDEN VAN ALLE STEDEN VAN DUITSLAND DAT ZIJ CHRISTELIJKE SCHOLEN MOETEN OPRICHTEN EN IN STAND HOUDEN” uit 1524 leest. 3 Iedereen moet onderwijs worden aangeboden, zegt Luther, jongens èn meisjes, en de ouders moeten worden aangespoord (bijna verplicht) om van dat aanbod gebruik te maken: onderwijs als mensenrecht. Goede ouders (en dus: de overheid) volstaan toch ook niet met enkel lichamelijk voedsel aan hun kinderen te geven. Die voorzien ook geestelijke (op)voeding. Daarbij moet de overheid haar verantwoordelijkheid nemen en scholen oprichten. En zij moet er ook op toe zien dat alle kinderen daar naar toegaan (naartoe kùnnen gaan), jongens èn meisjes. In 1518 is er dus al een Lateinschule (jongens) in Joachimstal, en even later ook een meisjesschool, met een vrouwelijke directrice: Magaretha Heldin. Niclas Herman prijst haar in het voorwoord van zijn verzamelbundel. Daar onthult hij ook dat hij met name voor haar en haar leerlingen zijn liederen heeft geschreven. Hun bijbelkennis en zang had grote indruk op hem gemaakt (De tekst van die passage uit dat voorwoord kunt u hier lezen. Kortom: Leren lezen, leren rekenen (mathematica) èn muziek. Iedereen moet dat kunnen/kennen. Een leraar moet dus ook kunnen zingen (muziek maken), vindt Luther. En de jongens onder hen moeten met de polyfonie vertrouwd gemaakt worden, want zij vormen het koor (dat is dus in Bach’s tijd nog steeds zo: de Thomasschool). Zij moeten de gebeden (introitus etc) en lezingen kunnen zingen in het gregoriaans en Latijnse motetten, aangevuld met Duitse composities: tijdens vieringen op school, maar ook in de kerk (doordeweeks en zeker op zondag). Herman blijkt trouwens een vooruitstrevende leraar te zijn. Hij is ervan overtuigd dat de mensen willen leren. Hij hekelt lijfstraffen, pleit voor een motiveringspedagogiek, en stelt – zeker wat het godsdienstonderwijs betreft – een zingend curriculum voor (meer daarover hier). Hij biedt het zelfs aan. Alle bijbelverhalen op tekst en muziek gezet: Die SontagsEvangelia über das gantze Jahr in Gesänge gefasst für die Kinder und christlichen Hausväter

Hier een editie uit 1561 van dit lied. (uit de bundel met liederen bij de evangelieverhalen) Nog steeds staat eronder, wat ook in de eerste druk (als ‘flyer’ met 3 kerstliederen, z.b.) op de titelpagina stond: für die Kinder im Jo(a)chimstal

Bekendste liederen

En zeker rond de grote feesten, moet er wat te zingen zijn:

  • met Kerst dus: Drey Geistliche Weinacht Lieder, vom Newgebornen kindlein Jhesu, für die kinder im Joachimstal is waarschijnlijk zijn eerste publicatie (de zetter heeft wel een potje gemaakt van de teksten). Ons lied is hier het eerste (Liedboek, gezang 147).
  • En met Pasen: “Erschienen ist der herrlich Tag” (gezang 200) – prachtige melodie en ook een zeer leerrijke tekst (helaas ook niet meer aanwezig in de huidige gezangboeken). Voor meer info klik op de melodie:
  • En ‘s ochtends en s’avonds: Die helle Sonn leucht’ jetzt herfür” (gezang 373), “Hinunter ist der Sonnen Schein” (384)en “Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ” (gezang 316).
  • En als je op sterven ligt (want de kinderen werden niet oud, nemen de liederen mee naar huis): “Wenn mein Stündlein vorhanden ist” (gezang 270). Het laatste couplet is ook vaak apart geciteerd en op muziek gezet (“Weil du vom Tod erstanden bist…” – Schütz musicalische exequien). Het koraal is nog getoonzet door Schumann, in z’n laatste levensjaar, toen hij opgenomen was in de kliniek. De laatste maand was hij bezig met de bijbel en het liedboek. Meer info: klik hier

Herman’s teksten en melodieën zijn eenvoudig, maar niet simplistisch. Een goed voorbeeld is het onderwerp van deze pagina, maar dat geldt ook voor de andere genoemde liederen. Over de berijming van de bijbelverhalen kun je twisten, maar dat was dan ook puur onderwijsmateriaal, 4 of 7 regels, met een lijst met melodieën die geschikt zijn. Deze bijbelse-verhalende-liederen heeft hij tegen het eind van zijn leven gemaakt en gebundeld, toen hij ziek thuis zat (geplaagd door hevige en zeer pijnlijke jicht). Het voorwoord tekent hij met Niclas Herman, der alte cantor…. Ze zijn na zijn dood uitgegeven en talloze malen herdrukt. Even terzijde: dus niet bestemd voor de kerkdienst (liturgie), maar voor alle vormen van ‘godsdienstoefening’ daarbuiten.

portret

Hier een portret, gemaakt in zijn laatste levensjaar (1560: corpus vexabat podagra… staat er in het gedicht: zijn lichaam gekweld door de jicht. Je kunt het ‘m aanzien). Hij houdt een lied van zijn hand in de hand:

De muziekrol bevat de eerste regel van zijn berijming van de brief aan de Corinthiërs, waarin hij (met Paulus) de neiging tot afscheuring, sectarisme bestrijdt. Het eerste couplet:

Sant Paulus die Corinthier
hat unterweist in rechter lehr,
sobaldt er aber von in kam,
da fingen sich vil seckten an.

Boven zijn hoofd staat: Vox amici vox Dei: de stem van een vriend is de stem van God…

Dick Wursten (Kerst 2025)

P.S. Ad den Besten over Herman

Vertaler en liedboekdichter Ad den Besten schrijft aan het eind van zijn biografische notitie in het Compendium bij het Liedboek, over Nicolaus Herman:

Na Luther is Nikolaus Herman veruit de meest gezongen dichter van geestelijke liederen uit de 16de eeuw geweest. De heldere eenvoud van zijn teksten, hun kinderlijke, maar nergens kinderachtige toon, hun menselijke warmte, hebben gemaakt, dat zij een veel algemener betekenis kregen dan Nikolaus Herman zelf ooit heeft verwacht. Hij was met andere woorden een veel beter dichter en componist dan hij zelf heeft geweten.

Hoor de klokken luiden (Moralia – Hándl, Gallus) 1590

De tekst met Engelse vertaling kunt u hier nalezen

Jacob Hándl (verkleinwoord van “Hahn” – Latijn: Gallus) 1551-1591. Componist aan het Habsburgse hof (Graz, Praag), geboortig van Carniola (Kranjska – Slovenië). Stond in zijn dagen hoog in aanzien. Publiceerde aan het eind van zijn korte leven een aantal bundels met wereldlijke muziek, licht van toon: Morele harmonieën. 4 In deze vierstemmige miniatuurtjes zet hij oude Latijnse gedichtjes, spreuken met levenswijsheden (vandaar ‘Moralia’) op muziek. Teksten van Horatius, Ovidius, maar ook uit gangbare verzamelingen (Anthologia Latina, Carmina proverbalia), en van onbekende origine, wellicht van hemzelf. Ze verschenen in drie delen (drie ‘boeken’) in 1598-1890 (Praag). Zijn broer Johann gaf posthuum nog een collectie uit: Moralia (1596). 8, 6 en 5 stemmig. Samen: 100 stuks. Hier de titelpagina van die uitgave:

Het vocaal ensemble ‘Singer Pur’ zong ze allemaal in en gaf een selectie uit op CD. Hier hebt u er eentje uit de eerste bundels (4-stemmig): over een kerkklok Tintinabulo clango

De kathedraalscholen (12de eeuw)

Fragment uit een TV-film over de kathedralenbouwers (1980), waarin Georges Duby over het ontstaan van de wetenschap vertelt, met speciale aandacht voor Pierre Abélard en de ‘redeneerkunde’. Hij heeft een papier op zak met een citaat van/over Abélard’s lesmethode en haalt die tijdens de uitzending tevoorschijn om voor te lezen… Top-tv was dat op Antenne 2, in 1980, en nog steeds de moeite van het bekijken en beluisteren (en overdenken) waard. Nederlands ondertiteld (cc); transcript-vertaling onder het filmfragment.

TRANSCRIPT, ongeveer vertaald

“De bouw van de kathedralen (in razend tempo eind 12de, begin 13de eeuw) is mogelijk geworden door de groei van de stedelijke economie. Zeker. Maar is tegelijk ook te danken aan een andere groei die onlosmakelijk verbonden is met de eerste: de groei van de kennis (savoir).
Elke kathedraal wordt immers geflankeerd door een school, en de meest dynamische scholen bevinden zich rond de kathedralen in Noord-Frankrijk. Zeker, in kloosters werd ook les gegeven, maar de kloosterschool was gesloten, de kathedraalschool was open. Dat heeft te maken met haar functie. De kathedraal is – per definitie – de kerk van de bisschop. De primaire functie van de bisschop is (ja echt waar! DW) de verkondiging van het Woord van God en niet alleen in zijn eigen kerk, nee, in zijn hele bisdom. Hij heeft helpers nodig, om samen met hem te prediken. En dus werkplaatsen (ateliers) om predikers op te leiden, te scholen. Dat impliceerde goede boeken (manuscripten), goede leraars die deze boeken konden verklaren. En: in een samenleving waarin reizen steeds gemakkelijker werd, zien we intellectuele avonturiers door Europa trekken op zoek naar de beste scholen. Die bevonden zich precies daar waar de meesterwerken van de gotische kunst verrezen: in Laon, Chartres, en Parijs. Ik denk niet dat het toeval (coïncidentie) is dat de locaties van deze intellectuele onderzoekscentra samenvallen (coïncideren) met de haarden van de artistieke creatie (artistiek = alles wat de mens ‘toevoegt’ aan de natuur: kunde, ambacht, ambachtelijke kunst).
De studiecyclus was dezelfde als in de “eerste Renaissance” (onder Karel de Grote), de zeven vrije kunsten – de artes liberales. Deze zijn te zien op een van de roosvensters van de kathedraal van Laon, waar ze de centrale bloem omringen waar de Wijsheid troont. Die vormen haar hof, verrijkend en verlichtend. De zeven artes bestonden uit drie inleidende disciplines: grammatica (taal), retorica (de kunst van het spreken) en dialectiek (de kunst van het redeneren), gevolgd door vier dieper gravende disciplines: de leer van getallen, de geometrie, de astronomie en de wetenschap van de ‘tonen van de muziek’ (en hun onderlinge verhouding).

Laon cathedral - noord venster
roosvenster met de 7 artes, kathedraal van Laon (voltooid ca 1200)

Deze disciplines onthulden de mysterieuze wetten die het universum beheersen. Dit pad, deze weg, deze boulevard van kennis, leidde uiteindelijk tot de theologie – de hoogste wetenschap omdat zij de mens hielp om de geheimen van God te doorgronden die hij meedeelt in wat hij zegt (zijn Woord) en in de zichtbare tekenen, uitgestrooid in de de natuur.5

In de tweede helft van de 12e eeuw kenden de scholen van Parijs een buitengewoon succes. Ze werden de kweekvijver van bekwame bisschoppen; alle pausen van die tijd kwamen er studeren. Dit succes was grotendeels te danken aan het onderwijs van Abélard6). Men begon bij de taal, de woorden, maar de dialectiek stond daarbij centraal: door redenering de betekenis van de woorden begrijpen. Niet door er in mystieke overpeinzingen over te mediteren, zoals in het klooster, maar door ze te analyseren. Het intellectuele gereedschap werd steeds verfijnder. Geestelijken reisden met de ridders mee die Spanje en Sicilië op de moslims heroverden, en ze stortten zich op de schitterende bibliotheken van Toledo en Palermo. Ze begonnen – samen met/tegelijk met de Joden – koortsachtig Arabische werken te vertalen naar het Latijn – werken die de Arabieren op hun beurt uit het Grieks hadden vertaald. Wat zij zo onthulden was de antieke wetenschap: Euclides, Ptolemaeus, en nog waardevoller voor hen: de logica van Aristoteles.
De methode werd verfijnd, op punt gesteld en verrijkt door Abélard. De eerste stap? Twijfelen! Abélard zei: “we komen tot onderzoek door twijfel, en door onderzoek ontdekken we de waarheid.” Hoogmoed, arrogantie… Sommigen veroordeelden deze houding fel, met name Bernardus van Clairvaux, die Abélard uiteindelijk ten val heeft gebracht. Maar wat een vruchtbaarheid school er in deze benadering ! Wat een enthousiasme ontstond er in de scholen. Het ging niet langer om lessen enkel te aanhoren, maar om discussie. Dialoog, dialectiek, debat! “Mijn studenten,” zei Abélard, “verlangen menselijke redenen te horen, verklaringen die ze begrijpen; geen stellingen en affirmaties.” Ze vonden dat spreken zinloos was, als men niet ook tegelijk het begrip van wat men wilde zeggen mee aanbracht, en ook dat men niets kan geloven als men het niet eerst heeft begrepen.7

Uit deze manier van denken is al onze wetenschap voortgekomen…

Ils disaient qu’il est inutile de parler si l’on donne pas l’intelligence de ses propos et que nul ne peut croire s’il n’a pas d’abord compris. Et toute notre science sors de là…

Georges Duby, Le temps des cathédrales – 9 delige TV-film uit 1980, deel 3, Dieu est lumière.

Artur Honegger: psaume 138

From Trois psaumes (1940-41), nr. 3: Il faut que de tous mes esprits.

Text (Fr-Eng)

Psaume 138 Psalm 138
(poem by Clément Marot, 1543)(English – Book of Common Prayer)
Il faut que de tous mes esprits
ton los et prix
j’exalte et prise:
Devant les grands me présenter
pour te chanter
J’ai fait emprise.
En ton saint’ Temple adorerai,
célèbrerai
ta renommée,
Pour l’amour de ta grand’ bonté,
et féauté
tant estimée.
I will give thanks to you, O LORD,
with my whole heart;

Before the gods I will sing your praise.


I will bow down toward your holy temple
and praise your Name,

Because of your love and faithfulness;

Score (All three psalms) – from IMSLP. Enjoy

Psalm 92

Een psalm voor de sabbatdag.

Het Engelse origineel (Artscroll – series, Tehillim, vol 2). De auteur is een literalist.
Dat is duidelijk. Ik niet. Maar de sensitiviteit voor het leven ‘tussen de tijden’ delen wij.

Op de 7de dag van de schepping rustte God van zijn werk: de eerste ‘sjabbat’. Zes dagen had hij gearbeid en het was goed geweest, zeer goed. Op diezelfde sabbatdag werd de mens, ha-Adam, voor het eerst wakker. De 7de dag was zìjn 1ste dag. Geschapen was hij ‘toen het al avond werd’ op de zesde dag. Nu sloeg hij de ogen op, en keek zich de ogen uit. De zon, het licht, de lucht, de warmte, de vogels, de bloemen, de geuren, de kleuren… Hij werd er zo door geraakt, het was zo volmaakt deze ervaring, dat hij begon te zingen: een Psalm voor de sabbatdag…

En evenzo, zo vervolgt de Joodse rabbijn8 aan wie ik dit verhaal ontleen, zal het zijn aan het einde van de wereldtijd, als de 6 aeonen zijn voltooid, waarbinnen de menselijke geschiedenis op Gods goede aarde zich afspeelt, en de ‘dag van de eeuwige sabbat’ aanbreekt. Ook dan zullen, opnieuw, alle kinderen van Adam, Gods lof zingen. Zeker en vast: een Psalm voor de eeuwige sabbat…

Maar onderwijl, tussen deze beide sabbatten, is er de verbijstering bij de mens, als hij het onrecht ziet, de pijn, het lijden, de vernieting die Gods goede schepping teistert. En hij vraagt zich af, het mensenkind, zal de heerlijkheid van de toekomende tijd, wel opwegen tegen het lijden van de tegenwoordige? En hij zingt, tussen de tijden, een psalm voor de sabbatdag: Eeuwige, hoe lang nog zult Gij wachten? Zie toch, aan alle zijden plant zich het onrecht voort, het bloeit haast ongestoord, niemand komt tussenbeide… (Psalm 92, 4 – berijmd).

Voor sommige Palestijnen is Hamas nog veel te lief…

een Palestijns perspectief vanuit Brussel.

Dubbelinterview Dyab Abou Jahjah en Montasser AlDe’emeh
ANN VAN DEN BROEK, 6 januari 2024.

De ene is een Palestijn die geboren werd in een vluchtelingenkamp in Jordanië. De andere is een Libanees die opgroeide op de grens van wat ooit Palestina was. Het verwoede streven van Montasser AlDe’emeh en Dyab Abou Jahjah: de bevrijding van dat land. ‘Eerlijk: voor sommige Palestijnen is Hamas nog veel te lief.’

Dyab Abou Jahjah & Montasser AlDe'emeh hebben hun vroegere onenigheden bijgelegd. ‘Palestina is onze alfa en onze omega. Als je daarover op dezelfde lijn staat, dan is er in mijn ogen weinig anders nog van tel’, zegt Abou Jahjah. Beeld Aurélie Geurts
Dyab Abou Jahjah & Montasser AlDe’emeh hebben hun vroegere onenigheden bijgelegd. ‘Palestina is onze alfa en onze omega. Als je daarover op dezelfde lijn staat, dan is er in mijn ogen weinig anders nog van tel’, zegt Abou Jahjah. Beeld Aurélie Geurts

“Hij is daar”, zegt Montasser AlDe’emeh zodra hij Dyab Abou Jahjah spot. Meteen springt hij recht, de twee vallen elkaar in de armen en beginnen een gesprek in het Arabisch dat we niet verstaan, maar dat de warmte en vertrouwdheid uitstraalt die je ziet bij intieme vrienden.

Dat zijn ze voor alle duidelijkheid niet. Ook al komen ze er meteen achter dat ze van herkomst praktisch buren zijn, wanneer ze de netjes ingekaderde historische kaart van Palestina bestuderen die AlDe’emeh heeft meegebracht. Zijn familie komt uit Sabbarin, een vernietigd Palestijns dorpje vlak bij Haifa, in het uiterste noorden van het land. Zijn beide ouders werden er geboren en verdreven tijdens de Nakba van 1948.

Abou Jahjah groeide in vogelvlucht amper een paar tientallen kilometers van Sabbarin op, in Hanine, pal aan de grens tussen Libanon en Israël. “Vanop ons balkon daar zie ik de heuvels van Galilea. Mijn vader werd in 1947 zelfs geboren in Jaffa, midden in Palestina. Mijn grootvader werkte daar, zoals zoveel Libanezen. Wij komen echt uit hetzelfde gebied. Daarom spreken wij ook exact hetzelfde dialect, we praten allebei Levantijns, gewoon met een lichtjes ander accent. Hij is van Brugge en ik van Kortrijk, zoiets. Maar de zionistische entiteit (Israël, red.) heeft er in 1948 voor gezorgd dat wij afgesloten zijn geraakt van elkaar.”

Ze bestuderen de kaart opnieuw, de routes die hun ouders hebben afgelegd vijfenzeventig jaar geleden. Abou Jahjah kijkt AlDe’emeh aan. “Waarschijnlijk heeft mijn vader jouw vader ergens gekruist. Een baby op de rug van een ezel, te voet op de vlucht van Palestina naar Libanon.” AlDe’emeh zucht. “Ziedaar de kern van onze strijd. Wij willen weer vrij zijn. Wij willen elkaar weer kunnen bezoeken.”

Je zou het niet zeggen als je jullie bezig hoort, maar dit is pas jullie eerste echte ontmoeting. Hoe komt dat?

Abou Jahjah: “We hebben natuurlijk onze meningsverschillen gehad, maar we zijn toch ook wel tegen elkaar opgehitst in de media. Ik herinner mij een bepaalde journalist die vandaag woordvoerder is bij de N-VA. Ik ga zijn naam niet noemen, maar hij heeft daar een belangrijke rol in gespeeld. Een manipulatieve rol.”

AlDe’emeh: (knikt) “Je kan onze onderlinge verhouding ook niet loskoppelen van mijn ontwikkeling als mens. Ik geloofde op een bepaald moment dat het mogelijk zou zijn dat we met Israël een duurzaam vredesakkoord zouden kunnen tekenen. Ik wist dat het moeilijk zou zijn, maar ik geloofde oprecht in een tweestatenoplossing. Ik heb dat ook openbaar verkondigd en dan heeft Dyab mij ervan langs gegeven op sociale media.”

Abou Jahjah: “Een Palestijn die zoiets zei, dat kon de activist in mij echt niet verdragen. Alleen hadden we in de plaats van die ruzie op sociale media uit te vechten misschien eens de telefoon moeten pakken en met elkaar praten. Ik was ook gewoon arrogant. Ik dacht: wie is die snotaap, zeg?”

Sinds kort zijn jullie wel on speaking terms. Hoe is de toenadering er gekomen?

Jahjah: “Ik had al gemerkt dat Montasser de voorbije jaren in zijn opinies…”

AlDe’emeh: (onderbreekt) “Geradicaliseerd is.”

Abou Jahjah: (lacht) “Voilà, en ik ben iets minder radicaal geworden. Onze verschillen zijn nooit persoonlijk geweest, we kenden elkaar niet. Palestina is onze alfa en onze omega. Als je daarover op dezelfde lijn staat, dan is er in mijn ogen weinig anders nog van tel.”

AlDe’emeh: “En daarom heb ik het contact met Dyab opgezocht. Hij had gewoon gelijk. Ik had hoop, maar de realiteit op terrein is dat de Israëlische regering steeds meer grondgebied innam. Er zijn meer nederzettingen, Palestijnen worden dagelijks bestookt en gedood, ik kon een tweestatenoplossing niet meer beargumenteren.”

Abou Jahjah: “Omdat Israël die compleet onhaalbaar gemaakt heeft. Ik vind dat we continu moeten blijven strijden voor een bevrijd Palestina. Maar ik heb altijd gezegd: als Israël een leefbare tweestatenoplossing aanvaardt, dan is dat voor mij het einde van de oorlog. Dan zullen wij met vreedzame middelen voortstrijden voor één Palestina.”

U wil het einde van de staat Israël?

AlDe’emeh: (wijst naar de kaart van Palestina voor 1948) “Dat is wat wij terugwillen. Van de rivier tot de zee, zoals ze zeggen.”

En wat dan met de Israëliërs?

AlDe’emeh: “Er is plaats voor onze Joodse medemensen, gewoon niet voor het systeem, de staat Israël. Mijn moeder leeft nog, zij is geboren in 1947, ze is ouder dan de staat Israël. Wij willen gewoon terug kunnen naar onze dorpen. Joden mogen er blijven wonen, ook op de Westelijke Jordaanoever. We willen enkel in vrede kunnen samenleven, met elkaar.”

Abou Jahjah: “Maar vandaag is er een genocide aan de gang. Waar ik naar streef is dat die zo snel mogelijk stopt, en dat de verantwoordelijken daarvoor berecht worden. En later als de genocide stopt, als de apartheid stopt, als de bezetting stopt, dan kan het Palestijnse volk zelf onderhandelen over oplossingen met wie we nog echt vrede willen aan de andere kant. Maar nu is dat een discussie over het geslacht van de engelen.”

AlDe’emeh bracht een ingekaderde kaart van Palestina (voor 1948) mee naar het gesprek: ‘Ziedaar de kern van onze strijd. Wij willen weer vrij zijn. Wij willen elkaar weer kunnen bezoeken.’ Beeld Aurélie Geurts
AlDe’emeh bracht een ingekaderde kaart van Palestina (voor 1948) mee naar het gesprek: ‘Ziedaar de kern van onze strijd. Wij willen weer vrij zijn. Wij willen elkaar weer kunnen bezoeken.’ Beeld Aurélie Geurts

Officieel worden de aanvallen van Israël op Gaza nog niet erkend als een genocide.

AlDe’emeh: “Het is wel in die richting aan het evolueren alleszins. Er is een zoveelste etnische zuiveringsactie aan de gang, mensen worden aangemaand om te vertrekken. Palestijnen die op de bezette Westelijke Jordaanoever wonen, drijven ze richting Jordanië, de Gazanen richting Egypte.”

Abou Jahjah: “Genocides worden nooit erkend op het moment dat ze aan de gang zijn, daar oordeelt een rechtbank achteraf over. En als dat niet gebeurt, mag die internationale gemeenschap naar de maan wat mij betreft. Als ze dit niet erkennen als misdaad tegen de menselijkheid, dan bestaat er geen internationaal recht meer.”

De Hamas-aanvallen van 7 oktober daarentegen wilde u onlangs in De afspraak niet bestempelen als misdaden tegen de menselijkheid.

Abou Jahjah: “Dat moet onderzocht worden.”

Dat zijn toch twee maten, twee gewichten?

Abou Jahjah: “Alles moet onderzocht worden, maar ik heb mijn duidelijke mening over wat er aan de gang is.”

Waarom kan u niet erkennen dat wat Hamas aanrichtte op 7 oktober ook volstrekt misdadig was?

Abou Jahjah: “Misdaden tegen de menselijkheid, dat heeft een heel specifiek juridische invulling. Ik wil zeker erkennen dat er oorlogsmisdaden gepleegd zijn op 7 oktober. Men schuift ook alles in de schoenen van Hamas, maar er zijn die dag verschillende milities en militaire fracties uitgerukt. Ik vind dat dat eerst moet worden onderzocht.”

AlDe’emeh: “In bijna elk gewapend conflict worden oorlogsmisdaden gepleegd. Dat is heel erg. Maar het verschil tussen een oorlogsmisdaad en een misdaad tegen de menselijkheid is dat er bij dat laatste een duidelijke instructie vanuit het beleid is tot veralgemeende en stelselmatige aanvallen tegen de burgerbevolking.”

Bent u er dan zo zeker van dat Hamas die niet gegeven heeft?

AlDe’emeh: “Tot nog toe is er geen bewijs dat de leiding van Hamas heeft bevolen om Israëlische burgers te doden. Dat is wel anders bij het Israëlische leger: daar heb je heel duidelijk die chain of command. Wat Hamas heeft gedaan was een militaire operatie waarbij ook burgers om het leven zijn gekomen.”

Een festival val je niet binnen omdat je soldaten viseert.

Abou Jahjah: “Ze hebben dat niet aangevallen. Ze wisten niet dat het festival daar was. Ze zijn daar geland, er was een vuurgevecht.”

AlDe’emeh: “Ik ben in Gaza geweest. Ik ken Hamas. Hamas had twee doelen: één, het uitschakelen van de militaire capaciteiten rond de Gazastrook. Twee, zoveel mogelijk burgers en soldaten meenemen naar Gaza om te ruilen voor Palestijnen die in de gevangenissen wegkwijnen. Die doelen zijn bereikt.”

Hoor ik jullie Hamas nu verdedigen?

AlDe’emeh: “Ik verdedig de psychologie van de Palestijnen. Mocht ik in Gaza geboren zijn en de afgelopen decennia tal van oorlogen meegemaakt hebben, opgesloten zitten achter een muur en ontzilt zeewater moeten drinken, ik zou u niet kunnen garanderen dat ik vandaag geen Hamas-strijder was geweest. Misschien had ik zelfs nog harder gereageerd. Eerlijk, voor sommige Palestijnen is Hamas nog veel te lief.”

We hebben het hier over een erkende terreurorganisatie.

Abou Jahjah: (smalend) “Erkend door wie? Die terroristische lijst van het Westen, van Europa en de VS, is een belachelijke lijst. Ik lig daar niet waker van. De eersten die daar moeten opstaan zijn de VS zelf en het VK zelf. Voor de oorlog van 2003 in Irak.”

AlDe’emeh: “Als je de criteria van die lijst volgt was George Washington ook een terrorist.”

Abou Jahjah: “De kwalificatie terrorisme is meestal een politieke kwalificatie. Voor de ene is iemand een terrorist, voor de andere is hij vrijheidsstrijder. Die terroristenlijst is gewoon een grapje voor mij. Ik heb dat nooit serieus genomen.”

AlDe’emeh: “Als Colin Powell, George W. Bush, Condoleezza Rice mij een terrorist zouden noemen, zou ik dat beschouwen als een compliment. Omdat zij Irak hebben kapotgeschoten. Zij hebben er mee voor gezorgd dat IS geboren is. Zij hebben hele Midden-Oosten gedestabiliseerd.”

Abou Jahjah: ‘Als Israël een leefbare tweestatenoplossing aanvaardt, dan is dat voor mij einde van de oorlog. Dan zullen wij met vreedzame middelen voortstrijden voor één Palestina.’ Beeld Aurélie Geurts
Abou Jahjah: ‘Als Israël een leefbare tweestatenoplossing aanvaardt, dan is dat voor mij einde van de oorlog. Dan zullen wij met vreedzame middelen voortstrijden voor één Palestina.’Beeld Aurélie Geurts

Deze week werd in Beiroet de nummer twee van Hamas uitgeschakeld door een droneaanval. U noemde hem op X een Palestijns leider, meneer Abou Jahjah. Terwijl er nu toch al drie maanden op gehamerd wordt dat Hamas niet gelijk is aan ‘de Palestijnen’?

Abou Jahjah: “Dat is ook niet zo. Hamas is wel de belangrijkste verzetsbeweging van de Palestijnen en men erkent en eert het verzet. Dat is een dynamiek die Europeanen trouwens heel goed kennen, het verzet eren. Maar dat Europese verzet gebruikte ook bommen, saboteerde systemen, schakelde vijanden uit. Dat is typisch Europa: alleen hun verzet is gerechtvaardigd.”

Israël waarschuwt dat Hamas ook bij ons aanslagen zal plegen. Hoe groot acht u die kans?

AlDe’emeh: “Ach, dat is propaganda. Hamas heeft dat doel niet. Je hebt hier sympathisanten, zeker wel. Maar Hamas zal geen opdracht geven tot het plegen van aanslagen in België. IS deed dat wel, maar Hamas is het te doen om Palestina.”

Abou Jahjah: “Voor mij is Islamitische Staat trouwens klein bier in vergelijking met Israël. IS was gruwelijk en verwerpelijk, uiteraard. Maar dat kon je daarvan verwachten: dat was een bende gangsters, wat newborn moslims die uit de gevangenis ontsnapt waren. Maar Israël, dat is een VN-lidstaat die 10.000 kinderen vermoord heeft. Dat vind ik veel, veel gruwelijker en schokkender.”

IS klein bier noemen is anders ook niet min.

Abou Jahjah: “Ik zal het anders zeggen: wanneer Patrick Haemers een gewelddadige overval pleegt, dan ben ik niet verbaasd. Dat is een crimineel. Maar wanneer u dat doet, dan ga ik in shock zijn. En nog veel meer wanneer iedereen vervolgens zegt: oh, maar we kennen Ann, die lieve dame, het is oké.”

U heeft Joodse studies gevolgd, meneer AlDe’emeh, om de Joden te kunnen begrijpen. Begrijpt u dan ook hun reactie na 7 oktober?

AlDe’emeh: “Het is te gek voor woorden. Al 75 jaar is Israël bezig met kolonisatie, etnische zuivering, bezetting. Dan kan je toch gewoon niet verbaasd zijn dat er eens een tegenreactie aankomt? Ik zeg: mijn volk heeft nu het recht om te doen wat ze maar willen. Ik verwijs graag naar Norman Finkelstein (Amerikaans politicoloog en zoon van Holocaustoverlevers, AVB): het Palestijnse verzet is een morele plicht.”

Abou Jahjah: “Het internationaal recht zegt dat een bezet volk het recht heeft om tegen zijn bezetter te strijden. Volgens de Conventie van Genève: by all means available(schamper) Maar als ik schrijf ‘by any means necessary’, wat gematigder is, word ik ontslagen. (Abou Jahjah verloor zijn column bij ‘De Standaard’ na deze uitspraak, AVB)”

AlDe’emeh: “Dus als u vraagt: begrijp jij de Israëlische reactie? Totaal niet. Hoe zou ik ooit een etnische zuivering kunnen goedkeuren?”

Ik sprak enkele weken geleden met de Antwerpse Jood David Rosenberg. Hij was even emotioneel als u, alleen zag hij in 7 oktober het begin van een nieuwe Holocaust. Als de staat Israël ophoudt te bestaan, dan zijn wij onze levensverzekering kwijt, zegt hij.

AlDe’emeh: “Dat is propaganda. Dat is je echt wentelen in een slachtofferrol.”

Abou Jahjah: “Europa heeft haar problemen geëxporteerd naar de Midden-Oosten en dat is de start van hele probleem. Waarom heeft Duitsland na de Holocaust geen stuk land afgestaan aan de Joden? Dat was logisch geweest. Heel die argumentatie op basis van de Tweede Wereldoorlog kan wel een snaar raken bij Europeanen, ze voelen zich schuldig en terecht. Het is afschuwelijk wat er met de Joden gebeurd is. Maar wat hebben de Palestijnen daarmee te maken?”

AlDe’emeh: “Precies. Het gaat ons ook echt niet om Joden. Mocht de bezetter Amerikaans of Brits zijn, we waren even standvastig. Dit is geen geloofskwestie.”

Zijn jullie vandaag nog met iets anders bezig dan met het conflict?

Abou Jahjah: “Ik ben leerkracht, ik blijf mijn job doen, maar voor de rest ben ik met niets anders bezig.”

AlDe’emeh: “Ik volg de ontwikkelingen constant. Mijn familie aan vaderskant woont nog in kampen op de Westelijke Jordaanoever, in Nur Shams zijn constant invallen. In Far’a, in Tubas. Mijn moeder onderhoudt het contact met hen. Ze hebben geen zekerheid, je kan niets aan je kind beloven. Dat is heel moeilijk.

“Toen ik een deradicaliseringscentrum leidde, kreeg ik eens bezoek van een Amerikaanse diplomaat. ‘Onder andere dankzij jouw engagement hier zijn er minder aanslagen’, zei hij. Wel, waar zit de Amerikaanse ambassade nu? Waar zit Joe Biden? Ik meen dit uit de grond van mijn hart en ik hoop dat de Amerikaanse ambassade het ook leest: deze oorlog is een Amerikaans-Israëlische oorlog tegen ons. Zij leveren de wapens om ons te doden.

“Dat zijn dus de mensen die het de Palestijnen kwalijk nemen wanneer ze zich verzetten. Eerlijk, wanneer ik zie dat Palestijnen die volledig afgesloten leven van de wereld in staat zijn om raketten te bouwen die doelwitten bereiken 250 kilometer verderop, dan ben ik daar trots op.”

U snapt toch dat dat bijzonder radicaal overkomt wat u nu zegt?

AlDe’emeh: “Ik ben trots dat we ons uit alle macht verzetten, niet dat er doden vallen. Ik ben een heel gevoelige mens. Ik ben echt nooit gelukkig wanneer iemand sterft.”

Abou Jahjah: (fijntjes) “Theo Francken wel hoor. Goed nieuws, vond hij het, dat een Hamas-leider is vermoord. Ongelooflijk. Ik vind het zelf legitiem verzet wanneer een Israëlische soldaat sneuvelt, maar je zal me nooit horen juichen. Altijd iemand kind, altijd iemands vader. Oorlog is altijd een rotte zaak. En dan heb je zo’n pipo, die veilig vanuit God weet welk dorp hier zoiets gaat tweeten.”

AlDe’emeh: “Ach, Francken. Die heeft zijn ziel verkocht aan de zionisten.

“N-VA’ers hebben ooit gesprekken met mij gevoerd. Ik was toen maatschappelijk zeer actief, IS vormde een serieuze dreiging, ik had kritiek op bepaalde invullingen van de islam, en dat paste wel in hun kraam. Maar sinds enkele jaren heb ik heel goed gemerkt: N-VA is geen partij die diversiteit in al haar geledingen wil omarmen. Ze willen eigenlijk vooral mensen met een migratieachtergrond aanwerven met een bepaald trauma, die zich keren tegen hun eigen volk. Ken jij een praktiserend moslim bij N-VA? Een man met baard die vijf keer per dag bidt? Natuurlijk niet. De N-VA is een islamofobe partij, ze zijn bang van alles wat met de islam te maken heeft. Het feit dat je een moslim bent en je je verzet, maakt je in de ogen van N-VA al een terrorist.”

Abou Jahjah: “Ik denk dat de politieke partijen die flagrant pro-Israël zijn, dat electoraal gaan betalen. Niet alleen door de moslimkiezers, ik merk dat vooral ook bij de autochtone bevolking. Ik denk dat men enorm onderschat bij hoeveel mensen hun frank gevallen is.”

U gaat zelf ook weer deelnemen aan de verkiezingen, met Viva Palestina deze keer, uw zoveelste project.

Abou Jahjah: “Maar niet met de bedoeling om te gaan praten over mobiliteit of de kernuitstap. Wij zijn een activistische groepering en we willen proberen om mensen in het Brussels Parlement te krijgen om zo een resolutie te laten stemmen die de genocide in Gaza erkent. Dat is ons enige doel.

“Drie jaar geleden had ik nochtans beslist om te focussen op schrijven en lesgeven. Ik was boven de vijftig, ik had mijn deel als activist gedaan. Maar dan viel Israël Gaza binnen. Ik heb Rik Torfs gebeld en gezegd: ik kan niet meedoen aan een project waarin Palestina niet centraal staat (Abou Jahjah had plannen om met onder meer Torfs een nieuwe centrumpartij op te richten, AVB). Ik heb ook mijn schooldirecteur gebeld en gezegd: ik ga mijn leerlingen niet in de steek laten, maar be aware, want ik kan nu niet zwijgen.”

AlDe’emeh: “Ik vind dat heel mooi.”

Abou Jahjah: ‘Hamas is niet gelijk aan de Palestijnen maar het is wel de belangrijkste verzetsbeweging van de Palestijnen en men erkent en eert het verzet. Die dynamiek kende men in Europa ook.’ Beeld Aurélie Geurts
Abou Jahjah: ‘Hamas is niet gelijk aan de Palestijnen maar het is wel de belangrijkste verzetsbeweging van de Palestijnen en men erkent en eert het verzet. Die dynamiek kende men in Europa ook.’ Beeld Aurélie Geurts

Hebben jullie eigenlijk nog hoop voor de Palestijnen?

AlDe’emeh: (knikt heftig) “Ik heb gisteren tegen mijn familieleden gezegd: zet u op uw gemak, uw voeten in warm water en kijk hoe het gaat gebeuren. We moeten hoop hebben dat wij terug zullen keren naar onze dorpen. Ik ben niet iemand die graag voorspelt, maar ik hoop, ik denk dat de weg terug voor de zionistische entiteit ingezet is. Ik denk dat het verhaaltje van de staat Israël vroeg of laat gedaan is.”

De daden van Israël mogen dan door een aantal landen al wel streng veroordeeld worden, de internationale gemeenschap tornt toch hoegenaamd niet aan het bestaan van de staat Israël?

Abou Jahjah: “Dat gaat komen. De enige manier waarop de staat Israël zal overleven, is wanneer er een vredesdeal komt. Maar wanneer Israël zo’n brute macht blijft ontplooien, zal die staat niet overleven. Er is een generationele shift aan de gang. De generaties na ons zijn nog veel radicaler. Ik merk dat aan mijn eigen dochters. Coca-Cola komt er bij ons niet meer in, hun eis. Het is nu Everyday Cola van de Colruyt, niet te drinken, maar het is zuiver. (lacht)

“Serieus: wat gaat komen gaat zoveel groter zijn dan wat geweest is. De Nakba heeft Fatah gecreëerd. De Intifada heeft Hamas gecreëerd. Wat uit deze genocide gaat komen, gaat dat allemaal overstijgen. Dat gaat next level shit zijn, zou Adil El Arbi zeggen.

AlDe’emeh: “Voor mij was 2023 het jaar van de wederopstanding van de Palestijnen en van Palestina. 2024, dat wordt het jaar van het voortdurende verzet.”

Montasser AlDe’emeh

  • – geboren in 1989 in een Palestijns vluchtelingenkamp
  • – groeide op in Baardegem bij Aalst
  • – studeerde Arabistiek en islamkunde (KU Leuven), en Joodse studies (ULB)
  • – richtte een anti-radicaliseringscentrum op om Syrië-strijders te bekeren
  • – is auteur en als onderzoeker verbonden aan de KU Leuven en UGent

Dyab Abou Jahjah

  • – geboren in 1971 in Hanine, Libanon
  • – kwam in 1991 op zijn 19de naar België
  • – studeerde politieke wetenschappen aan de UCL
  • – oprichter van onder andere AEL, Movement X, Be.One en 30 Maart Beweging
  • – activist en leraar geschiedenis, Frans en Engels aan een atheneum

Wat bezielt de bisschop ?

Bonny en Baert: over Gaza

Denis Baert (l) en Johan Bonny (r)

Vorige week stond er een spontaan geschreven opiniestuk van Johan Bonny (bisschop van Antwerpen) in De STANDAARD (DS 9 november). Hij richt zich tot zijn ‘Joodse vrienden’ en spelt hen de les over de ‘God van de Bijbel’. Niet eens tussen de regels door, maar expliciet verwijt hij zijn ‘Joodse vrienden’ (wie zijn dat? zo vroeg ik me af) dat zij hun heilige Geschriften helemaal verkeerd interpreteren. Gelukkig – zo vervolgt de bisschop – zijn er verlichte christenen die wel weten wat de God van de Bijbel eigenlijk wil. Dus verklaart hij ex cathedra wat ‘sinds Christus’ dood en verrijzenis’ het Oude Testament nog wel en niet kan zeggen. Los van de inhoud: Het is schokkend deze vorm van christelijk superioriteitsdenken (“God, ik dank u dat ik niet ben zoals…”) in de 21ste eeuw nog te moeten lezen, en dan nog wel vloeiend uit de pen van de bisschop van Antwerpen. Deze ‘substitutie-theologie’ (de kerk is in de plaats van Israel gekomen) was eeuwen lang de basis van het kerkelijk anti-judaïsme, dat op zijn beurt zowel openlijk als onderhuids het anti-semitisme aanwakkert.

Gelukkig stond er in De STANDAARD van vandaag (DS 13 november) een weerlegging door Denis Baert. Voor t geval u dit niet kunt lezen. Hier de tekst.

Wil Johan Bonny eigenlijk wel joodse vrienden?

Johan Bonny haalt de oude registers van christelijke Jodenhaat weer boven en dat is gevaarlijk, vindt Dennis Baert.

Dennis Baert (Instituut voor Joodse Studies Universiteit Antwerpen).

13 november DE STANDAARD

Johan Bonny schrijft dat hij niet langer kan zwijgen over Gaza tegen zijn joodse vrienden (DS 9 november). Even lijkt het alsof hij zijn afschuw wil uiten over het geweld in Gaza. Dat hij dat verschrikkelijk vindt, zal niemand hem verwijten. Maar dan blijkt dat hij iets heel anders op het oog heeft dan de humanitaire crisis in Gaza en het onderliggende politiek-militaire conflict tussen Israël en Hamas. Hij heeft het niet over politiek maar over godsdienst. En meer bepaald over hoe joden en christenen van elkaar verschillen. In zijn visie is het jodendom een nauwe, uitsluitende godsdienst, een godsdienst van ‘gewelddadige recuperatie en militaire uitbreiding’. Daartegenover zet hij het christendom als godsdienst ‘van Gods liefde en Gods redding’ met als kern ‘de universaliteit van het heil’.

De bisschop van Antwerpen schrijft dus dat het conflict tussen Israëli’s en Palestijnen te wijten is aan het jodendom zelf. Zo beweert hij dat joden en Israëli’s (een onderscheid dat hij niet maakt) op genocide uit zijn: ‘De kinderen moeten dood. De jongeren moeten weg. (…) En na Gaza zal de Westelijke Jordaanoever volgen.’ Meer nog, blijkbaar zijn de Joden zo genocidair dat ze zaten te wachten op een ‘ideaal alibi’ en dat op 7 oktober vonden in de martelingen, verminkingen, massaverkrachtingen en de moedwillig wrede moorden op meer dan duizend Israëlische bejaarden, kinderen, vrouwen en mannen (waar hij eufemistisch naar verwijst als een ‘voorspelbare ontploffing’). Die formulering is obsceen, en het is moeilijk te begrijpen dat iemand die zó over joden denkt, überhaupt joodse vrienden wil.

Aanzienlijke schade

Een reactie is hier dus wel op zijn plaats. Bonny getuigt om te beginnen van weinig kennis over het jodendom. De joodse traditie heeft nooit nood gehad aan de dood en verrijzenis van Christus om te beseffen dat ‘de God van Israël de vader is van alle mensen’. De universaliteit van de menselijke waarde vanuit de schepping van de mens in Gods evenbeeld behoort tot de oudste joodse leerstellingen, eeuwen ouder dan het christendom. Ja, de joodse traditie denkt anders over de verhouding van universaliteit en particulariteit dan christelijke tradities doorgaans doen. Daar zitten we inderdaad niet op hetzelfde spoor. In de joodse traditie ligt het gehele mysterie van het mens-zijn in het feit dat we als mens allemaal verbonden zijn en toch van elkaar verschillen. Het is deels daarom dat joden niet eeuwenlang in naam van de ‘universaliteit van het heil’ hebben geprobeerd iedereen op aarde, van andersgelovigen tot gekoloniseerde volkeren, goedschiks of kwaadschiks, te vuur en te zwaard, te bekeren.

In enkele alinea’s berokkent Bonny aanzienlijke schade aan ruim zestig jaar joods-christelijke dialoog en verzoening. Hij gebruikt tal van clichés uit de lange geschiedenis van christelijk anti-judaïsme: ‘de joden’ die door hun weigering Christus te erkennen verblind zijn en de eigen teksten onjuist interpreteren, ‘de joden’ die hun verbond met God verloren hebben nu de christenen de ware universele draagwijdte van dat verbond begrijpen, ‘de Joden’ met hun materiële wetten versus de spirituele liefde van de christenen, ‘de Joden’ die wachten op het juiste moment om kinderen te vermoorden.

Christelijke jodenhaat

Sinds het Tweede Vaticaanse Concilie heeft de rooms-katholieke kerk die bladzijde radicaal omgeslagen. Nostra Aetate (1965) is het begin geweest van een vruchtbare dialoog waarin joden en rooms-katholieken hebben samengewerkt om vooroordelen over elkaar te overstijgen en elkaar niet langer te demoniseren.

Bonny wijst die dialoog kennelijk van de hand. Het is kwalijk, onverantwoordelijk en zelfs gevaarlijk hoe hij op een moment dat antisemitisme wereldwijd hoogtij viert, de oude registers van begraven christelijke jodenhaat weer bovenhaalt. Niemand heeft hem gevraagd te zwijgen. Maar alle goedmenende joden en christenen hadden van hem verwacht dat hij niet zou vervallen in een theologie van demonisering en collectieve schuld die joden alhier in België nog meer in gevaar brengt.

Medeondertekend door Vivian Liska (Instituut voor Joodse Studies, Universiteit Antwerpen) en Theodor Dunkelgrün (Departement Geschiedenis, Universiteit Antwerpen).