παρὰ θῖνα θαλάσσης / para thina thalasses

Homerus, Ida, en Ezra


παρὰ θῖνα θαλάσσης

Drie woorden slechts van Homerus, — 
               o hóór het kantelen en ruisen
dat er in schuilt; — als een kind
               dat gelovig de schelp aan het oor legt.
Hoorde ge eigenlijk nooit
               dat komen en gaan, gaan en komen:
hoorde ge eigenlijk nooit
               de zee in het vers van Homerus?


Gedicht van Ida Gerhardt (uit De zomen van het licht, 1983 — titel van de bundel verwijst naar De rerum natura van Lucretius. Afdeling in de bundel: een naam in schelpen)


1.
Para thina thalasses” (Grieks: παρὰ θῖνα θαλάσσης) is een beroemde uitdrukking uit de klassieke literatuur en betekent letterlijk “langs het strand van de zee“. De tekst komt uit de Ilias van Homerus (Boek 1, vers 34), Vollediger (maar nog niet compleet, zie onder Homerus) luidt de versregel para thina poluphloisboio thalasses (παρὰ θῖνα πολυφλοισβοῖο θαλάσσης.)
Het woord poluphloisboio (luid-ruisend) wordt vaak gebruikt in het onderwijs om uit te leggen wat een onomatopae is (klanknabootsing): Spreek het uit, en je hoort het rollen en breken van de golven op het strand. Het is bijvoeglijk naamwoord bij thalasses (zee). In moderner grieks zou de uitgang niet ‘oio’ maar ‘ou’ zijn, en is het effect weg.
Onbedoeld of bedoeld —dat weet ik niet— laat Ida Gerhardt (1983) net dat woord weg en vraagt in het gedicht aan de hoorders toch of ze de zee horen ‘kantelen en ruisen’. Door de weglating hoor/voel ik nog wel de golven (dat zullen dactylussen (dactyloi?) zijn die zich na de cesuur (na thina) zo mooi neerleggen in het woord thalasses)… maar ik hoor de branding van poluphloisboio niet meer… φλοῖσβος (phloisbos) = bruisend.

2.
Origineel is Ida niet: In Mœurs Contemporaines (1919) gebruikte Ezra Pound het bij Ida ontbrekende woord in een engels gedichtje, met daaronder de volledige Griekse frase: “Para thina poluphloisboio thalasses”. De context bij Ezra is wel iets uitbundiger dan bij Ida


VI
Stele

After years of continence
           he hurled himself in a sea of six women.
Now, quenched as the brand of Meleagar,
           he lies by the poluphloisboious sea-coast.

παρὰ θῖνα πολυφλοισβοῖο θαλάσσης

SISTE VIATOR.


Stele, rechtopstaande zuil.
Meleager, Grieks dichter van epigrammen (m.n. liefdesgedichten)
Siste viator: Sta stil, reiziger (in de Romeinse tijd vaak als epitaaf op grafmonumenten),

3.
En ja, dan nu Homerus. De zinsnede komt het begin van de Ilias, het griekse epos over de wrok van Achilles. De zin is het kantelmoment in de introductie. Degene die langs het strand loopt en de branding van de zee hoort bulderen in zijn oren is de oude priester Chryses. Hij komt net bij Agamemnon vandaan, de aanvoerder van het Griekse leger dat voor Troje (Ilium) ligt. Hij kwam zijn dochter vrijkopen (buitgemaakt toen de Grieken Thebe hadden ingenomen), hij had het losgeld bij zich. Alle Griekse vorsten waren akkoord lezen we bij Homerus, enkel Agamemnon niet. Die snauwt de grijsaard toe: “Ik laat haar niet gaan, nooit. She is mine! Weven kan ze, in mijn huis, delen zal ze, mijn bed. En nu wegwezen jij, als je leven je lief is!”

Zo sprak hij en de grijsaard werd bang en gehoorzaamde het bevel
Zwijgend ging hij langs het strand van de
polu-phloisboio zee,

Ὣς ἔφατ᾿, ἔδεισεν δ᾿ ὃ γέρων καὶ ἐπείθετο μύθῳ·
βῆ δ᾿ ἀκέων παρὰ θῖνα πολυφλοίσϐοιο θαλάσσης·

Een cruciaal moment, deze stille tocht langs de bruisende zee, want als het kamp van de Grieken in de verte verdwijnt, staat Chryses stil, en schreeuwt het uit tot Apollo (‘roept hem aan’). HIj smeekt hem om de Grieken te straffen, het onrecht/de schande hem en zijn dochter aangedaan te wreken. Welnu, Apollo laat geen bidder staan, en zal via de wrok van Achilles het Griekse kamp grote schade toebrengen. Ja, zo gaat dat.

Voor de liefhebbers, nog drie officiële vertalingen van deze twee hexameters. Eerst de klassieke (ook in dactylische hexameters, ja!) van H.J. de Roy van Zuydewijn (1980/1993), dan een totaal andere vertaling van Patrick Lateur, die de jambische pentameter kiest, zonder rijmdwang (2010).

De Roy van Zuydewijn
Ga en prikkel me niet, zodat je veilig naar huis keert!’
De oude werd bang van dat woord en deed zoals hem gezegd werd.
Stil ging hij heen langs het strand en de luid omstortende branding.

Patrick Lateur
Ga weg en terg me niet, wanneer je toch
nog veilig en behouden thuis wil komen.’
De oude man was bang en gaf gehoor
aan het bevel. Stilzwijgend liep hij langs
de oever van de zee. De branding bruiste.

Imme Dros
Maak dat je wegkomt en erger me niet als je leven je lief is,’
zei hij. De oude man werd bang en deed wat gezegd werd.
Stilletjes sloop hij langs de rusteloos ruisende zee weg,


Leesfragment (website Athenaeum/Scheltema)

[bron: https://athenaeumscheltema.nl/leesfragmenten/archief/2010/ilias]

Eerste zang
De wrok van Achilles

Aanroeping van de Muze

De wrok, godin, van Peleus’ zoon Achilles
moet u bezingen. Hij was dodelijk,
bracht voor Achaiërs rampspoed zonder einde
en stuurde naar de Hades vele schimmen
van forse helden; lijken werden voer
voor honden en voor vogels allerhande.
Maar zo voltrok zich het besluit van Zeus.
Begin vanaf de dag toen twist een breuk
bracht tussen Atreus’ zoon, bevelhebber
van krijgsvolk, en de godlijke Achilles.

Pest in het kamp van de Achaiërs

Maar wie toch van de goden dreef die twee
tot twist en strijd? De zoon van Zeus en Leto.
Verbolgen op de vorst had hij een ziekte,
de pest, verwekt in heel het legerkamp. 10
De krijgers stierven één voor één. De zoon
van Atreus had zijn priester zwaar beledigd,
toen Chryses met ontzaglijk losgeld kwam
tot bij de snelle schepen der Achaiërs.
Hij dacht zijn dochter daarmee vrij te kopen.
Een gouden scepter droeg hij in de hand
waarrond de wollen hoofdband van Apollo,
de god die treft van verre, was gebonden.
Hij smeekte alle Danaërs, het meest nog
de twee Atriden, leiders van het krijgsvolk:
‘Zonen van Atreus en ook u, Achaiërs
met sterke scheenplaat, voor u wens ik dat
de goden die op de Olympos huizen,
u de verwoesting gunnen van de stad
van Priamos en een behouden thuiskomst.
Maar laat mijn dochter vrij, aanvaard het losgeld 20
en heb ook eerbied voor de zoon van Zeus,
de godheid die van verre treft, Apollo.’

Toen juichten alle Danaërs dat toe
en stemden ermee in de priester te
ontzien, het prachtig losgeld aan te nemen.
Dat was niet naar de zin van Agamemnon,
de zoon van Atreus. Smadelijk joeg hij
hem weg. Brutaal en bars klonk zijn bevel:
‘Jij, oude vent, ik wil je nooit meer zien
nabij de holle schepen! Of je nu
blijft dralen of nadien nog eens terugkomt:
je scepter en de hoofdband van jouw god
beschermen jou dan zeker niet. Want haar
laat ik niet vrij! Nog eerder zal de oude
dag haar in mijn paleis in Argos vinden, 30
ver van haar vaderland, terwijl zij daar
het weefgetouw bedient, met mij het bed deelt.
Ga weg en terg me niet, wanneer je toch
nog veilig en behouden thuis wil komen.’

De oude man was bang en gaf gehoor
aan het bevel. Stilzwijgend liep hij langs
de oever van de zee. De branding bruiste.
En toen de grijsaard zich verwijderd had,
klonk vurig zijn gebed tot heer Apollo,
de zoon van Leto met de mooie lokken:
‘Aanhoor me, godheid met de boog van zilver,
die het hoogheilig Killa, de stad Chryse
beschermt en machtig heerst op Tenedos,
god Smintheus. Als ik tot uw vreugde ooit
een tempel van een dak voorzag of ooit
van stieren en van geiten vette schenkels 40
voor u verbrandde, wil dan deze wens
voor mij vervullen: dat de Danaërs
nu door uw pijlen boeten voor mijn tranen.’

Zo bad hij. Foibos heeft hem toen verhoord.
Apollo’s hart was toornig en hij liep
van de Olympostoppen naar beneden
met rond zijn schouders boog en koker, dicht
langs beide kanten. Pijlen rammelden
zodra hij woedend in beweging kwam.
Hij kwam zoals de nacht en zette zich
ver van de schepen neer en schoot een pijl af.
Een vreselijke klank kwam uit de boog
van zilver. Muildieren en snelle honden 50
bestookte hij het eerst, maar richtte dan
zijn scherpe pijlen op de krijgers: telkens
raak. Laaiend van de lijken brandden toen
ononderbroken niet te tellen stapels.

Kalchas’ godsspraak

Apollo’s pijlen kwamen negen dagen
lang op het scheepskamp neer. De tiende
dag riep Achilles de soldaten samen.
Want die gedachte was hem ingefluisterd
door Hera, de godin met blanke armen.
Zij was bezorgd, omdat zij toe moest zien
hoe de Argeiërs sneuvelden. Toen allen
verzameld waren in vergadering,
verhief Achilles met de snelle voeten
zich in hun kring en nam het woord tot hen:
‘Atride, onze onderneming faalt,
zo denk ik nu, wij moeten weer naar huis,
als wij tenminste aan de dood ontkomen, 60
want pest en oorlog zullen tegelijk
de Danaërs doen vallen. Kom, wij moeten
een ziener vragen of een priester of
een droomverklaarder – ook de droom gaat uit
van Zeus. Hij moet ons zeggen wat Apollo
zo woedend maakte: is hij ontevreden
om het verzuim van een gelofte of
een plechtig offer? Wellicht wil hij walm
van vlekkeloze lammeren en geiten
aanvaarden en ons voor verderf behoeden?’

Zo sprak hij en ging zitten. In hun midden
verhief zich Kalchas, zoon van Thestor, ziener
van al wat is, zal zijn en er ooit was, 70
veruit de beste vogelwichelaar.
Dankzij de zienersgave die Apollo
hem had gegeven, wees hij ooit de weg
naar Troje voor de vloot van de Achaiërs.
Bedacht op hun belang nam hij het woord:
‘Achilles, lieveling van Zeus, jij vraagt mij
de wrok van de trefzekere Apollo,
mijn meester, te verklaren. Wel, ik doe het.
Maar jij moet luisteren en mij dan zweren
dat jij bereid bent me met woord en daad
te helpen. Ja, ik weet dat ik de toorn
zal wekken van een man die over alle
Argeiërs machtig heerst en naar wie wordt
geluisterd door Achaiërs. Als een vorst
vertoornd is op een mindere, blijft hij 80
de sterkste. Want hij mag zijn woede wel
dezelfde dag verbijten, toch bewaart hij
die wrok voor later in zijn borst, totdat
hij hem gekoeld heeft. Overweeg nu eerst
of jij kunt borg staan voor mijn veiligheid.’

Hem gaf Achilles met de snelle voeten
als antwoord: ‘Wees gerust, vat moed en zeg
maar wat de godsspraak jou heeft ingegeven.
Want bij Apollo, die door Zeus geliefd is,
tot wie jij, Kalchas, bidt als jij orakels
voor de Argeiërs openbaart, ik zweer:
zolang ik leef en zonlicht zie op aarde –
aan jou zal niemand bij de holle schepen
zijn zware handen slaan, niet één van alle
Achaiërs, zelfs al noem je Agamemnon, 90
die zich erop beroemt dat hij nu veruit
de machtigste van de Argeiërs is.’

De onberispelijke ziener vatte
toen moed: ‘Apollo is niet ontevreden
om het verzuim van een gelofte of
een plechtig offer, maar omdat zijn priester
door koning Agamemnon werd beledigd:
zijn dochter kwam niet vrij, de vorst aanvaardde
geen losgeld. De trefzekere Apollo
zond daarom rampspoed en er volgt nog meer.
Hij zal dat smadelijk verderf niet weren
van de Argeiërs, vooraleer het meisje
met levendige ogen aan haar vader
teruggegeven wordt, maar zonder koopsom
nu, zonder losgeld, en vóór wij naar Chryse
een heilig offer sturen. Dan eerst kunnen
wij hem misschien verzoenen en vermurwen.’ 100

De twist

Zo sprak hij en ging zitten. In hun midden
verhief zich toen de held, de zoon van Atreus,
de wijd en zijd heersende Agamemnon.
Hij was gegriefd, zijn geest geheel gehuld
in duister en vervuld van woede, ogen
had hij als vonken vuur. Eerst keek hij boos
naar Kalchas en hij zei: ‘Onheilsprofeet!
Nog nooit voorspelde jij iets in mijn voordeel.
Je vindt altijd plezier in het voorspellen
van ongeluk. Nog nooit heb jij iets goeds
gedaan of uitgesproken. En ook nu weer
verklaar je in het openbaar een godsspraak
voor de Achaiërs: de Trefzekere
zou dáárom rampspoed brengen over hen 110
omdat ik voor het meisje, Chryses’ dochter,
geen schitterende losprijs wou aanvaarden.
Natuurlijk dat ik haar veel liever thuis hou!
Want ik verkies haar boven Klytaimnestra,
mijn legitieme vrouw. Zij hoeft niet onder
te doen voor haar in schoonheid en gestalte,
noch in verstand en handwerk. Toch wil ik haar
teruggeven, als dat het beste is.
Want ik verkies het welzijn van mijn krijgsvolk
boven zijn ondergang. Achaiërs, jullie
bezorgen mij terstond een eergeschenk,
opdat ik niet als enige Argeiër
hier zonder eergeschenk zal staan. Want zoiets
is onbehoorlijk. Elkeen ziet hoe mij
het eergeschenk verloren dreigt te gaan.’ 120

Toen gaf Achilles met de snelle voeten
hem antwoord: ‘Roemrijke Atride, jij bent
van allen de hebzuchtigste! Hoe kunnen
de fiere Danaërs een eergeschenk
aan jou bezorgen? Nergens kennen wij
nog grote buit die onverdeeld bleef liggen.
De buit uit de verwoeste steden is
verdeeld en het betaamt niet dat het krijgsvolk
die dingen op een hoop weer samenbrengt.
Laat jij haar nu uit eerbied voor de godheid
gaan. Driemaal, viermaal zullen wij, Achaiërs,
jou wel vergoeden, mochten wij door Zeus
het goed ommuurde Troje ooit verwoesten.’

De heerser Agamemnon gaf ten antwoord: 130
‘Hoe dapper jij ook bent, godengelijke
Achilles, huichel toch niet zo. Je zult
me niet te slim af zijn, noch overtuigen.
Wil jij, om zelf je eergeschenk te houden,
dat ik hier zomaar zit met lege handen?
Verzoek jij mij haar dáárom weer te geven?
Mij goed, wanneer de fiere Danaërs me
een eergeschenk bezorgen naar mijn zin
en met dezelfde waarde. Geven zij
het niet, dan kom ik zelf een eergeschenk
ophalen, dat van jou of dat van Ajas,
of neem ik dat van Odysseus maar mee.
Ja, wie ik opzoek, zal heel toornig worden.
Komaan, dat alles zullen wij wel later 140
nog eens bespreken. Wat nu moet gebeuren:
een zwart schip trekken in de zee vol glinsters
en het bemannen met een keur van roeiers,
aan boord de hecatombe brengen én
Chryseïs, meisje met de mooie wangen.
Eén iemand uit de krijgsraad neemt de leiding,
Idomeneus of Ajas, Odysseus,
de godlijke, of jij, Pelide, meest
geduchte van ons allen, in de hoop
de god die uit de verte treft, met ons
weer te verzoenen door een heilig offer.’

Achilles met de snelle voeten keek
hem dreigend aan en zei: ‘Ach, wat!? Jij, vat
vol onbeschaamdheid. Jou drijft winstbejag.
Hoe wil je dat nog iemand der Achaiërs 150
van harte luistert naar wat jij beveelt,
hetzij een expeditie wacht, hetzij
hij dapper tegen mannen moet gaan vechten?
Ik ben toch niet omwille van Trojaanse
lanszwaaiers hier gekomen voor een oorlog.
Zij hebben niets misdreven tegen mij.
Nooit hebben zij mijn koeien of mijn paarden
gestolen, nooit vernielden zij mijn oogst
in het vetkluitig, mannenvoedend Fthia.
Er liggen tussenin talloze bergen
vol schaduw en een zee met luide galm.
Nee, jou zijn wij gevolgd, voor jouw plezier,
jij die totaal geen schaamte kent. Hondsvot,
voor jou en Menelaos willen wij
van de Trojanen eerherstel verkrijgen.
Maar niets daarvan bekommert jou, het deert 160
je niet. Nu dreig je mij zelfs eigenhandig
mijn eergeschenk, waarvoor ik veel doorstond
en dat de zonen der Achaiërs mij
geschonken hebben, te ontnemen. Nooit
krijg ik een evenwaardig eergeschenk
als de Achaiërs een welvarende
Trojaanse stad verwoesten. Maar mijn handen
zijn wel het meest van alle in de weer
in het onstuimig oorlogswerk. En wordt
de buit verdeeld, dan is jouw eergeschenk
veel groter. Met een klein ben ik tevreden,
vermoeid van vechten keer ik dan terug
naar onze vloot. Maar nu ga ik terug
naar Fthia. Echt, het is veel beter weer
naar huis te keren op gekromde schepen. 170
Voor jou hier rijkdommen in overvloed
verzamelen, terwijl ik in mijn eer
ben aangetast, dat ben ik niet van plan.’

De aanvoerder van krijgsvolk, Agamemnon,
gaf antwoord: ‘Vlucht maar, als je hart dat nu
verlangt. Ik smeek je niet voor mij te blijven.
Ik heb hier nog wel anderen om mij
te eren, allereerst de wijze Zeus.
Van alle koningen die afstammen
van Zeus, verfoei ik jou het meest. Altijd
hou jij van ruzie, oorlogen en vechten.
Ben jij heel sterk, dan is dat een geschenk
van goden, denk ik. Vaar maar met je schepen
naar huis, speel daar de baas over je volk
van Myrmidonen. Over jou maak ik 180
me niet bezorgd, ik geef niet om je woede.
Neem deze dreiging voor gezegd: nu Foibos
Apollo mij Chryseïs afneemt, stuur ik
haar met mijn eigen schip, mijn eigen mannen.
Maar zelf kom ik naar jouw verblijf en haal
Briseïs weg, jouw eergeschenk, het meisje
met mooie wangen. Jij moet goed beseffen
hoezeer ik jou hier overtref in macht.
Dat ook een ander er terug voor deinst
zich mijns gelijke te verklaren en
zich openlijk met mij gelijk te stellen.’

[…]

Copyright vertaling © 2010 Patrick Lateur/Athenaeum—Polak & Van Gennep, Singel 262, 1016 AC Amsterdam


De eerste verzen van Homeros’ Odyssee

05 augustus 2016, door Patrick Lateur
[bron: https://athenaeumscheltema.nl/vertalers/2016/de-eerste-verzen-van-homeros-odyssee-vertaald-door-patrick-lateur]

Na zijn Ilias-vertaling (2010) komt Patrick Lateur nu met de Odyssee – het tweede boek van de Westerse literatuur, over de terugkeer van de Griekse held Odysseus. Wij vroegen hem waarom hij Homeros’ openingsverzen heeft vertaald zoals hij ze heeft vertaald. Over iamben, woordvolgorde en alliteratie.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Lateurs Ilias-vertaling. En schreef Imme Dros voor ons over de laatste zin van haar Ilias-vertaling.

ἄνδρα μοι ἔννεπε, μοῦσα, πολύτροπον, ὃς μάλα πολλὰ
πλάγχθη …
De man van vele listen moet u, Muze,
voor mij bezingen. Hij zwierf zeer veel rond

De iambe, niet de hexameter

Lang vóór men zich ook maar waagt aan een vertaling van het eerste vers van een epos dat zo’n invloed heeft gehad op de Europese cultuur, moet men zich afvragen in welke vorm het homerisch epos zich het best laat vertalen en ook hoe je recht doet aan het woord dat de dichter in zijn ouverture met nadruk naar voren schuift. Beide vragen heb ik voor mezelf al moeten beantwoorden bij het vertalen van Homeros’ Ilias (Athenaeum, 2010).

Het vertalen van antieke poëzie lijkt me in hoge mate een vormprobleem te zijn. De vele versvormen die Griekse en Latijnse dichters hanteren zijn in hedendaagse Nederlandse poëzie amper of niet terug te vinden. Schwartz’ keuze (1951) om Homeros’ epen in proza weer te geven blijft verdedigbaar, want Homeros is een magistraal verteller. Maar de eerste dichter van het Avondland verdient het vooral in versvorm te worden omgezet. Liefst geen hexameter, want die versvorm werd in oorspronkelijke Nederlandse poëzie voor het laatst gebruikt door Bilderdijk. En dat is inmiddels twee eeuwen geleden. Een hedendaagse omzetting vraagt een evenwaardige versvorm, die geen geweld doet aan de inhoud van het origineel, noch aan de Nederlandse syntaxis of de geldende versvormen en -normen. De Franse filosoof Paul Ricoeur pleit in Sur la traduction (2004) voor een ‘équivalence sans identité’, een gelijkwaardigheid zonder gelijkheid. In die geest koos ik bij de omzetting van de homerische hexameter voor het blanke vers, dat in onze literatuur gebruikt wordt voor epische poëzie, zoals in Gorters Mei en de Interludiën van Karel van de Woestijne. Dit vijfvoetig jambisch vers leunt het dichtst aan bij het natuurlijk ritme van onze taal en blijkt ook bij voordracht uitstekend aan te sluiten bij de orale traditie van de homerische rapsoden.

De man, niet de muze

Het probleem bij de weergave van het allereerste woord van Ilias en Odyssee is van syntactische aard. De wrok (mènin) en de man (andra), die de respectievelijke thema’s vormen van Homeros’ epen, zijn telkens het lijdend voorwerp van een imperatief (aeide, ennepe) waarmee de zanger zich tot de godin, de muze richt. Zij moet voor de dichter, die zich als een medium voelt, de stof aanreiken en hem inspireren. In de oude talen is de woordpositie erg wendbaar omdat de uitgang de functie bepaalt, terwijl in moderne talen de plaats zelf de functie aangeeft. De originele woordvolgorde respecteren is geen evidentie, en toch moet men het proberen omdat Homeros in zijn ouverture van de Odyssee alle nadruk wil leggen op een man. Alle voorgaande vertalers openen met ‘Muze’ of met de imperatief van ‘(be)zingen’. Alleen W.E.J. Kuiper begint zijn fragmentarische vertaling van de Odyssee in de Klassieke Bibliotheek (1949) met ‘Hem…’ Ook anderstalige vertalingen openen meestal met de aanspreking of het verzoek, maar onder meer Chapman (1614-16), Bérard (1924) en Ferrari (2001) blijven dichter bij Homeros: ‘The man, O Muse…’ ‘C’est l’homme aux mille tours, Muse…’ ‘L’uomo dai molti percorsi, o Musa…’ Ik vond voor de ouverture van Ilias en Odyssee een oplossing in de weergave van de imperatief met het modale werkwoord ‘moeten’.

Vele listen, niet wegen

De man die het onderwerp vormt van de ‘Odyssee wordt niet onmiddellijk bij name genoemd, maar de toehoorders wisten onmiddellijk om wie het ging. Het epitheton ‘polytropos wijst op het ingenieus, vindingrijk, vernuftig karakter van de persoon. Net als die andere epitheta polymètis, polyfroon, polymèchanos. En dat kon alleen maar Odysseus zijn. Maar waar die andere adjectieven veelvuldig voorkomen (polymètis zelfs bijna honderd keer), komt polytropos verrassend genoeg slechts eenmaal terug, bij monde van Kirke: ‘Jij bent warempel Odysseus, / de man van vele listen’ (10.330). De vertaling ‘een man van vele ‘wegen’, die hoger te vinden is bij Ferrari en ook bij De Roy van Zuydewijn (1992), is een andere mogelijke interpretatie. Maar er moet daarbij wel worden opgemerkt dat Odysseus’ tocht niet het gevolg is van enige reis- of treklust, maar hem wel werd opgelegd door de omstandigheden en vooral door Poseidon.

In hetzelfde polytropos vraagt het eerste element van de samenstelling, een letterlijke vertaling, ‘van vele listen’. In de eerste vier verzen komt poly liefst viermaal voor (polytroponpolla in v.1 en als anafoor polloon en polla in vv. 3 en 4). Het ‘duizend’ van Dros (1991) klinkt mooi, maar verzwakt eigenlijk de beklemtoning van die veelvuldigheid.

In een eerdere versie, verschenen in een themanummer van Kunsttijdschrift Vlaanderen met plastisch werk van Koen Broucke (november 2012), is de woordvolgorde iets anders: ‘De man van vele listen, Muze, moet / u mij bezingen. Heel veel zwierf hij rond /…’ Uiteindelijk koos ik voor een zachter enjambement, hoewel in de vroegere versie de alliteratie Muze-moet sterker klinkt en ook de parataxe u-mij expressiever is. Vertalen is vaak weifelen.

Patrick Lateur publiceert als dichter, vertaler en bloemlezer. Hij vertaalde werk van onder meer Pindaros en epigrammendichters van de Anthologia Graeca, Ausonius en Benedictus, Da Vinci en Michelangelo. Voor zijn vertaling van Homeros’ Ilias ontving hij in 2013 de Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren.