Verzetsmonument van Wim Reyers

Waar het water tot de lippen stond
van het bijster maar weerbarstig land
steekt er nu uit de gewijde grond
ter herinnering een open hand.

Niet een vuist gebald tegen het lot,
niet de vingers tot een eed gestrekt,
enkel deze palm open en bloot,
weerloos, uit de doden opgewekt.

Enkel aan de allerlaatste grens
deze hand, de vingers uitgespreid,
al de machteloosheid van de mens
trots en teder, vol van majesteit.

J. W. Schulte Nordholt

uit: “Een wankel evenwicht” (1986)

Verzetsmonument (1947, gemaakt door Willem Reijers (1910-1958)) ter gedachtenis van de 10 mannen die op 11 april 1945 in Zijpersluis (dorpje in Noord-Holland) door de Duitsers geëxecuteerd werden als represaille voor een mislukte aanslag. Het verhaal van “de tien van Zijpersluis

Sillenstede

Een boerse, barse man, die ‘t vaandel schudt
en met de linkerhand met fors gebaar
de kleine Jona uit de walvis trekt,
de kleine Adam uit de dood opwekt,
de mensenkindren redt met huid en haar,
een God als Gulliver in Lilliput.

J.W. Schulte Nordholt, Contrafacten – gedichten op reis en thuis (Baarn, [1974]) p. 50-51

P.S. Het betreft een 13de eeuws marmeren doopvont in de Skt Florian Kirche in Sillenstede (Nordrhein-Westphalen). In de 16de eeuw is er een deksel opgezet (ook de inscripties stammen uit die tijd, als ik het goed begrijp). https://www.kirche-sillenstede.de/gemeinde/st-florian/taufstein

Paulinzella – kloosterruïne

Und ist ein grosses Wort vonnöten,
Mutter Natur, so gedenkt man deiner.
Hölderlin


Moeder Natuur, die wij met name noemen,
terwille van het woord, zegt Hölderlin,
het grote woord, want alles zou misschien
daarmee gezegd zijn, wolken, bomen, bloemen,

en een of ander onbestemd verlangen
dat taai en teder sinds de Romantiek
diep in de borstkas zit, melancholiek,
zoals een vogel in een kooi gevangen,

Moeder Natuur, hier is het pleit beslecht,
door strijd en vuur de mensendroom getuchtigd,
vrede hersteld, volmaakt en onbewogen,
voor bomen en voor bloemen weggelegd,
en al het andere voorgoed vervluchtigd,
de vogel uit de kooi omhoog gevlogen.

voor Gerrit Kamphuis

J.W. Schulte Nordholt, Contrafacten – gedichten op reis en thuis (Baarn, [1974]) p. 24-25

Gross Glockner

Voor Jan Wit


Een wereld waarin wit de regel is,
het wit der eeuwigheid, het wit des doods,
de mantel sneeuw die ‘t menselijk gemis
toedekt met tederheid, het oogwit Gods.

Want dat zou, zegt men, de bedoeling zijn,
dat wij gelouterd worden tot een wit
en stil bestaan, een zee van zonneschijn,
een niets, een hooggebergte zoals dit,

waar nog als rest van de voorbije tijd
in flarden hoop en hunkering en waan
een veld van witte wolken over glijdt
met schaduwen die door de diepten gaan.

Maar die vervluchtigen, wij keren weer
tot onze oorsprong, tot de zaligheid,
daar is geen lust en geen bewustzijn meer,
wij hebben alles, wij zijn alles kwijt.

Maar, vraagt een leerling, hoe wordt dat bedoeld,
wat voor een ijle zaligheid is dat
waar men niets voelt. Nee juist dat men niets voelt,
zegt Boeddha, is de allerhoogste schat.


J.W. Schulte Nordholt, Contrafacten – gedichten op reis en thuis (Baarn, [1974]) p. 38-39

Misschien goed om te weten dat Jan Wit blind was.

De lek bij Tienhoven

Alsof een sneeuwwit laken lag gespreid
over de donkre diepten van de droom
zo ligt in ‘t morgenlicht de brede stroom
van de rivier in al zijn zaligheid

van dijk tot dijk glanzende uitgestrekt,
alsof een witte vogel met de pracht
van zijn gespreide vleugelwijdte nacht
en duisternis voorgoed heeft toegedekt.

Vergeet vannacht, in helmelsnaam vergeet
de pijn van het verleden, alles is
voorbij gegaan en de geschiedenis
is overschaduwd met een bruiloftskleed.

Water des doods is water dat geneest
en op de diepe afgrond broedt de Geest.

J.W. Schulte NordholtContrafacten – gedichten op reis en thuis (Baarn, [1974].) p. 36-37

Contrafacten (Schulte Nordholt)

Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995) publiceerde in 1974 Contrafacten. In deze bundel staan prachtige (zelfgemaakte) zwart-wit foto’s op de linkerpagina. Daarnaast staat dan een gedicht, tegenover de foto: contra-factum. Beide zeggen hetzelfde, maar gebruiken een ander communicatiemedium. Een zeer geslaagd experiment, deze eigentijds variant op de eens zo geliefde ’emblemata’ gedichten.

De titel van elk gedicht is de locatie van de foto. Gebouwen, landschappen. Er zijn geen mensen te bekennen, maar toch gaat het over de mens, altijd. Dat rare intrigerende dubbelwezen. En over diens God. Ja, natuurlijk, want de Schepper van al is niet de mens.

Hieronder het gedicht waarmee de bundel opent.

Woord en beeld

Dankbaar voor het zonlicht van omhoog
ga ik door ‘t gezaaide van de geest,
en ik oogst met een aandachtig oog
wat mij altijd dierbaar is geweest.

En ik schrijf met een bezonnen pen
woorden van verwondering erbij,
omdat ik zo diep verbonden ben
met die wereld, zij weerspiegelt mij.

En zo keer ik door een spiegel heen
in het land terug waar woord en beeld
zijn verzoend en als geliefden één,
waar het leven niet meer is verdeeld

Een selectie

Avondhemel in Teignmouth

Alsof het in de horizon
niet eindigde maar pas begon,
zo is het westelijk vergezicht
doordrenkt van een ontembaar licht,
als lag daar in die zonnebrand
een ontoeganklijk zalig land
dat schaduwen op aarde werpt,
de tegenstellingen verscherpt,
opnieuw het licht van ‘t duister scheidt.
Zo vangt de eindeloze strijd
van kosmisch goed en kwaad weer aan,
en in de zilvren spiegels staan
in zwart getekend silhouet
de vissers van Gennesareth.

J.W. Schulte Nordholt


Akeback (Gotland)

Geduldig aan de deurpost de getuige
van eeuwen menselijke nijverheid.
Hij hakt een kleine holte in de tijd,
een uitzicht, zie: de eerste heidenen buigen

voor de gekruiste god, de eerste berken
worden geveld, een bedehuis verrijst,
waar men in boers Iatijn de hemel prijst.
En hout wordt steen en steen wordt witte kerken,

die in de donkere wouden van het eiland
oplichten zoals sterren in de nacht.
Zo hakt die kleine man met groot geduld
een holte in de tijd die hem omhult
en baant voor zich en voor zijn nageslacht
een weg van vrede naar de nieuwe heiland.

J.W. Schulte Nordholt

Een selectie

Laon

Hoog op de grafheuvel staan in het licht
als vaandels in de ochtend opgericht,
als menhirs op een oeroud dodenveld
in ringen van bezwering opgesteld,
als mensen uit het land van Henry Moore,
als grote godenbeelden van ivoor,
als tekens van een onvertaalde taal
de stille torens van de kathedraal.

Een oud geboomte dat geworteld is
in ondoorgrondelijke duisternis,
stug van gestalte, door de wind verweerd,
de zon getekend, diep geprofileerd,
weerbarstig staande in de trage tijd,
reikhalzend naar de zon der zaligheid.

J.W. Schulte Nordholt

J.W. Schulte Nordholt, Contrafactengedichten op reis en thuis (Baarn, [1974]) p. 12-13

Cahors

foto: J.W. Schulte Nordholt


De brug ligt tussen stad en land
over het water als een hand

die met de vingers uitgespreid
de oevers van elkander scheidt,

zo dwars en zo weerbarstig heet
zij welkom aan wie nader treedt

en vraagt met poort en toren naar
het wachtwoord van de wandelaar,

en geeft pas in haar spiegeling
een teken van vertedering.

Zo het gedicht dat evenzeer
een welkom is en een verweer,

dat waar het eindigt pas begint
dat scheidt en tegelijk verbindt,

een wachtpost aan de waterkant,
een brug, een uitgestoken hand.

J.W. Schulte Nordholt, Contrafactengedichten op reis en thuis (Baarn, [1974].) p. 6-7