Zingen met de engelen

De doortocht door het dodenrijk en de verrijzenis van Christus volgens de codex Gisle (ca. 1300)

De R van resurrexi (begin van de introïtus van de Paasmis) in de codex Gisle (liturgisch gezangenboek ca. 1300 – afkomstig uit het vrouwenklooster te Rulle, nu in Diözesanarchiv te Osnabrück: Manuscript 101.)
click to enlarge.

Een kapitaal miniatuurtje

De hierboven afgebeelde, vergulde en met twee miniatuurtekeningen verluchte hoofdletter R (initiaal, of beginkapitaal ) staat in het Graduale (liturgisch gezangboek) van Gisela van Kerssenbrock (of Kersenbroeck). Zij was cantrix in het Cisterciënzerklooster te Rulle, nabij Osnabrück, en blijkens een inscriptie in het boek ook de opdrachtgeefster voor de productie van dit prachtboek (ca. 1300).1 Op deze pagina wordt ze zelf ook afgebeeld (Ja, zoekt u maar… ). De hoofdletter R is van Resurrexi:. U ziet de rest van dit woord in goud geschreven tegen een blauwe achtergrond: “Ik ben opgestaan”. Dit is het eerste woord van de intochtspsalm (Introïtus) van het Paasfeest (Psalm 139:18 Resurrexi et adhuc tecum sum).2 De woorden van deze psalm vullen deze pagina samen met de muziek die erbij hoort (in hoefnagelnotatie). De afbeeldingen in de “R” bevatten een schat aan informatie over hoe men zich de doortocht van Christus doorheen de dood (het dodenrijk) en zijn opstanding voorstelde en vooral: wat dat voor de mensen (in dit geval m.n. voor vrouwen) betekende.3 Zij immers zijn het die dit zangboek hebben gebruikt, en deze woorden van deze pagina gezongen hebben, gebeden, op de Paasmorgen… na een lange nacht van waken.

Terzijde: dodenrijk, hel, hades, limbo ?
De verwijzing naar het dodenrijk, of de hel, moet u in dit verhaal neutraal verstaan: het gaat over de ‘Sheol‘ (Hebreeuws) of de ‘Hades‘ (Grieks, oorspronkelijk de naam van de god/vorst van het dodenrijk). Dit is de plaats waar men zich voorstelde dat de zielen van de overledenen wachtten op de jongste dag. Zij bevindt zich naar algemeen aanvoelen ‘beneden’ (Inferos/inferna in het Latijn). Het dodenrijk is een onderwereld, waarin je afdaalt (dit geldt zowel voor David als Orpheus). Limbo is ook in dit verhaal ook adequaat, met name als u denkt aan de limbus patrorum, het voor-geborchte, het voorste deel van de onneembare burcht die het rijk des doods van onze kant bezien, is. Nog dit : De doortocht door het dodenrijk is in de de officiële tekst van het Nieuwe Testament enkel aan de rand aanwezig. Eerder een marginale glos, maar ze is door de kerk 2 eeuwen later wel verankerd in het Credo: descendit ad inferos, nedergedaald in het dodenrijk / ter helle. Al snel kreeg deze tot de verbeelding sprekende passage de aandacht van christelijke predikers en is zo ook in de liturgie terecht gekomen. Het zijn elementen hieruit die de initiaal invullen.

Twee onderling verbonden afbeeldingen

In het onderste gedeelte van de R zien we het moment dat aan de opstanding voorafgaat, de descensus ad inferos, de nederdaling in het dodenrijk. In het bovenste gedeelte wordt de verrijzenis zelf afgebeeld. De dood beneden, de hemel boven. De bladspiegel weerspiegelt ook ruimtelijk de voorgestelde locaties. Intrigerend is met name de schets van Christus’ aankomst bij de poorten van de hel/het dodenrijk. Met zijn voeten vertrappelt hij de ‘oude vijand’, de satan. Deze voorstelling gaat terug op het paradijsverhaal waar satan nadat hij de mens (Adam/Eva) ten val heeft gebracht van Godswege te horen krijgt: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, en tussen uw nageslacht en het hare; dat zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de hiel vermorzelen.” (Genesis 3,15). Wat zoveel wil zeggen als: Gods tegenstander (de sjaitan) zal het de mensen heel moeilijk maken om op de been te blijven, op weg te blijven, maar uiteindelijk zal hij niet winnen. Het zal hem de kop kosten. U ziet het hier gebeuren: Satan, de slang, inmiddels getransformeerd tot een monster (de draak uit de Apocalyps 10-12) wordt door Christus vertrappeld (inderdaad: z’n kop wordt vermorzeld). Vervolgens worden de poorten van het dodenrijk uit hun hengsels gelicht, zoals ooit Simson deed met de poorten van Gaza. De bijbel associatief, allegorisch lezen, dat was een specialiteit van de Middeleeuwen. De burcht (het voorgeborchte) ligt open. Straks meer hierover. Eerst nog iets over het bovenste luik.

Het bovenste deel (de verrijzenis)

Bovenin de R ziet u Christus verrijzen uit het graf, onder het toeziend oog van God de Vader. De wachters slapen, er is een engel en er is een getuige.

Volgens de banderolles wordt er behoorlijke wat gecommuniceerd tussen hemel en aarde.  De engel (rechts) spreekt met de vrouw links (Maria, opstandingsgetuige). En Christus zelf antwoordt op een oproep van God de Vader.
Hier de teksten:
God spreekt vanuit den hoge: Exurge gloria mea (begin van Ps 56:9 – Sta op mijn eer) en Jezus antwoordt met het einde van hetzelfde psalmvers: exurgam diluculo (Ik zal opstaan bij de dageraad) en stapt uit het graf. Het wordt hier tamelijk ‘aards’, rustig afgebeeld. De link tussen dit psalmwoord en de verrijzenis is volgens literair-wetenschappelijke exegeten onbestaand (juist), maar spirituele exegeten (predikers) hoorden in deze woorden het Paas-evangelie meeklinken (resoneren, assoneren), dat immers ook begint bij het aanbreken van de dag. Nog interessanter dan deze dialoog is eigenlijk die tussen de engel rechts (groen) en de vrouw links (Maria). Maria zegt: Hoc nunc os ex ossibus meis (Gn 2 :23, zie hier: gebeente van mijn gebeente; vrijer vertaald: mijn eigen vlees en bloed ). Dat wil zeggen: Hìj is het ècht. De engel antwoordt met de bekende Maria-hymne en feliciteert haar : Regina caeli laetare (hemelkoningin, verheug u). De vrome vrouwen die deze letter bekeken zullen automatisch de hymne hebben aangevuld:

Regina coeli, laetare, alleluia
Quia quem meruisti portare, alleluia,
Resurrexit, sicut dixit, alleluia,
Ora pro nobis Deum, alleluia.
Hemelkoningin, verheug u…
omdat Hij, die gij waardig waart te dragen…
is verrezen zoals Hij gezegd heeft…
Bid tot God voor ons…

Bijzondere aandacht wil ik nog vragen voor het beeld van een gelovige die, hoewel kleiner dan Maria ‘achter Maria schuilgaat’.

Het is de cantrix zelf: Gisela van Kerssenbrock. Haar naam staat met rode inkt naast haar sluier: Gisle = Gisela in het Latijn. Ik gok: Gisele in de omgang (nog steeds een gewone Duitse meisjesnaam). Aan het eind van deze pagina meer over haar. Zij heeft namelijk de interpretatiesleutel in de hand (de tekst-banderolle die uit haar hand vloeit). Eerst moeten we echter nog even afdalen ad inferos….

Het onderste deel (de doortocht door het dodenrijk)

Ook bij de aankomst van de Heer in het dodenrijk vinden er diverse dialogen plaats. Christus wordt begroet door de ‘ontslapen heiligen’ van weleer. Diverse banderolles voorzien dit gebeuren van gespreksstof, maken het tot een dialoog (liturgisch), een Paasspel (theater).

Links (rood omrand) ziet u een engel die – in Jezus’ naam – iets roept naar de vorst van het dodenrijk (rechts, rood omrand), die daarop antwoordt met een vraag. Als je de tekst probeert te ontcijferen, ontdek je al snel dat het de antifoon is van een van de vroege gebedsstonden van de Paasviering, d.w.z. zinnen uit Psalm 24, over poorten die ‘verhoogd’ moeten worden, want de ‘koning der ere’ (rex gloriae) komt eraan..

De poorten van het dodenrijk

De engel neemt de rol van de voorzanger (cantor, cantrix) op zich: [Officiator] Tollite portas, principes staat er op zijn banderolle: Verhoog/vernietig de poorten, gij vorsten. Daarop antwoordt de vorst van het dodenrijk: Quis est iste rex ? Wie is die koning voor wie dat moet gebeuren? In de oude liturgieboeken staat hier trouwens volgende regie-aanwijzing: Diaconus in figura diaboli.
De antifoon gaat verder en identificeert de naderende koning: Dominus, rex gloriae, Het is de Heer, de koning der ere. (In de afbeelding staat de zin niet. Wel een andere zin die ik niet ontcijferen kan. Ze begint met ‘Ecce’ (zie) en is gekoppeld aan een baardige man die op Jezus wijst (ziet u zijn ‘te lange wijsvinger?). Dat moet Johannes de Doper zijn. Hij kijkt naar een koning (met kroon – hierboven groen omrand), ongetwijfeld de dichter-koning David. In de liturgie vervolgt het koor [Chorus Animae, de zielen, in de liturgie] met de tekst op de onderste banderolle: Advenisti desiderabilis qu[em expectabamus in tenebris, ut educeres hac nocte vinculatos de claustris. Te nostra vocabunt suspiria, te larga requirebant tormenta. Tu facta es spes desperatis, magna consolatio in tormentis.] Dat is: “Hij is gekomen, de zo gewenste, op wie wij in het duister hebben gewacht opdat hij in deze nacht de geketenden van hun boeien te bevrijden…” Ik heb de tekst van deze banderolle maar aangevuld met wat er volgt in de liturgie. De zusters die het gezongen hebben, zullen de tekst herkend hebben. Ze hebben deze immers enkele uren voordien nog volledig gebeden/gezongen aan het einde van de Paaswake. De “poorten der hel zijn overweldigd ” en Christus strekt zijn hand uit naar zijn counterpart ‘Adam’, de vader van alle mensen.

Boven Adam en naast de koning (David) staat Johannes de Doper: lange wijzende vinger en een tekst die begin met ‘Ecce’ (‘Zie’). Je verwacht “Agnus Dei qui tollit”, maar dat staat er niet.

De banderolle van ADAM

De banderolle die Adam vasthoudt is ook een liturgische/bijbelse tekst: Ecce manus quae pl[asmaverunt me]: “Zie de handen die mij hebben geformeerd.”, een bijbeltekst die zowel in de officie der doden als in de lauden van Pasen worden geciteerd (ze is ‘ongeveer’ terug te vinden in Job (h. 10,8) maar ook in Psalm 119, en trouwens met handen te tasten in het Scheppingsverhaal zelf. De symbolische waarde van de ‘reddende hand’ die de Heiland uitstrekt naar de mens verdient een eigen webpagina. Ze is ook in Bach’s Matthäuspassion actief: Siehet Jesus hat die Hand…. Hier is de symboliek duidelijk: Christus – de tweede Adam – neemt de Mens bij de hand, sleept hem uit de sheol, de hades en zal hem meenemen naar naar het ‘paradijs’. De beweging rondom de Mensenzoon is opwaarts, ten hemel…

Waar zijn de vrouwen ?

Drie keer de Heer (God-Jezus) in opwaartse beweging, zeker, maar ook drie keer is een vrouw van dit alles getuige: achter Adam zien we Eva (groen omrand).

En in het bovenste luik zien we achter Maria (groen) een non: Gisele van Kerssenbrock zelf (rood omrand). Ze staat buiten de letter, buiten de Initiaal, maar is er nauw mee verbonden, ook letterlijk.

Eva, Maria en Gisela (Gisele)

Gisele zien we geknield op een van de bladeren die uit de R van Resurrexi groeine. Ze “imiteert” in haar houding Maria (die in het gebeuren zelf aanwezig was). De ornamenten die allemaal verbonden zijn als ranken, groeiend uit de Initiaal, dragen en verbinden de overige personen met het opstandingsgebeuren: De vier evangelisten op de vier hoeken van de letter R, onderaan de profeten, in het midden rechts een ridder (of soldaat), links een paus. Allemaal met hun eigen banderolle (spreuk). Samengezien – als compositie – verkondigt de afbeelding met kracht één boodschap: Het noodlot dat de mens (ha-Adam) heeft getroffen (= zijn vervallen-zijn aan de dood en de ondergang) is door Christus’ passage doorheen de dood gestuit. Zijn lot is ten goede gekeerd. Maria als tweede Eva (Ave Maria, mutans Eva nomen…) is er getuige van geweest. Hij is de tweede Adam, de nieuwe mens. Als Gods ‘koning der ere’ heeft hij de poorten der hel vernietigd om de mensheid mee te nemen ‘hemelwaarts’. Het is de opdrachtgeefster van het manuscript, Gisela, die hiervan met zoveel woorden getuigt op haar banderolle..

détail linksboven van de R. (codex Gisle folio 70)

Ze wordt geïdentificeerd (haar naam staat erbij – Gisle, het rood is vervaagd) op exact dezelfde wijze als boven haar de evangelist Mattheüs. Zij is degene die de blijde boodschap verwoordt. Haar banderolle, haar tekst, is het langst van allemaal:

Per tuam gloriosam victoriam aeternam confer laetitiam.
Schenk door uw glorieuze overwinning eeuwige vreugde.

Laetitia, daar gaat het om met Pasen: Vreugde, blijdschap…, die duurt.

Conclusio

In woord en beeld zien (horen) we hier het verlangen van de gelovige zusters om één te worden met Maria (conformitas Mariae). Dat is waarom ze in het klooster zijn gegaan. Maar opvallend aan deze codex is dat Maria niet zozeer in haar lijden (als mater dolorosa -compassie), maar juist in haar vreugde, d.w.z. als getuige van de verrijzenis van haar Zoon, naar voren wordt gebracht. Laetare is het werkwoord dat Gisele oppikt uit het Regina caeli. En achter Maria aan, haar navolgend, zoekt ze naar mede-verheuging met Maria, om wat haar Zoon heeft bewerkt. Dat is waar het op Pasen om gaat. De dood wordt een hak gezet, de poorten der hel overweldigd. Het laatste woord is dus niet aan de ondergang maar aan de opstanding: de Heer lééft. Gisele verkondigt ons dat, over de eeuwen heen. Het Leven zelf, met een hoofdletter is het begin-kapitaal. In de lentetijd zien we hoe vanuit dat begin steeds weer opnieuw, overal, en in vele vormen en gedaanten, het leven uitloopt doorbreekt. Daarvan getuige te zijn is een bron van eeuwige vreugde.

Gisele van Kerssenbrock heeft het met haar zusters in het klooster zo proberen te beleven, te vieren. Al zingend. Kijk maar naar een andere verluchte initiaal: hier zien we de schola cantorum in actie. De cantrix wijst naar het zangboek. Daar staat: Grates nunc omnes reddamus Domino Deo… “Laten wij nu allen God de Heer dankzeggen”. Dat is de sequens van dat andere hoogfeest, Kerstmis.

De vrouwen-schola uit het klooster (détail van een initiaal bij het kerstverthaal: de ‘P’ van Puer natus est nobis). De tweede persoon houdt het zangboek vast en wijst naar de te zingen dankzegging. That’s Gisèle again: haar naam staat er ook weer bij (boven haar hoofd): gisle

Zingen met de engelen.

Ook hier worden we geacht de tekst aan te vullen en als we dat doen wordt ook de titel van deze post duidelijk: ‘Zingen met de engelen’. Dat is namelijk wat de vrouwen-schola in Rulle onder aanvoering van cantrix Gisela deed.

Grates nunc omnes reddamus Domino Deo
qui sua nativitate nos liberavit de diabolica potestate.
Huic oportet ut canamus cum angelis
semper sit gloria in excelsis.

Ik hoor de muziek al beginnen, niet in het Gregoriaans, maar in het Beschluss van de Historia der Freuden- und Gnadenreichen Geburth Gottes und Marien Sohnes JESU CHRISTI, van Heinrich Schütz (uit 1656):

Danck sagen wir alle Gott, unsern Herrn Christo.
der uns mit seiner Geburth hat erleuchtet.
Und uns erlöset hat mit seinem Blute von des Teuffels Gewalt.
Den sollen wir alle mit seinen Engeln loben mit Schalle.
Singen: Preiß sey GOTT in der Höhe
.

uitvoering: René Jacobs c.s.

En nu verschijnen ook de engelen: De ‘overwinningshymne’ die de Auferstehungshistorie van dezelfde Schütz afsluit, met daarin de herhaalde ‘roep’: Victoria, een middeleeuwse liturgische Paastraditie. De woorden zijn genomen uit: 1 Corinthiërs 15, 57 (Lutherbibel) “Gott sei Dank der uns den Sieg gegeben hat durch unsern Herrn Jesum Christum”

Dick Wursten, Paasfeest 2024


Bronnen


Door een latere hand (maar wel 14de eeuw) geschreven in dit manuscript (fo. 1)

Istud egregium librum scripsit, illuminavit, notavit, impaginavit, aureis litteris et pulchris imaginibus decoravit venerabilis ac devota virgo Gysela de Kerzenbroeck in sui memoriam Anno Mccc cuius anima requiescat in sancta pace. Amen.

Dit buitengewone boek heeft de devote maagd Gysela van Kerzenbroeck geschreven , verlucht, genoteerd (de muzieknoten?), gepagineerd (de layout per pagina verzorgd?) en versierd met gouden letters en schone afbeeldingen, te harer gedachtenis in het jaar 1300. Moge haar ziel in heilige vrede rusten. Amen.

De Paasmorgen voorafgebeeld in het Hooglied

Cyrillus over het Hooglied en Maria Magdalena

Cyrillus van Alexandrië (d. 444)

Toen ik net na de eeuwwisseling een Paaspreek aan het voorbereiden was over Maria Magdalena die ‘s morgens vroeg ronddoolt in de hof op zoek naar haar Heer, en hem —als ze hem ontmoet — voor de hovenier houdt (ook een geweldig verhaal trouwens), schoot opeens een scène uit het Hooglied door mijn hoofd, waar de bruid (het meisje) ‘s nachts op zoek is naar haar geliefde, door de stad dwaalt en hem niet vindt. Dan wordt ze door de wachters aangesproken, en – plots – vindt ze hem, grijpt hem vast en wil hem niet meer loslaten. Cyrillus van Alexandrië (c. 376–444), zo ontdekte ik enkele jaren geleden, had dat verband ook al gezien/gelegd. De tekst in kwestie is Hooglied 3: 1-4. Het verhaal van Maria in de hof vindt u in Johannes 20: 1, 11b-18 (met de beroemde Noli me tangere scène, oneindig vaak afgebeeld). Zou de evangelist de tekst van Hooglied gebruikt hebben als matrix om zijn vertelling over Maria vorm te geven? Of als klankbodem om bepaalde tonen te versterken?

Hooglied 3: 1-4

1. ’Op mijn bed, ‘s nachts, zocht ik mijn zielsbeminde.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.
2. “Ik zal opstaan, rondgaan in de stad, op de straten en pleinen, en mijn zielsbeminde zoeken.”
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.
3. De wachters vonden mij op hun ronde door de stad.
“Hebben jullie mijn zielsbeminde gezien?”
4. Nauwelijks was ik hun voorbij gegaan, of daar vond ik mijn zielsbeminde. Ik greep hem vast en laat hem niet meer los tot ik hem gebracht heb in het huis van mijn moeder, in de kamer van haar die mij baarde.

Commentaar van Cyrillus op Hooglied 3, vers 1: Op mijn bed, ‘s nachts, zocht ik mijn zielsbeminde

Patrologia Graeca 87/2, kolom 1620 – toelichting zie hieronder. In de PG 69 (werken van Cyrillus van Alexandrië) is dit fragment ook te vinden, maar is daar overgeschreven uit PG 87 (de catena van Procopius van Gaza). Een handschrift van Cyrillus originele commentaar is niet bewaard.

In een uit citaten van kerkvaders samengesteld doorlopend commentaar op het Hooglied (‘catena’) staat bij Hoofdstuk 3:1-4 een uitleg die toegeschreven wordt aan Cyrillus, patriarch van Alexandrië van 412 tot 444. De compilator van dit commentaar was verbonden aan de rhetorenschool van Gaza: de sofist (=rhetor/leraar) Procopius (c. 465 – 528).1 Hierboven ziet u hoe deze tekst in Migne (de 19de eeuwse editie van de kerkvaders –  Patrologia Latina (217 delen, 1841-1855) Patrologia Graeca (161 delen, 1857-1866)) is vormgegeven: links een Latijnse vertaling, rechts de Griekse tekst. Terzijde: Interessant dat Origenes nog meespreekt, hoewel hij al geen kerkvader meer mocht heten (veroordeling wegens ketterij, ca. 400). Compileren is ook kiezen.2

(Ἐπὶ κοίτην μου ἐν νυξὶν ἐζήτησα…. = Hooglied 3:1)
Τὰς γυναῖκας δηλοῖ, τὰς ἐλθούσας μιᾷ Σαββάτων ὄρθρου βαθέως ἐπὶ τὸ μνῆμα τοῦ Ἰησοῦ, καὶ μὴ εὑρούσας αὐτόν. Τὸ οὖν, ἐπὶ τὴν κοίτην, ἢ ἀπὸ κοίτης φησὶν, ἢ κοίτην ἑαυτῆς τὸ τοῦ Κυρίου μνῆμα καλεῖ, καθ’ ὃ συνθαπτόμεθα αὐτῷ. Ἀλλ’ οὐχ εὗρεν αὐτὸν, ἀκούσασα· «Οὐκ ἔστιν ὧδε· ἠγέρθη γάρ.» Καὶ εὗρον αὐτὴν οἱ τηροῦντες ἄγγελοι, οὓς καὶ ἐρωτᾷ· «Ποῦ τεθείκατε τὸν Κύριον;» Ἀλλὰ παρελθούση τοὺς ἐρωτηθέντας, ὑπήντησε λέγων· «Χαίρετε.» Διό φησιν ὡς μικρὸν παρῆλθον ἀπ’ αὐτῶν ἕως εὗρον, καὶ οὐκ ἀφήσω αὐτόν. Ἐκράτησε γὰρ οὗτος πόδας αὐτοῦ, καὶ ἤκουσε· «Μή μου ἅπτου.» Οἶκον δὲ μητρὸς τὴν συναγωγὴν ἀποστόλων φησὶ, εἰς ἣν ἀπελθοῦσα εὐηγγελίζετο τοῦ Χριστοῦ τὴν ἀνάστασιν.

Nederlandse vertaling

Opmerking vooraf

De citaten uit Hooglied 3 heb ik onderlijnd, Schriftcitaten geëxpliciteerd. De Griekse woorden voor ‘bed’ en ‘graf’ zijn breder in betekenis en hebben ook een andere associatie, waardoor het eerste stuk van de uitleg iets minder vergezocht is dan het klinkt:
– κοίτη koitè (van koimao = rusten) = bed, rustplaats (maar kan ook de ruimte aanduiden: slaapkamer). De link met graf is niet zover gezocht als het lijkt: ook in de Griekse cultuur is ‘slapen’ het eufemisme voor dood zijn. En heet een begraafplaats een ‘dormitorium’, in het Grieks: koimètèrion (cimetière, cemetery).
μνῆμα mnèma (woordstam mnm = gedenken, idem in monumentum (Vulgata) = graf, tombe, gedenkteken.

Cyrillus’ uitleg

Hooglied 3, vers 1: Op mijn bed zocht ik ‘s nachts naar mijn zielsbeminde
Het gaat hier over de vrouwen die zeer vroeg op de Sabbath naar het graf van Jezus zijn gegaan, en hem niet hebben gevonden. ‘Op het bed’ of ‘vanaf het bed‘: haar bedzo noemt de tekst het graf van de Heer waarin wij met hem begraven zijn (Rom 6,4). Maar zij vond hem niet maar hoorde daarentegen: “Hij is hier niet, want hij is opgestaan.” (Lk 24,6).  En de wachters engelen vonden haar, aan wie zij vroeg: “Waar hebben jullie de Heer gelegd?” (Joh 20,15). En toen zij degenen die ze ondervroeg voorbij was gegaan, verscheen Hij (de Heer) zeggend: “Gegroet” (Mt 28,9). Daarom staat er: ‘Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan en ik vond hem, en ik liet hem niet meer los‘ (=Hgl 3:3,4). Want zij greep zijn voeten3 vast, en zij hoorde: “Houd mij niet vast” (Joh 20,17). Hethuis van de moeder(=Hgl 3,4), zo noemt hij (de tekst) de samenkomst van de apostelen, waarheen hij haar zond om de blijde boodschap te brengen van Christus’ opstanding. (Joh 20,18)

Dick Wursten, Pasen 2023


NOTEN

Blaise Pascal over lichamelijk lijden

Divers traitez de piété

Cologne [Paris ?], Balthazar d’Egmondt, 1666.
Bibliothèque nationale de France, Réserve des livres rares, RÉS P-D-183
© Bibliothèque nationale de France
[onderaan de pagina een PDF van deze editie, die u kunt doorbladeren en desgevallend zelfs lezen. You never know]

Toelichting (uit de catalogus van een tentoonstelling):

Le trente-deuxième et dernier chapitre de l’édition des Pensées de 1670 est occupé par la Prière pour demander à Dieu le bon usage des maladies, l’une des plus hautes expressions de la « spiritualité pascalienne de l’anéantissement » (Gouhier 1986). Dans la continuité de sa méditation sur l’entrée du Christ dans son agonie au Jardin des Oliviers, Pascal y rapporte à la figure du Christ de douleur tout l’effort d’imitation du Christ qui anime la vie du chrétien : « Faites, ô mon Sauveur, que si mon corps a cela de commun avec le vôtre, qu’il souffre pour mes offenses, mon âme ait aussi cela de commun avec la vôtre, qu’elle soit dans la tristesse pour les mêmes offenses ; et qu’ainsi je souffre avec vous, et comme vous, et dans mon corps, et dans mon âme, pour les péchés que j’ai commis. »
Vraisemblablement composée en 1659 ou 1660, et non pas au lendemain de la « première conversion » de Pascal comme le croyaient les éditeurs de 1670, l’œuvre tranche sur les Pensées par son achèvement et l’ampleur du style. Pascal la destinait de toute évidence à une publication, qui n’intervint toutefois qu’après sa mort : elle parut pour la première fois, de manière anonyme, en tête du recueil des Divers traités de de piété imprimé sans doute à Paris mais publié sous l’adresse fictive de Balthazar d’Egmondt à Cologne. Le livre réunissait un ensemble de méditations et d’oraisons à l’usage des religieuses de Port-Royal. La fausse adresse s’explique par les circonstances de la publication : le conflit qui opposait Port-Royal au pouvoir royal et ecclésiastique autour de la signature du Formulaire battait son plein et avait conduit en juillet 1665 à l’expulsion des religieuses réfractaires du monastère de Paris, regroupées par force dans celui des Champs. Une copie de la Prière de Pascal se trouvait probablement parmi les « deux ou trois coffres de papiers » que, selon le récit de Racine dans son Abrégé de l’histoire de Port-Royal, les religieuses « confièrent à M. Arnauld lorsqu’elles furent dispersées » et d’où l’on tira, dans les années suivantes, la matière de plusieurs éditions subreptices de textes port-royalistes. En 1670, les éditeurs indiquèrent que la prière avait été « déjà imprimée deux ou trois fois sur des copies assez peu correctes ». Trois éditions antérieures sont aujourd’hui connues : le texte de 1666 fut réédité sans doute peu après, dans une édition sans date portant elle aussi l’adresse fictive de Balthazar d’Egmondt à Cologne – et au titre de laquelle est inscrit le mot de saint Augustin, « Prenez et lisez » –, puis en 1669 à Châlons en Champagne à l’instigation de l’évêque janséniste du lieu, Félix Vialart de Herse. Les quelques différences textuelles entre ces éditions et celle de 1670 tiennent vraisemblablement au fait que les éditeurs ont utilisé une copie manuscrite  ; mais en dépit de ce que déclare leur avertissement, ils se sont également servi de l’édition de 1666, beaucoup moins incorrecte qu’ils ne le laissaient entendre.