Heerlijk verschenen is de dag

Tekst en melodie van dit paaslied zijn afkomstig uit: Nikolaus Herman: „Die Sontags Euangelia / und von den fürnemsten Festen uber das gantze Jar“ (Wittenberg, 1561). Dit werk was bedoeld voor christelijke gezinnen (en hun kinderen), om wat te zingen te hebben thuis, als de kerk gedaan was. Nikolaus Herman (1500–1561) werkte in stad Sankt Joachimstal als leraar aan de Latijnse school en was tevens cantor. Belangrijk voor het ontstaan van dit lied is de stichting van de meisjesschool. Aan hen (en hun Matron, Catharina Heldin) droeg Herman deze liederen op. De wisselwerking tussen kerk en school was cruciaal voor de verspreiding van de nieuwe leer, waarbij het lied als medium een centrale rol speelde. Religieuze inhoud werd ingebed in gedicht/lied, niet enkel om beter te kunnen memoriseren maar ook om zich het Evangelie te kunnen toeëigenen.

Wilt u het een beproeven? Hier een zetting van 40 jaar later (de officiële liedboeken hebben de versieringen eruit gehaald (de achtsten). Jammer, die geven het lied juist z’n feeststemming).

https://www.cpdl.org/wiki/index.php/Erschienen_ist_der_herrlich_Tag_(Gotthard_Erythr%C3%A4us)

Het hele lied (14 strofen): Bijbelse Paascatechese

„Erschienen ist der herrlich Tag“ is een lied voor paaszondag en telde oorspronkelijk veertien strofen. Moderne liedboeken laten allemaal de strofen weg die het paasgebeuren aan de hand van oudtestamentische motieven navertellen/uitleggen (het didactische luik). Van de 14 strofen vertellen er 4 (3-6) het Paasverhaal. De rest kadert, en duidt. De inkorting in onze gezangboeken kills this song. Dus hier het complete lied, al was het alleen maar als retro-actieve catechese (begrijpen hoe men toen de bijbel begreep. Vanaf couplet 7 een volledige opsomming van alle ‘voorafschaduwingen’ van Pasen in het Oude Testament: creatieve hermeneutisch lezing: typologie) — kort aangeduid onder de coupletten.

Duits (Origineel)Nederlands (niet zingbaar)
1) Erschienen ist der herrlich Tag,
dran sich niemand gnug freuen mag;
Christ, unser Herr, heut triumphiert,
all seine Feind gefangen führt.
Halleluja!
1) verschenen is de heerlijk dag,
waarover je je nooit teveel kunt verheugen;
Christus, de Heer, triomfeert nu,
Hij voert de vijand gevangen mee.
Halleluja!
Psalm 68,19, via Efeze 4:8
2) Die alte Schlang, die Sünd und Tod,
die Höll, all Jammer, Angst und Not
hat überwunden Jesus Christ,
der heut vom Tod erstanden ist.
Halleluja!
2) De oude slang, de zonde, dood,
de hel, alle angst en bange nood
heeft Jezus Christus overwonnen,
die nu uit de dood is opgestaan.
Halleluja!
Genesis 3:15 – de moederbelofte
3) Am Sabbat früh mit Spezerei
kamen zum Grab der Weiber drei,
dass sie salbten Marien Sohn,
der vom Tod war erstanden schon.
Halleluja!
3) Vroeg op de sabbat met specerij
kwamen drie vrouwen naderbij,
om te zalven Maria’s Zoon,
die reeds was opgestaan uit de dood.
Halleluja!
4) Wen sucht ihr da? Der Engel sprach,
Christ ist erstanden, der hie lag;
hie sehet ihr die Schweißtüchlein,
geht hin, sagts bald den Jüngern sein.
Halleluja!
4) “Wie zoekt gij hier?” sprak de engel,
“Hij is verrezen, die hier lag;
hier ziet gij de zweetdoeken,
ga, en zeg het meteen aan al z’n volgers .”
Halleluja!
5) Der Jünger Furcht und Herzeleid
wird heut verkerhrt in eitel Freud;
sobald sie nur den Herren sahn,
verschwand ihr Trauren, Furcht und Zagn.
Halleluja!
5) Hun angst en hun verdriet
wordt nu veranderd in enkel vreugd;
zodra zij de Heer zagen,
verdween hun vrees en al hun klagen.
Halleluja!
6) Der Herr hielt ein sehr freundlich G’spräch
mit zweien Jüngern auf dem Weg;
vor Freud das Herz in Leib ihn brannt,
im Brotbrechen ward er erkannt.
Halleluja!
6) De Heer sprak heel vriend’lijk
met twee van hen, onderweg;
In hen brandde het hart van vreugde
bij ‘t breken van het brood werd hij herkend.
Halleluja!
7) Unser Simson, der treue Held
Christus, den starken Löwen fällt,
der Höllen Pforten er hinträgt,
dem Teufel all Gewalt erlegt.
Halleluja!
7) Onze Simson, de sterke held,
Christus, die leeuwen nedervelt,
die de poorten van de hel wegdraagt,
die de duivel zijn macht ontneemt
Halleluja!
Richteren 16 (poorten van gaza) en 14 (leeuw)
8) Jonas im Walfisch war drei Tag,
so lang Christus im Grab auch lag,
denn länger ihn der Tod kein Stund
in seim Rachen behalten kunnt.
Halleluja!
8) Zoals Jona drie dagen in de walvis was,
zo lang lag Christus in het graf,
want geen uurtje langer kon de dood
Hem houden in zijn bek (muil).
Halleluja!
Jona (reeds in NT als voor-beeld genoemd)
9) Sein Raub der Tod musst geben her,
das Leben siegt und ward sein Herr,
zerstört ist nun all seine Macht,
Christ hat das Leben wiederbracht.
Halleluja!
9) De dood moest zijn buit afgeven,
Het leven overwint en is zijn heer,
verwoest is nu al zijn macht,
Christus heeft het leven weer gebracht.
Halleluja!
10) Heut gehen wir aus Ägyptenland,
wo Pharao in Dienst uns band,
wir essen heut im Brot und Wein.
das rechte Passalämmlein fein.
Halleluja!
10) Heden trekken wij uit Egypteland,
waar Farao ons tot slaaf maakte,
wij eten nu in brood en wijn,
het ware Paaslam.
Halleluja!
klassieker: Pesach/Pascha > Pasen (Exodus)
11) Auch essen wir die süßen Brot,
die Moses Gottes Volk gebot;
kein Sauerteig soll bei uns sein,
dass wir von Sünden leben rein.
Halleluja!
11) Wij eten ook de zoete broden,
die Mozes Gods volk gebood (te eten);
geen zuurdesem zal bij ons zijn,
opdat wij leven, van zonden rein.
Halleluja!
uitleg bij Paulus: 1 Kor 5:7-8
12) Der Würgengel vorüber geht,
kein Erstgeburt er bei uns schlägt;
unsre Türschwell hat Christi Blut
bestrichen, das hält uns in Hut.
Halleluja!
12) De wurgengel gaat aan ons voorbij,
geen eerstgeborene treft hij;
onze deurposten zijn met Christus’ bloed
bestreken, dat houdt ons in zijn hoede.
Halleluja!
Exodus 12:23 (laatste plaag)
13) Die Sonn, die Erd, all Kreatur
und was betrübet war zuvor,
das freut sich heut an diesem Tag,
da der Welt Fürst darnieder lag.
Halleluja!
13) De zon, de aard’, elk schepsel
en wat tevoren bedroefd was ,
verheugt zich op deze dag,
nu de “vorst der wereld” verslagen terneerligt.
Halleluja!
14) Drum wir auch billig fröhlich sein,
singen das Halleluja fein
und loben dich, Herr Jesu Christ,
zu Trost du uns erstanden bist.
Halleluja!
14) Daarom zetten wij ook blij van zin,
een passend hallelujah in,
Wij loven u, Christus, onze Heer,
om ons moed te geven zijt gij verrezen.
Halleluja!


Looft God gij christnen, maakt hem groot

Een kerstlied voor de kinderen in Joachimstal

Van dit prachtige kinderlied voor Kerst (en wie is er met Kerst geen kind?) hieronder alle acht coupletten. In hedendaagse zangbundels (kerk en privaat) vindt u maximaal 6 coupletten. Jammer, stelde ik vast, toen ik de ontbrekende opzocht. Vandaar de volledige tekst met vertaling hieronder. De verdwenen verzen zijn de coupletten 4 en 5. Tekst en melodie is van cantor-schoolmeester Nicolaus Herman (ca. 1550) uit St-Joachimstal (nu Jáchymov – Tsjechië). Dit Duitse ‘Weihnachtslied’ is tot in Frankrijk bekend en geliefd: noel allemand… (zoek daar maar eens naar samen met ‘Corrette’ …)

tekst

Duits (ca. 1550)
Nikolaus Herman

oudste tekstversie (incl. spelling)
Nederlandse vertaling

1. Lobt Gott, ir Christen, alle gleich,
In seinem höchsten thron,
Der heut schleust auff sein Himelreich,
Und schenckt uns seinen Son,
Und schenckt uns seinen Son.
Looft God, gij christnen, maakt hem groot
in zijn verheven troon,
die nu zijn rijk voor ons ontsloot,
en schenkt aan ons zijn zoon,
en schenkt aan ons zijn zoon.
2. Er kömpt aus seines Vaters schos
Und wird ein Kindlein klein,
Er leit dort elend, nackt und blos
In einem Krippelein,
In einem Krippelein.
Hij daalt uit ‘s Vaders schoot terneer
op aard’ om kind te zijn,
een kindje arm en naakt en teer,
al in een kribje klein,
al in een kribje klein.
3. Er eussert sich all seiner gewalt,
Wird nidrig und gering
und nimpt an sich eins knechts gestalt,
Der Schöpffer aller ding,
Der Schöpffer aller ding.
Verzakende zijn macht en recht
verkoos hij zich een stal,
neemt de gestalt’ aan van een knecht,
de schepper van ‘t al’,
de schepper van ‘t al’.
4. Er leit an seiner Mutter brust,
Ir milch, die ist sein speis,
An dem die Engel sehn irn lust,
Denn er ist Davids reis,
Denn er ist Davids reis,
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,
de engelen zien hem en zijn blij,
want David’s loot is hij,

want David’s loot is hij,
5. Das aus sein stamm entspriessen solt
In dieser letzten zeit,
Durch welchen Gott auffrichten wolt
Sein Reich, die Christenheit,
Sein Reich, die Christenheit.
die uit zijn stam ontspruiten zou
in deze laatste tijd,
zodat op aarde bloeien zal
Gods heerlijk koninkrijk
,
Gods heerlijk koninkrijk.
6. Er wechselt mit uns wunderlich,
Fleisch und Blut nimpt er an
und gibt uns inn seins Vatern reich
die klare Gottheit dran,
die klare Gottheit dran.
Hij ruilt met ons zo wonderbaar,
neemt aan ons vlees en bloed.
Nu straalt ons uit het hemelrijk
Gods glorie tegemoet,
Gods glorie tegemoet.
7. Er wird ein Knecht und ich ein Herr,
das mag ein Wechsel sein,
Wie könnd er doch sein freundlicher,
Das herze Jhesulein,
Das herze Jhesulein.
Hij wordt een knecht en ik een heer,
wat win ik veel daarbij!
Waar vind men zoveel gulheid weer,
als Jezus heeft voor mij,
als Jezus heeft voor mij.
8. Heut schleust er wider auff die thür,
zum schönen Paradeis,
der Cherub steht nicht mehr darfür.
Gott sey lob, ehr und preis,
Gott sey lob, ehr und preis.
En nu ontsluit Hij weer de poort
naar ‘t schone paradijs.
De cherub staat er niet meer voor.
God zij lof, eer en prijs!
God zij lof, eer en prijs!

mengeling van
1 2 3 : J.J. Thomson, 1938
7 8: C.B. Burger, 1973
4 5 6 : Dick Wursten, 2025

4de en 5de couplet

In ‘verlichte’ tijden vond men het vierde couplet nogal primitief — of aanstootgevend: het kind dat aan de moederborst wordt gelegd en melk drinkt: Pudeur. ‘t Zal wel in de 19de eeuw geweest zijn. Toen moest alles wat met geloven te maken hebben geestelijk en verheven zijn. Tsja, het leven is dat ook niet. De kracht van het lied ligt juist in de geslaagde aansluiting (sentiment en strekking) bij het Kerstfeest met z’n concrete emotionaliteit (‘t kindeke in de kribbe, Maria, de stal), terwijl het tegelijk de betekenis hiervan verwoordt zonder te gaan preken. God werd ècht mens, komt naar ons toe, en het is precies dàt wat ons redt, want alleen zo komen wij dichtbij God. Geen theorie, geen theologie, maar gezongen exegese. Er zijn maar weinig (kerst)liederen die daarin slagen. Hieronder eerst de tekst, dan wat toelichting. Vervolgens iets over de dichter (Nicolaus Herman) en de plaats van ontstaan (de dorpsschool van het mijnstadje Joachimstal).

titelpagina van de eerste versie van dit lied, het eerste van 3 kerstliederen ‘voor de kinderen in Joachimstal’

Toelichting op de tekst

Hoe eenvoudig dit lied ook is, toch is het een en al Heilige Schrift wat u hoort (met een Luther’s accent, m.n. in 6 en 7: ‘De vrolijke ruil’). De ‘incarnatie’, daar gaat het om, maar dan niet abstract-theoretisch, speculatief, maar concreet: God wordt mens, en niet een beetje, halfslachtig, neen: ècht, waarachtig mens. En daar mag je God wel voor danken, want alleen zo komen die twee bij elkaar : Looft God, gij christenen…
– In couplet 1 wordt de boodschap al verklapt: Door de komst van Jezus (de zoon) gaat de poort van het hemelrijk open. NB: ‘schleusst auf’ de hemelpoort, in het laatste couplet idem, maar dan de poort van het paradijs.
– In de coupletten 2-4 wordt dit heel plastisch beschreven en tegelijk geduid (zonder schoolmeesterachtig te worden, knap!) door de armoe en naaktheid te koppelen aan Filippenzen 2:5-11 (het lied van de Mensenzoon, die zijn goddelijke macht aflegt en mens wordt, inclusief de kwetsbaarheid, de pijn.

– In couplet 3 wordt deze tekst letterlijk geëvoceerd, in werkwoord en beeld: Entäussern, Gestalt, Knechtes, niedrig. God legt zijn god-zijn af, ziet af van zijn privileges: ontlediging (‘kenosis’ in het Grieks) en wordt een mensenkind, hij neemt de knechtsgestalte aan, wordt mens. Uniek christelijk gedachtegoed, zich zó “god” denken.
– In couplet 4 komt Maria in beeld, en de profetie uit Jesaja: de afgehouwen tronk van Jesse (Isaï, David’s vader) moet weer gaan bloeien. Een kerstklassieker (uweetwel met de ‘Reis‘ en de ‘Roos‘ die ontsprongen is uit Jesse’s stam). NB: dat kerstlied waaraan u nu denkt, bestond toen nog niet, maar de symbolische uitleg (virga Jesse floruit – Maria bloeit open in een zoon).
– in couplet 5 wordt dit ontvouwd (expliciet), waarna
– in couplet 6 de ‘wonderlijke of vrolijke ruil’ van Luther het overneemt. Hij wordt mens, opdat ik vergoddelijkt wordt, zo zegt Luther het niet helemaal, maar wel zoiets. Herman gaat hierin wel ver: wij krijgen de ‘”klare Gottheit” in de plaats. Het lied zit goed in elkaar. Want dit is inhoudelijk (Filippenzen 2) en aanschouwelijk voorbereid (couplet 2-4).
– In couplet 7 kan de conclusie getrokken worden: Innig en liefdevol zijn zo mens en God (via Jezus, vriend) met elkaar verbonden. Onderschat de emotieve kracht van het volkse Kerstfeest niet.
– In couplet 8 kan de jubel dan losbarsten : Paradise regained: Het lied is ook rond. De poort van de hemel is open, en dus ook die van het Paradijs. De engel die na Eva/Adam’s val de mensenkinderen verhindert daarbinnen te geraken… is weg.

Vierstemmige zetting van J.H. Schein (youtube)

Hier een mooie uitvoering van dit lied, met de toonzetting van J.H. Schein inclusief het vierde couplet (dat uit de gezangboeken is verdwenen). Ze zingen 1, 2, 4, 8. Anderhalve minuut meer en het hele lied had erop gestaan.

Achtergrond: Niclas Herman in (Sankt-)Joachimstal.

Nog iets over de dichter-componist : Nicolaus (of Niclas) Herman (1500-1561). We weten weinig private dingen over deze man, behalve dat hij in de buurt van Nürnberg geboren is, en dat hij op 18 jarige leeftijd in St-Joachimstal is, en wel als leraar aan de Latijnse school. Op zich niet zo bijzonder, ware het niet dat hij dat z’n hele leven zou blijven èn Joachimstal toen nog maar 2 jaar bestond. in 1516 was een rijke zilverader ontdekt in het dal (Thal), en de ontginning was meteen aangevat. Het daarrond ontstane mijnwerkersdorp (industriestadje) werd toegewijd aan St. Joachim. Het was het Klondike van de 16de eeuw.

Nu Jáchymov, op de grens van tsjechië en Duitsland. Landstreek: Bohemen.

De adellijke familie von Schlick (voluit: zu Bassano und Weißkirchen) was de eigenaar van de grond en 10 jaar later een van de rijkste families in Bohemen, tot Ferdinand (koning van Bohemen, later keizer…) zich ermee begon te moeien. Graaf Stephan Schlick was in dezen het meest actief. Zijn wapenschild staat ook vaak op de zilveren munten die uit het erts geslagen werd: de munt uit Joachimsthal, de Joachimsthaler. Hieronder een afbeelding van de tweede reeks Joachimthalers. Het is een Guldengroschen “Joachimsthaler” uit 1525.

centraal: S I – Sant Joachim. Daaronder diverse wapens. / keerzijde de leeuw van Bassano
in de rand (de afkortingen voluit – begin te lezen bovenaan rechts):
links: Arma Dominorum Slickorum Stefani Et Fratrum Comitum De Bassano
rechts: Ludovicus Primus Dei Gratia Rex Bohemiae.
bron: https://nl.numista.com/86643

Hij vertrouwde de ontginning van de mijn toe aan een ‘mijn-hoofdman’ (BergHauptmann; in het Duits is Bergwerk=Mijnbouw). Heinrich von Könneritz, tevens muntmeester, die naast regelgevend werk, en opzicht, ook het metallurgisch onderzoek bevorderde (o.a. door samenwerking met Georg Bauer, beter bekend als Agricola, de ‘vader van de moderne mineralogie’). Zijn vrouw Barbara von Breitenbach was dan weer zeer actief bij de constructie van het sociale weefsel van deze nieuwe ‘samenleving’. Könneritz leidde de exploitatie in goede banen en binnen 20 jaar groeide Joachimstal uit tot de tweede stad van Bohemen en telde meer dan 20.000 inwoners. Alle genoemden waren bekend met Luther en zijn gedachten en het genoemde echtpaar was zelfs goed met hem bevriend, en hield — gezien een bemoedigende brief van Luther uit 1524 aan Nicolaus Herman — in moeilijke tijden ook de cantor-schoolmeester Nicolaus Herman de hand boven het hoofd. Luthers vader was trouwens… mijnbouwer.

Silver medal commemorating Stephan von Schlick, the founder of Joachimsthal, no year (after 1526), unsigned by Wolf Milicz. Dedicated by Stephan’s widow in commemoration of her husband’s death in the Battle of Mohács of 1526. Probably the second specimen on the market. Extremely fine. Estimate: 15,000 euros. From Künker auction 418 (29 January 2025), No. 413.
Zilveren penning uit Joachimstal ter herinnering aan Stephan von Schlick (na 1526). Vervaardigd in opdracht van Stephans weduwe ter gedachtenis aan de dood van haar echtgenoot in de Slag bij Mohács in 1526. https://new.coinsweekly.com/coins-medals-more/joachimsthal-and-the-reformation/

Zilveren penning uit Joachimstal (1531) toegeschreven aan Hieronymus Magdeburger, die ook talrijke ‘evangelische munten’ graveerde, de numismatische evenknie van Niclas Herman.
Links het (bijna)offer van Isaac door zijn vader, rechts het voltrokken offer van Christus door zijn Vader. Een van die — eigenlijk nogal schokkende — standaard christelijke typologieën. Op deze pagina – tevens de bron – vindt u meer uitleg en voorbeelden (English)

De daalder

De daar geslagen zilveren munten worden de ‘gouden standaard’ in het hele (Habsburgse) Rijk: de Joachimsthaler, al snel afgekort tot ‘Thaler‘ (een volle thaler: ca. 25g zilver). Je mag dit ook letterlijk nemen: Deze in zilver geslagen munt vervangt als courant betaalmiddel al snel de ‘gulden’.1 In onze contreien heeft zo’n Thaler de waarde van 30 stuivers, dat is 1,5 gulden, de daalder (nu enkel nog spreekwoordelijk: Op de markt is uw gulden een daalder waard…netzoveel trouwens als de eerste slag). Later komt er ook nog een upgrade tot 50 stuivers: de rijksdaalder 2,5 gulden. Op dat ‘Rijk’ hadden de Hollanders het niet zo, want dat was het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie (Karel V, Filips II etc.) en als ze overzee hun goederen verhandelden, sloegen zij hun eigen daalders, zonder ‘kop’, maar met een leeuw erop: de leeuwendaalder… Engelsen konden daalder of thaler niet goed uitspreken en maakten er dan maar dollar van. Gelooft u het niet: Lieven Scheire zegt het ook: (Joachimstaler > Thaler > Daalder > Dollar. facebook). Het kan trouwens nog korter: in het Tsjechisch is een thaler een tolar, tot 2007 de munteenheid van Slovenië.

Back to business: Belangrijk in dit alles is, dat in deze ‘nieuwe samenleving’ in Bohemen (dus toch al niet zo ‘rooms-gezind’) zowel de politieke, economische als ambachtelijke leidinggevenden van meet aan op z’n minst sympathiseren met de Lutherse Reformatie. De eerste kerk wordt nog wel (net als het dorp) toegewijd aan St Joachim, maar in 1522 wordt er al een “Evangelische Kerkorde” ingevoerd, de eerste in Bohemen. Van de bisschop is er geen spoor meer te bekennen. De machthebbers (m.n. graaf Stephan Schlick en de Berghauptmann Könnewitz) slaan de handen ineen en nemen zelf — met intellectuele, morele en personele ondersteuning vanuit Wittenberg — de organisatie ter hand. Ze waken over de inrichting van de eredienst, nemen de verantwoordelijkheid over voor de andere maatschappelijke functies die de roomse kerk (of orden) vervulden: school, armenzorg, ziekenverpleging.

De school

Jongens konden dus naar de Latijnse school gaan, naar meester Herman. Toelatingsvoorwaarde: kunnen lezen, schrijven. Dat kon je zelf leren (thuis) of op de Duitse school. Beide stedelijke en kerkelijke instellingen ineen. Instroom in de Latijnse school was zo ongeveer vanaf 7 jaar. Logisch: de hersenen ontwikkelden zich toen netzo als nu. Op die school werden de jongens opgeleid voor hogere studies of een baan in de publieke sector (de slimmen waren tegen hun 12de al klaar, maar het kon ook 16-17 worden. Dan konden ze naar de universiteit). Cantor Nicolaus Herman is z’n leven lang schoolmeester geweest van de ‘onderbouw’ op de Latijnse school (net als Bach!). Hij heeft die school waarschijnlijk zelf mee uit de grond gestampt, en mogen werken met twee briljante en ondernemende rectors (die de bovenbouw voor hun rekening namen) : Eerst Stephan Roth, een goede vriend van Luther, afkomstig uit Zwickau, waar hij ook weer heen terugkeert. Hij wordt daar stadssecretaris, en de stuwende kracht om de Hervorming daar ‘deftig’ in te voeren. Een strijd tussen radicale protestanten en behoudsgezinde katholieken kan worden vermeden. De tweede is Johann Mathesius, student van en bevriend met Luther. Hij heeft bij hem ingewoond en gestudeerd, bekend ook als uitgever van diens preken en vooral de ‘Tischreden’. Eerst is hij rector, later wordt hij Pfarr-herr (Pfarrer) van Joachimstal. Het stadje kent een pijlsnelle economische en demografische groei.

Zilvermijn in Joachimstal, 1548 (Duitse fototheek, wiki). De titel verwijst naar de vrijheidsrechten die deze nieuwe stad ook had verworven.

liederen voor de kinderen van Joachimstal

Niclas Herman is een fan van Luther, en helemaal als hij diens publicatie “AAN DE RAADSLEDEN VAN ALLE STEDEN VAN DUITSLAND DAT ZIJ CHRISTELIJKE SCHOLEN MOETEN OPRICHTEN EN IN STAND HOUDEN” uit 1524 leest. 2 Iedereen moet onderwijs worden aangeboden, zegt Luther, jongens èn meisjes, en de ouders moeten worden aangespoord (bijna verplicht) om van dat aanbod gebruik te maken: onderwijs als mensenrecht. Goede ouders (en dus: de overheid) volstaan toch ook niet met enkel lichamelijk voedsel aan hun kinderen te geven. Die voorzien ook geestelijke (op)voeding. Daarbij moet de overheid haar verantwoordelijkheid nemen en scholen oprichten. En zij moet er ook op toe zien dat alle kinderen daar naar toegaan (naartoe kùnnen gaan), jongens èn meisjes. In 1518 is er dus al een Lateinschule (jongens) in Joachimstal, en even later ook een meisjesschool, met een vrouwelijke directrice: Magaretha Heldin. Niclas Herman prijst haar in het voorwoord van zijn verzamelbundel. Daar onthult hij ook dat hij met name voor haar en haar leerlingen zijn liederen heeft geschreven. Hun bijbelkennis en zang had grote indruk op hem gemaakt (De tekst van die passage uit dat voorwoord kunt u hier lezen. Kortom: Leren lezen, leren rekenen (mathematica) èn muziek. Iedereen moet dat kunnen/kennen. Een leraar moet dus ook kunnen zingen (muziek maken), vindt Luther. En de jongens onder hen moeten met de polyfonie vertrouwd gemaakt worden, want zij vormen de ‘Cantorey’ (dat is dus in Bach’s tijd nog steeds zo: de Thomasschool). Zij moeten Latijnse motetten en (later) Duitse composities kunnen zingen, tijdens de vieringen op school, maar ook in de kerk (doordeweeks en zeker op zondag). Herman blijkt trouwens een vooruitstrevende leraar te zijn. Hij is ervan overtuigd dat de mensen willen leren. Hij hekelt lijfstraffen, pleit voor een motiveringspedagogiek, en stelt – zeker wat het godsdienstonderwijs betreft – een zingend curriculum voor. Hij biedt het zelfs aan. Alle bijbelverhalen op tekst en muziek gezet: Die SontagsEvangelia über das gantze Jahr in Gesänge gefasst für die Kinder und christlichen Hausväter

Hier een editie uit 1561 van dit lied. (uit de bundel met liederen bij de evangelieverhalen) Nog steeds staat eronder, wat ook in de eerste druk (als ‘flyer’ met 3 kerstliederen, z.b.) op de titelpagina stond: für die Kinder im Jo(a)chimstal

Bekendste liederen

En zeker rond de grote feesten, moet er wat te zingen zijn:

  • met Kerst dus: Drey Geistliche Weinacht Lieder, vom Newgebornen kindlein Jhesu, für die kinder im Joachimstal is waarschijnlijk zijn eerste publicatie (de zetter heeft wel een potje gemaakt van de teksten). Ons lied is hier het eerste (Liedboek, gezang 147).
  • En met Pasen: “Erschienen ist der herrlich Tag” (gezang 200) – prachtige melodie en ook een zeer leerrijke tekst (helaas ook niet meer aanwezig in de huidige gezangboeken). Voor meer info klik op de melodie:
  • En ‘s ochtends en s’avonds: Die helle Sonn leucht’ jetzt herfür” (gezang 373), “Hinunter ist der Sonnen Schein” (384)en “Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ” (gezang 316).
  • En als je op sterven ligt (want de kinderen werden niet oud, nemen de liederen mee naar huis): “Wenn mein Stündlein vorhanden ist” (gezang 270). Het laatste couplet is ook vaak apart geciteerd en op muziek gezet (“Weil du vom Tod erstanden bist…” – Schütz musicalische exequien). Het koraal is nog getoonzet door Schumann, in z’n laatste levensjaar, toen hij opgenomen was in de kliniek. De laatste maand was hij bezig met de bijbel en het liedboek. Meer info: klik hier

Herman’s teksten en melodieën zijn eenvoudig, maar niet simplistisch. Een goed voorbeeld is het onderwerp van deze pagina, maar dat geldt ook voor de andere genoemde liederen. Over de berijming van de bijbelverhalen kun je twisten, maar dat was dan ook puur onderwijsmateriaal, 4 of 7 regels, met een lijst met melodieën die geschikt zijn. Deze bijbelse-verhalende-liederen heeft hij tegen het eind van zijn leven gemaakt en gebundeld, toen hij ziek thuis zat (geplaagd door hevige en zeer pijnlijke jicht). Het voorwoord tekent hij met Niclas Herman, der alte cantor…. Ze zijn na zijn dood uitgegeven en talloze malen herdrukt. Even terzijde: dus niet bestemd voor de kerkdienst (liturgie), maar voor alle vormen van ‘godsdienstoefening’ daarbuiten.

portret

Hier een portret, gemaakt in zijn laatste levensjaar (1560: corpus vexabat podagra… staat er in het gedicht: zijn lichaam gekweld door de jicht. Je kunt het ‘m aanzien). Hij houdt een lied van zijn hand in de hand:

De muziekrol bevat de eerste regel van zijn berijming van de brief aan de Corinthiërs, waarin hij (met Paulus) de neiging tot afscheuring, sectarisme bestrijdt. Het eerste couplet:

Sant Paulus die Corinthier
hat unterweist in rechter lehr,
sobaldt er aber von in kam,
da fingen sich vil seckten an.

Boven zijn hoofd staat: Vox amici vox Dei: de stem van een vriend is de stem van God…

Dick Wursten (Kerst 2025)

P.S. Ad den Besten over Herman

Vertaler en liedboekdichter Ad den Besten schrijft aan het eind van zijn biografische notitie in het Compendium bij het Liedboek, over Nicolaus Herman:

Na Luther is Nikolaus Herman veruit de meest gezongen dichter van geestelijke liederen uit de 16de eeuw geweest. De heldere eenvoud van zijn teksten, hun kinderlijke, maar nergens kinderachtige toon, hun menselijke warmte, hebben gemaakt, dat zij een veel algemener betekenis kregen dan Nikolaus Herman zelf ooit heeft verwacht. Hij was met andere woorden een veel beter dichter en componist dan hij zelf heeft geweten.

Gaudete ! Steeleye Span en de musicologen

Hoe een middeleeuwse deuntje een hit werd

Iedereen die in een koor zingt of gezongen heeft kent het vast wel (en anders van ‘horen zingen’) : het Latijnse kerstlied Gaudete … Het klinkt zo heerlijk middeleeuws en mystiek, temeer omdat je niet verstaat wat je zingt. Toch altijd weer een surprise dat de a-capella versie van Steeleye Span het meer dan 50 jaar geleden tot nr. 14 van de Engelse hitparade heeft geschopt (december1973):

Minder bekend is dat de tekst en melodie van dit lied (m.n. van de 4 coupletten) de 20ste eeuwse uitvoerders voor een probleem plaatsen, want in de oudste bekende druk (1582, Piae Cantiones) staan mooi de vier stemmen van het refrein genoteerd, maar bij de vier coupletten staan geen muzieknoten:

Dat heeft aanleiding gegeven voor een stroom aan suggesties, improvisaties, al dan niet gestaafd door bronnenonderzoek. Daarover straks nog wat.

Het lied begint aan zijn tweede leven (revival) in 1910 als de Anglicaanse priester/musicus James Woodward de Piae Cantiones (selectie) opnieuw uitgeeft (in een ‘fijne authentiek aandoende renaissancistische’ druk):

Zijn bedoeling was dat ze gezongen zouden worden (in kerk en school), dus moest hij ook een melodie voorzien voor de coupletten. Hij doet een voorstel (de melodie van Good king Wenceslas, trouwens) maar dat wordt geen succes. De doorbraak van dit lied komt er als de Clerkes of Oxenford (o.l.v. David Wulstan) in 1966 een KerstLP uitbrengen met o.a. dit lied (kant B, nr. 6).

Dit is ongetwijfeld de meest bekende versie. Wulstan gebruikte een andere melodie dan Woodward had voorgesteld, en vergat te vermelden wat, waarom en hoe. Pas later werd duidelijk dat hij wel degelijk echt musicologisch speurwerk had gedaan. De melodie die hij liet zingen was afkomstig uit een Praags handschrift waar ze genoteerd staat bij een lied waarvan het 1ste couplet gelijk was aan het 3de van Gaudete. (het couplet over de poort van Ezechiel, zie onder). Een aardig détail is dat Steeleye Span, toen zij het lied ook wilden proberen, natuurlijk eerst grepen naar Wulstan’s versie, maar het begin en het eind hen blijkbaar niet goed beviel (of lag) en het hebben aangepast. Vandaar dat hun versie op de webpagina van Elam Rotem (Early Music Sources) netjes is getranscribeerd en naast Spangenberg (een oude versie van de melodie) en Wulstan is opgenomen :

Nieuwsgierig geworden naar het hele verhaal: kijk/luister dan naar de glasheldere uiteenzetting over dit lied van Elam Rotem op het Youtubekanaal van Early Music History. Leert u tegelijk heel wat bij over musica ficta (want de charme van het refrein, Gaudete, is dat die ontbreekt. Snapt u niet wat ik bedoel, kijk dan zeker naar de video). De 20ste eeuw begint daar bij 10:19.

Tekst

Gaudete (1582)LetterlijkEnglish (2016) – zingbaar
Gaudete, gaudete!
Christus est natus
Ex Maria virgine,

gaudete!
Verheugt u!
Christus is geboren
uit de maagd Maria,
verheugt u!
Be joyful! Sing with joy!
Born is the Savior
from the Virgin Mary’s womb:

Be joyful!
Tempus adest gratiae,
hoc quod optabamus,
Carmina laeticiae
devote reddamus.
De genadetijd is er,
waar we zo naar uitkeken;
Laten we blijde liedjes
aanheffen, toegewijd.
At this time of holy grace,
for which we were yearning,
In devotion let us sing,
hymns of joy returning.
Deus homo factus est
Natura mirante,
Mundus renovatus est
a Christo regnante.
God is mens geworden,
de natuur stond versteld,
De wereld is vernieuwd
door Christus die regeert.
God is made a man today;
Nature lies in wonder.
Christ the King renews the world
that was put asunder.
Ezechielis porta
clausa pertransitur,*
Unde lux est orta,
salus invenitur.





Er is door de gesloten poort
van Ezechiël * gegaan,
vanwaar het licht opgaat,
en het heil wordt gevonden

vrijer:
Ezechiels poort is dicht,
maar hij ging erdoor,
waar het licht opgaat,
daar laat het heil zich vinden.
Fastened was Ezekiel’s gate,
yet he entered through it;
So the light the world has found,
bringing mercy to it.




Ergo nostra concio
psallat iam in lustro,
Benedicat Domino,
salus Regi nostro.
Laten wij dus samen
psalmzingen op dit feest,
Geprezen zij de Heer,
Heil aan onze koning!
Therefore let us all rejoice,
singing to acclaim Him
Here we greet and bless the Lord,
and our King we name Him.
Dick Wursten
Carol Anne Perry Lagemann
(CC BY SA 4.0)

* de ‘gesloten poort van Ezechiel’ is een klassieker uit de Marialogie rondom Christus’ geboorte. Een typisch voorbeeld van allegorische uitleg (annexatie) van de Hebreeuwse bijbel voor christelijke doeleinden: De profeet Ezechiël heeft (zoals Johannes in de apocalyps) een visioen van wat er aan het einde der tijden zal gebeuren. Hij ziet God komen en zijn huis (de tempel) binnengaan door de Oostelijke Poort (‘waar het licht opgaat’, de orient. Daarom krijgt Ezechiël te horen (vers 2 van hoofdstuk 44): En de HEER zei tot mij: Deze poort zal gesloten blijven; zij zal niet geopend worden en niemand mag daardoor binnengaan, want de HEER, de God van Israël, is daardoor binnengegaan; daarom moet zij gesloten blijven. Weet u meteen waar de tekstschrijver van Monteverdi (Maria vespers) de mosterd vandaan haalde voor zijn echo aria: Porta orientalis.

  • de tempel = Maria’s moederschoot
  • de Heer die binnengaat = de conceptie, incarnatie
  • de poort die gesloten blijft = altijd maagd (ook post partum)

Zo ziet u maar dat de Schrift – mits handig uitgelegd – de meest wonderlijke dogma’s kan bewijzen.

Advent 2025, Dick Wursten


NOG WAT KERSTMUZIEK

Herzlich lieb hab ich dich o Herr

luisterpagina bij de uitgebreide toelichting (tekst en vertaling, achtergrond)

Michael Praetorius

Eenvoudige, elegante zetting van Michael Praetorius (Musae Sioniae VIII, nr. 202) uit 1610. Praetorius gebruikt een oudere versie van de melodie dan de huidige (EKG 397). Een gepunte beginnoot, en bij het ‘reciterende’ stuk ook een zinsdeel in achtsten, en bij de climax aan het eind neemt hij de tijd. Fraaie harmonisatie.

Hieronder het lied zoals het in 1597 in een Gesangbuch uit Dresden is gepubliceerd.

Heinrich Schütz

Heinrich Schütz had het niet zo op koralen (het Beckerse Psalter is de uitzondering op de regel, maar dat was ‘werk in opdracht’). Echter, de enkele koraalconcerten die hij geschreven heeft, zijn de moeite waard. Niet het vele is goed, maar het goede is veel ! Dit is er één van. Uit de Geistliche Chormusic (Musicalia ad chorum – Latijnse titel, 1648; chor is niet een koor in onze betekenis, maar de term voor elk stemmen-ensemble (zowel vocaal als instrumentaal zoals de ondertitel zegt “vocaliter und instrumentaliter zu gebrauchen“. Dus 6 zangsolisten mag, maar ook 1 zanger met instrumenten. Of zang met instrumentverdubbeling. Kies maar)
Schütz betitelt dit stuk als ‘aria’ (in elk stemboek, behalve in de sextus). Alle drie de coupletten worden op dezelfde muziek gezongen, ook de laatste Ach Herr, lass deine Engelein… (in de onderstaande editie – en veel uitvoeringen – wordt die weggelaten, maar ze staat wel degelijk in de originele stemboeken).

Of deze door Weser-Renaissance o.l.v. Manfred Cordes puur choraliter (zonder b.c.)

Franz Tunder

Heel fraai geestelijk concert van Franz Tunder (1614-1667) over het laatste couplet : Ach Herr, lass deine liebe Engelein… Die strofe kun je het protestantse antwoord op het roomse in Paradisum noemen. Leg ze maar eens naast elkaar (engelen, abrahams schoot). Zoek naast de overeenkomsten dan ook de verschillen. Uitvoering door het Ricercar Consort: Greta De Reyghere – soprano | François Fernandez – violin | Ghislaine Wauters – viola | Philippe Pierlot – bass viol | Kaori Uemura – bass viol | Bernard Foccroulle – organ

Dietrich Buxtehude

Een van zijn cantates, geestelijke concerten. Hieronder een inmiddels historische opname: het nieuwjaarsconcert ten paleize 1999. Currende o.l.v. Erik Van Nevel (met o.a. als bas: Willem Ceuleers, maar dit terzijde). Buxtehude neemt uitgebreid de tijd om alle drie coupletten van z’n eigen sfeer (instrumentatie en toonzetting) te voorzien. Zeer fraai. Kunt u niet tegen de oude vervormde camerabeelden (excuus, het was een VHS), dan staat er een andere ondere (Anima Eterna o.l.v. Immer Seel)

Below the oldest form of the tune/text (Zahn 8326) juxtaposed with the common tune (EKG 397)

Levita : 10 times ‘aravim’

בעשרה לשונות ערבים

Poem by Elia Levita (in fine of his grammar: Bachur). in every verse, which each occurrence of ערבים, the word should have a different (dinstinct) meaning. Biblical Puzzle. Levita claims it can be solved by finding a corresponding bible text. Except for the 11th, which is playing with the numerical value of hebrew words (gematria). This is how it looked in the original edition. (titel: shiri ha-mechaber, he author’s poem)

This is how it looks today (copied from wikisource. NB: E l i h w is enhanced in the first line.

The introductory phrase בעשרה לשונות ערבים נאמר שיר זה / וכן עניתי אל תבזה announces the poem (10 meanings), followed by a prayer (transcribed: “ba’ashra leshonot arvim ne’amer shir ze / vekan aniti el tivza” (in ten meanings the word ‘aravim’ is pronounced in this poem / and so I say: ‘Do not despise’)

בעשרה לשונות ערבים נאמר שיר זה / וכן עניתי אל תבזה

אֲשַׁבֵּחַ לְאֵלִי יָהּ וְאֶקֹּד / לְיוֹצֵר אוֹר וְלַמַּעְרִיב עֲרָבִים
הֱבִינַנִּי עֲשׂוֹת סֵפֶר בְּדִקְדּוּק / דְּבָרָיו צוּף וְכִדְבַשׁ נֶעֱרָבִים
וְכָלַלְתִּי כְּלָלִים בּוֹ קְצָרִים / חֲדָשִׁים גַּם יְשָׁנִים מׇעֳרָבִים
וּבוֹ רַאְיוֹת חֲזָקוֹת כָּאֲרָיוֹת / וְחַדּוּ מִזְּאֵבֵי הָעֲרָבִים
וְכָל סִפְרֵי מְדַקְדְּקִים לְפָנָיו / כְּמוֹ שֵׁתִים אֲשֶׁר אֵין בָּם עֲרָבִים
וְטוֹב מִפָּז וּמִזָּהָב וּמִכָּל / סְחַר רוֹכְלִים וְעוֹרְבֵי מַעֲרָבִים
קְנֵהוּ דּוֹד וּבוֹ תַעְמֹל וְתַעַל / כְּיוֹנֵק עֵץ וְכַשׇּׁרְשֵׁי עֲרָבִים
וְאַף אִם אֵין לְךָ כֶּסֶף מְחִירוֹ / לְקָחֵהוּ אֲבָל תִּתֵּן עֲרָבִים
בְּכֵן נִזְכֶּה לְקַבֵּץ שֶׂה פְּזוּרָה / תְּקַבֵּץ אֵל אֲשֶׁר רוֹכֵב עֲרָבִים
וְהַגּוֹאֵל לְיִשְׂרָאֵל יְגַל אֵל / בְּמַגְדִיאֵל וְיִשְׁמָעֵאל עֲרָבִים
וְהָרוֹצֶה לָדַעַת עֵת פְּרָטוֹ / אֲגֻדָּתוֹ יְחַסֵּר מִן עֲרָבִים

Below I gave it a try (with a little help from chatgpt in looking for correspondences. Not entirely convincing, but helpful.)

Semantic Fields of ע-ר-ב

The root ע-ר-ב encompasses several interrelated meanings:

  1. Mixing / Interweaving / Blending:
    • עֵרֶב (ʿerev): Evening, symbolizing the blending of day and night.
    • עֵרֶב רַב (ʿerev rav): Mixed multitude, referring to a diverse group, as in Exodus 12:38.
    • עֵרֶב (ʿerev): Woof, the crosswise threads in weaving, indicating interlacing.
  2. Pledging / Guaranteeing / Exchange:
    • עָרַב (ʿarav): To pledge or guarantee, as seen in Genesis 43:9.
    • עֵרָבוֹן (ʿeravon): A pledge or surety, indicating a form of security or guarantee.
  3. Evening / Darkness:
    • עֶרֶב (ʿerev): Evening, marking the transition from day to night.
    • עָרַב (ʿarav): To become evening or to grow dark.
  4. Pleasantness / Sweetness:
    • עָרֵב (ʿarev): Pleasant or sweet, often used to describe agreeable sounds or tastes.
  5. Geographical and Ethnic Terms:
    • עֲרָבָה (ʿaravah): A desert plain or wilderness.
    • עֲרָבִי (ʿaravi): An Arab or nomad, relating to the desert regions.
  6. Animals and Nature:
    • עֹרֵב (ʿorev): Raven, a bird often associated with dusk or darkness.
    • עֲרָבָה (ʿaravah): Also refers to a type of tree, such as the poplar.
HebrewEnglish
Distinct Meaning of “ʿAravim”)
Biblical Reference / explanation
אֲשַׁבֵּחַ לְאֵלִי יָהּ וָאֶקֹּד.
לְיוֹצֵר אוֹר וּלְמַעֲרִיב עֲרָבִים
I will praise my God and bow; to the Fashioner of light and the One who brings on eveningsGenesis 1:5 – “And there was evening and there was morning…”
The name of the prayer (‘the bringer of the Evening)
, מַעֲרִיב עֲרָבִים / ma’ariv aravim,
הֲבִינֵנִי עֲשׂוֹת סֵפֶר בִּדְקֻדּוּק.
דְּבָרָיו צוּף וּכְדְבַשׁ נֶעֱרָבִים
Grant me insight to compose a book on grammar; its words flow like nectar and are sweetPsalms 104:34 – “May my meditation be sweet unto Him” (יִעֱרַב)
וְכִלַּלְתִּי כְּלָלִים בּוֹ קְצָרִים.
חֲדָשִׁים גַּם יְשָׁנִים מְעֹרָבִים
I included rules, concise and clear; both new and old are intermingledExodus 12:38 – “And a mixed multitude went up with them” (עֵרֶב רַב)
וּבוֹ רְאִיּוֹת חֲזָקוֹת כַּאֲרָיוֹת.
וְחָרוּ מִזִּאֲבֵי הָעֲרָבִים
And in it are proofs strong as lions, and they burned hotter than ‘evening wolvesHabakkuk 1:8:
“Their horses are swifter than leopards, more fierce than ‘evening wolves”
(זְאֵבֵי עֶרֶב).
וְכָל סִפְרֵי הַמְדַקְדְּקִים לְפָנָיו.
כְּמוֹ שְׁתַּיִם אֲשֶׁר אֵין בָּהֶן עֲרָבִים
And all grammarians’ books before it are like two without guarantorsGenesis 43:9 – “I will be a guarantor for him (אָנֹכִי אֶעֶרְבֶנּוּ)”
וְטוֹב מִפָּז וּמִזָּהָב וּמִכָּל סֵחַר.
רוֹכְלִים וְעֹרְבֵי מִעֲרָבִים
Better than fine gold and trade goods, than merchants and the traders of wares ?? (orebi?)Ezekiel 27:21 – “Arabians and all the chiefs of Kedar were your merchants”
v. 14: הִתְעָרְבוּthey bartered / were involved in trade
קָנֵהוּ דָוִד וּבוֹ תַעֲמֹל וְתַעַל.
כְּיוֹנֵק עֵץ וּבְשָׁרָשִׁים עֲרָבִים
Acquire it, David, toil and ascend — like a tree sprouting from entwined roots ???Ezekiel 17:6 – “And it became a vine… with its branches turned toward him, and its roots were under him” (cf. metaphorical “entwining”)
וְאַף אִם אֵין לְךָ כֶּסֶף מְחִירוֹ.
לְקָחֵהוּ אֲבָל תִּתֵּן עֲרָבִים
Even if you lack the silver price, take it — but you must provide pledgesProverbs 20:16 – “Take his garment who is surety for a stranger”
לְֽקַח־בִּ֭גְדוֹ כִּי־עָ֣רַב זָ֑ר
בְּכֵן נִזְכֶּה לְקַבֵּץ שֵׂה הַפְּזוּרָה.
תִּקָּבֵץ אֶל אֲשֶׁר רֹכֵב עֲרָבִים
Thus may we merit to gather the scattered flock, to be brought to Him who rides the cloudsPsalms 68:5 – “Extol Him who rides upon the clouds” (רֹכֵב בָּעֲרָבוֹת)
וְהַגּוֹאֵל לְיִשְׂרָאֵל יִגְאָל אֵל.
בְּמִגְרִיאֵל וְיִשְׁמָעֵאל עֲרָבִים
And the Redeemer of Israel shall redeem us, in Migriel and Ishmael — ArabsIsaiah 60:7 – “All the flocks of Kedar shall be gathered unto you…” (context of Arab tribes) ?
וְהָרוֹצֶה לָדַעַת עֵת פְּרָטוֹ.
הֲלוֹא יִקַּח בְּיָדוֹ מִן עֲרָבִים
Whoever desires to know the date in detail — let him take, by his own hand, from (the numerals of) ‘ʿaravim’Gematria: עֲרָבִים = 322 → 5322 AM = 1561 CE (if subtracting 22 from “בידו”, then 5300 AM = 1539 CE)

Het onderpand van de Geest (‘arrabon’)

… van arav tot eruv

Inventio

Ter voorbereiding op BWV 37, waar het gaat over het ‘Pfand’ (onderpand) van het Geloof, van de Geest (in de eerste aria) ging ik op zoek naar de bijbelse wortels van dit woord. Gewoon concordantie: Het woord komt 3x voor in het NT: 2x in 2Korinthe, 1x in Efeze. citaten zie verderop). Het onderzoek veranderde in een ontdekkingsreis toen ik zag dat het Griekse woord voor ‘onderpand’ (ערב. ἀρραβών, arraboon) eigenlijk een ‘arameïsme’ is. Dat wil zeggen: het woord stamt uit de semitische taalgroep: ‘y-r-b’ (arab). Dit vond ik niet in een modern commentaar, maar zag ik gewoon staan in het bijbelcommentaar van J. Olearius (Biblische Erklärung) 5 folianten, die Bach zelf ook bezat. Ja hij was een leergierig mens. Olearius geeft drie betekenissen: I. het onderpand. II. de aanbetaling; en III. De bruid-schat (als verzekering van de geestelijke verloving met onze Heiland). Ja onthoudt zeker die laatste betekenis, want die komt ook voor in de cantate BWV 37 (in nr. 3).

Deze zeer geleerde heer professor legt in deze tekst (deel V, over 2 Korinthe 1:22) niet alleen omstandig de rijke betekenis van dit woord uit waarbij hij ook het Hebreeuwse woord ערב twee keer afdrukt (geelomrand). De laatste keer legt hij uit dat dit woord (met die betekenissen) als het ware een “hermeneutische sleutel” is tot het verstaan van het werk van de Heilige Geest. Aan het eind vermeldt hij zijn Hebreeuwse bron: Elias Levita. (Joodse Schriftgeleerde ca. 1469-1549).

transcriptie van de hele passage (J. Olearius, Biblische Erklärung…, vol V, 1267)
Das Pfand. arrhabona, cautio, qva ratificatur fidejussio [een waarborg waarmee de borgstelling wordt bekrachtigd]. Arab heist sich in eine Sache mischen wie ein Bürge I der gut sagt ערב … NB. Sprichw.6/1. 1.Mos.43/9. daher kömmt Arabon das Pfand c.38/17. das Pfand wird gegeben zur Versicherung der künftigen Zahlung /und Benehmung alles Zweyffels I s.Mos.24/6 .. 13. NB. und ist sonst unterschieden von dem Angelde / oder angefangenen Zahlung /wie auch von dem Mahl=Schatz I welchen verlobte Persohnen einander geben zur Versicherung der ehelichen Liebe und Treue. Und vom Geisel / 2.Kön.14/14. obsides (die Kinder zu Pfande nehmen.) Allhier aber ist alles zugleich beysammen. Denn der heilige Geist ist nicht allein
I. das Pfand und Versicherung unsers ewigen Erbes I und deß verheissenen ewigen Lebens /welches unfehlbar erfolgen wird I weil wir dessen durch dieses allerhöchste unendliche Pfand im Wort und Sacrament I überflüssig versichert sind. Sondern auch
ll. Das Angeld I und die allbereit geschehene würckliche Erweisung dessen I was uns Christus verheissen I von der Sendung dieses hochwertbesten Trösters I Joh. 14/15/l6.
lll. Der Mahl=Schatz und Versicherung der geistlichen Verlobung mit unserm Heylande I Hose.2. darauf die selige Heimführung gewiß erfolgen soll I der Seelen nach am letzten Ende /Luc.2. und mit Leib und Seel zugleich am jüngsten Tage. NB. Offenbar.22. woraus denn die Gewisheit unserer Seligkeit im Reich der Gnaden und Ehren /überflüssig erscheinet. NB. Rom.8. 2.Cor.1. … und dieses ist die höchste Versicherung wieder allen Zweifel. … wie die Gnaden= Versicherung bey grossen Herren I durch ihren Ring. NB. Esth.8/2. c3/10. Hag.2/24. Jer.22/24. und vom Hertzens=Siegel HoheL.8/6. Job.37/7. Und dieser Trost ist unaussprechlich. Gleich wie das Wort ערב davon Elias Levita sagt in Thisbi: Non invenitur radix in Univ. Bibl. qvae tot habeat significata scil. XI. in qvibus tamen omnibus qvaedam est commixtio [In de hele Bijbel wordt geen wortel (woordstam) gevonden, die zoveel betekenissen heeft, d.w.z. 11, waarin toch in alle gevallen sprake is van enige onderlinge vermenging.] NB. Psal.119/122. HoheL.2/14. Sprichw.20/17. & svavitas [und die Süßigkeit bzw. Lieblichkeit].

Und dieser Trost ist unaussprechlich. Gleich wie das Wort ערב davon Elias Levita sagt in Thisbi: Non invenitur radix in Univ. Bibli. quae tot habeat significata sc. XI. in quibus tamen omnibus quaedam est commixtio.

Op zoek waar Olearius dit nu precies gelezen had bij Levita, viel ik van de ene verbazing in de ander. Eerst ging ik natuurlijk op zoek naar Levita’s Tishbi . Dat bleek een boek dat in 1542 in Isny is uitgegeven door Paul Büchlein (beter bekend als Fagius) in een tweetalige uitgave: Hebreeuws-Latijn. Olearius citeert niet helemaal precies de Latijnse tekst, maar dit zal toch wel de bron (van zijn bron) zijn.

Ingezoomd, zie u de zin (non invenitur…) staan.

Ik kom daar nog op terug. De elf betekenissen (eigenlijk 10) heeft Levita in een gedicht uiteengezet in zijn grammaticaboek (sefer-ha-Bachur). Hier een link naar dit gedicht. Bovenstaande tekst bespreek ik verderop in détail.

Taalkundige achtergrond van ἀρραβών (arrābōn)

Het aramese woord voor ‘onderpand’, ‘aanbetaling’ , ‘voorschot’ (een onmisbare term uit de koopmanswereld) is ‘arrabon’ (Engels: caution, earnest money). Dit woord (met deze betekenis) is gewoon overgenomen in het Grieks (ὁ ἀρραβών). Het komt 3x voor in het Nieuwe Testament steeds verwijzend naar… de gave van de Geest (die dus als een soort onderpand/voorschot/aanbetaling/garanatie/belofte van de toekomende zaligheid geldt.

Grieks gebruik

In het Nieuwe Testament komt het woord ἀρραβών dus drie keer voor:

  • 2 Korintiërs 1:22 – “en Hij heeft ons ook het onderpand (arrābōn) van de Geest in onze harten gegeven”
  • 2 Korintiërs 5:5 – “Hij die ons juist hiervoor heeft toegerust is God, die ons het onderpand (arrābōn) van de Geest gegeven heeft.”
  • Efeziërs 1:14 – “[De Geest] is het onderpand (arrābōn) van onze erfenis…”

In alle drie gevallen verwijst de context naar de Heilige Geest als onderpand of aanbetaling, waarmee onze uiteindelijke verlossing wordt verzekerd. Dit is opmerkelijk, want in het Koinè-Grieks (dagelijkse omgangstaal) wordt ἀρραβών gebruikt in zakelijke of juridische contexten. Het verwijst naar

  • een eerste betaling (voorschot, als ‘garantie’ dat de rest zou volgen)
  • een onderpand (iets kostbaars) of een waarborgsom

Geen symbolisch of vrijblijvend gebaar—eens het onderpand gegeven was, moest de volledige betaling volgen.

Semitische oorsprong

Het Griekse woord ἀρραβών is een leenwoord uit de Semitische talen—waarschijnlijk uit het Aramees of Hebreeuws.

Hebreeuws: אַרְבוֹן (ʿarāvōn) — komt voor in de Hebreeuwse Bijbel
Genesis 38:17–20 — Juda geeft Tamar zijn zegel, halssnoer en staf als onderpand (ʿarāvōn), op grond waarvan Tamar hem later dwingen kan zijn belofte te houden.

De woordstam, het semitische drie-letter-werkwoord ʿRB (ע־ר־ב): borg staan, garanderen probeert men vaak terug te brengen tot één oerbetekenis. Die zou dan vermengen of verbinden zijn. Handeling of object A is verbonden met handeling of object B. Op een logische formule gebracht: Indien A , dan B.

TERZIJDE: Op dezelfde wijze geschreven (zelfde woordstam) zijn ook de woorden die duiden op ‘avond’ (ereb), ‘menging’ (irbuv) en ‘zoet’ (erav). Het Griekse woord arrābōn in het Nieuwe Testament is dus rechtstreeks geworteld in de Hebreeuwse/Aramese wereld van onderpanden, verbonden en gegarandeerde vervulling. Het is een juridisch én relationeel begrip, niet louter economisch: wie een onderpand geeft, bindt zichzelf aan de belofte.

De pagina’s (uit Tishbi)

Levita heeft zijn ‘Tishbi’ (woordspel met de woonplaats van zijn naamgenoot: de profeet Elia uit Tishbi (de Tisbiet)) beschouwd als een soort aanvulling op algemene woordenboeken, waarbij hij wat dieper ingaat op de betekenis van belangrijke Hebreeuwse woordstammen. Zijn andere boek ‘Bachur’ bevat dan eerder de Joodse grammatica (u weetwel: stamtijden, verbuigingen, syntax etc). Beide boeken had hij al geschreven en uitgegeven (in Italië) toen hij in 1539 door Paul Fagius (Pfarrer en zeer bekwaam Hebraist) naar Isny werd uitgenodigd. Fagius wilde een Hebreeuwse drukkerij voor christenen beginnen. Levita ging er graag op in (hij was zelf van Duitse origine). Tussen 1540-1542 rolden van die pers verschillende boeken, die nog eeuwenlang standaardwerken zijn geweest.

Van wikipedia (engels): During Elia’s stay with Fagius (until 1542 at Isny), he published the following works: Tishbi, a dictionary focusing on words that don’t appear in the Arukh,[3] containing 712 words used in Talmud and Midrash, with explanations in German and a Latin translation by Fagius (Isny, 1541); Sefer Meturgeman, explaining all the Aramaic words found in the Targum (Isny, 1541); Shemot Devarim, an alphabetical list of Yiddish technical terms translated into Hebrew, Latin and German (Isny, 1542);[4] and a new and revised edition of the Baḥur.[5] While in Germany he also printed his Bovo-Bukh – a yiddish chivalric romance.[2] 

Her de hele tekst van Levita

Transcriptie (Hebreeuws):

עָרַב –  לֹא נִמְצָא שׁרֶשׁ בְּכָל הַמִקְרָא שֶׁיֵּשׁ לוֹ כָל כַּךְ הַוָרָאֵת בְּשׁרֶשׁ הַזְךְ
כִּי אֶחָד עֶשָׂר לְשׁוֹנוֹת נִמְצְאוּ בוֹ
וְכַבַר חַבַּרְתִּי שִׁיָרָה חֲדָשָׁה בְסֵפֶר הַבָּחוּר שֶׁל עֲשָׂרָה בַּתִּים וּבְסוֹף כָּל בַּיִת מְלַת עֲרָבִים וּלְכָל אֶחָד הוֹרָאָה מִיוּחֶדֶת וְלֹא יָכוֹלְתִּי לְהַכְנִיס בּוֹ מִלַת עוֹרְבִים מִן * כָּל עוֹרָב לְמִינוֹ
כִּי אֵינוֹ נִכְנַס בְּמִשְׁקַל שֶׁל זֶה הַשִׁיר וּרוֹיל הִרְגִילוּ הַרְבֶּח בִלְשׁוֹן תַּעֲרובות בלשון אשכנז מושן
ובלעז מישקולאר בָּאִמְרָם עֲרוּב תַּבְשִׁילִין עֵרוּב חֲצֵרוֹת וְדִינָם מְבוֹאָר בְּפוֹסְקִים

English Translation and Commentary:

עָרַב – לֹא נִמְצָא שׁרֶשׁ בְּכָל הַמִּקְרָא שֶׁיֵּשׁ לוֹ כָּל כַּךְ הַוָרָאֵת בְּשׁרֶשׁ הַזֶּה
“ʿArab – There is no other root in all of Scripture that has such a great variety of meanings as this root.”

כִּי אֶחָד עֶשָׂר לְשׁוֹנוֹת נִמְצְאוּ בוֹ
“For eleven different meanings/usages have been found for it.”

וְכַבַר חִבַּרְתִּי שִׁירָה חֲדָשָׁה בְּסֵפֶר הַבָּחוּר שֶׁל עֲשָׂרָה בַּתִּים, וּבְסוֹף כָּל בַּיִת מִלַּת ‘עֲרָבִים’ – וּלְכָל אֶחָד הוֹרָאָה מִיּוּחֶדֶת
“And I have already composed a new poem in Sefer HaBachur consisting of ten verses, and at the end of each verse is the word ‘ʿaravim’, with each one bearing a distinct meaning.”

וְלֹא יָכוֹלְתִּי לְהַכְנִיס בּוֹ מִלַּת ‘עוֹרְבִים’ מִן כָּל עוֹרֵב לְמִינוֹ
“And I could not include in it the word ‘orvim’ (ravens), from the phrase ‘every raven after its kind’,
כִּי אֵינוֹ נִכְנַס בְּמִשְׁקַל שֶׁל זֶה הַשִּׁיר
“Because it doesn’t fit the meter of this poem.”

וְרוֹאִי הִרְגִּילוּ הַרְבֶּה בִּלְשׁוֹן תַּעֲרוּבוֹת, בִּלְשׁוֹן אַשְׁכְּנָז ‘מוֹשֶׁן’
“And people (contemporaries) have become accustomed to using it in the sense of mixtures, in the Ashkenazic tongue [Yiddish] as ‘moshèn’ [mixture].”3

וּבַלַּעַז ‘מִישְׁקוֹלָאר’ בָּאִמְרָם: עֵרוּב תַּבְשִׁילִין, עֵרוּב חֲצֵרוֹת, וְדִינָם מְבוֹאָר בַּפּוֹסְקִים
“And in the vernacular (Laaz, probably Old French or Judeo-Romance), ‘miskolar’ [= mixture] they call: Eruv Tavshilin, Eruv Chatzeirot, and their laws are explained in the halachic authorities (poskim).”

Linguistic Notes:

  • רוֹאִי (Ro’i):
    This word literally means “my seer” or “my one who sees,” and in context most likely refers to the author’s readers, disciples, or peers ?— those who understand and engage with his teachings. Fagius translates ‘Rabbini’ (is his translation made in coordination with Levita?)
  • לַעַז (La’az):
    This term denotes the vernacular languages spoken by Jews, especially non-Hebrew European languages like Old French, Italian, Spanish, or German, often incorporated with Hebrew. It derives from the phrase “לשון העם” (Lashon HaAm) — “the language of the people.’ In this passage, Laaz refers to the Romance languages, with ‘mescolar’ being the Italian verb for “to mix. Where ‘Ashkenaz’ is used for the German tongue: Moshn.
  • מישן is the common Yiddish/German term, generally spelled ‘Mishn’, mischen, meaning “to mix,” indeed used to translate or parallel the Hebrew root ע-ר-ב.
  • Both examples given at the end are halachic traditions/discussions. Eruv Tavshilin—allows one to cook on Yom Tov (a Jewish Holyday) the sake of Shabbat. Eruv Chatzeirot— symbolically joins multiple private domains into one shared space, so that carrying objects between them on Shabbat becomes permitted. Full discussion on https://www.chabad.org/library/article_cdo/aid/257752/jewish/Eruv.htm

Hier de vertaling van Fagius

ARab ] Non inuenitur Radix in tota Biblia, quæ tot habeat significata atq[ue] hæc Radix. Undecim enim modos significandi habet. Et iam composui carmen nouum in libro Bachur, quod constat 10. bathim. Et in fine cuiuslibet metri inuenitur dictio ערבים & quæq[ue] habet suam propriam significationem, nec potui hic commode referre ערבים Cujus usus est Levit. 11. Omnis quoque corvus iuxta genus suum. Non enim convenit cum mensuratione huius carminis. Cæterum Rabbini utuntur pro commixtione, Germ. müschen. Italicè mesch kolar, ut quum dicunt ערוב תבשילין (in de gedrukte tekst staat geen shin, maar een samek of een mem). Item, ערוב חצרות (in de gedrukte tekst staat eerder een kaf dan een tsade) quorum ritus explicatur apud Causidicos.


Vertaling (Nederlands):

ARab ] Er is geen ‘hebreeuwse woordstam’ in de hele Bijbel te vinden die zoveel betekenissen heeft als deze. Zij heeft namelijk elf mogelijke betekenissen. Ik heb zopas nog een nieuw gedicht geschreven voor het boek Bachur, dat uit 10 bathim (verzen) bestaat. En aan het eind van elk vers komt het woord ערבים voor, en elk heeft zijn eigen betekenis. Ik kon er echter een betekenis van ערבים er niet inkrijgen, zoals die gebruikt wordt in Leviticus 11: “Elke raaf (oreb)) naar zijn soort”. Want het past niet bij het metrum of omvang (mensuratio) van dit lied. Verder gebruiken de Rabbijnen (het Hebreeuws “Ro’i” wordt door Fagius (in samenspraak met Levita?) gewoon met Rabbijnen vertaald) het voor menging, in de askhkenazische taal (Duits) mischen, in het Italiaans mescolare, zoals wanneer ze zeggen ערוב תבשילין eruv tavshilim (menging van gekookt voedsel op de avond voor een feest-shabbat). Eveneens ערוב חצרות eruv chatsarot (menging van ‘voorhoven’ = vervoer van voedsel mogelijk), waarvan het gebruik wordt uitgelegd bij de wetgeleerden (Causidici, halachische autoriteiten).

Erhalte mich..

Aria from the ‘Funeral Music’ for Leopold (Prince of Anhalt-Köthen)
BWV 244a (second part, first aria)
– The prince had died at the age of 33;
– The mourners’ pray: Spare us the fate of an untimely death.
– The music you will recognize : ‘Erbarme dich’…

Erhalte mich,
Mein Gott, in der Hälfte meiner Tage!

Schone doch,
Meiner Seele fällt das Joch
Jämmerlich.
Erhalte mich,
Gott, In der Hälfte meiner Tage.
Preserve me,
my God, in the midst of my days!
Spare me yet,
when upon my soul the yoke falls
piteously.
Preserve me,
my God, in the midst of my days!  

Meine liebe hängt am Creutz …

Dit lied is in Duitsland nooit echt populair geweest (i.t.t. tot Nederland via een vertaling die geen vertaling is ‘Mijn verlosser hangt aan ‘t kruis’ – zie onder, want hierover gaat het artikel). Jammer want het is eigenlijk een mooi lied, ontdekte ik toen ik de originele tekst zocht en vond. Het blijkt een zeer compact gedicht te zijn, met een aparte opbouw (korte 3de regel in het midden, rijmend op de vorige). De blikrichting gaat van buiten naar binnen. Het is een bezinnend gedicht. Bij recitering en/of zang hangt alles af van de sfeer die je kiest. Het is de toon die de muziek maakt. Het lied (gedicht) dateert uit 1676.

De tekst

Meine Liebe hängt am Creutz!
Ich will Ihn daselbst umfassen,
und nicht lassen,
daß er durch sein theures Blut
mache mich gerecht und gut.

Meine Liebe hängt am Creutz!
was häng ich denn an den Brüsten
schnöder Lüsten?
wäre doch die Welt nur mir,
und ich auch gecreutzigt ihr.

Meine Liebe hängt am Creutz!
Ich will seiner stets gedencken,
wenn mich kräncken
Sünde Tod und Teufel Höll,
Er macht selig meine Seel.

Deze drie strofen ‘behandelen’ elk een manier van kijken naar ‘mijn gekruisigde liefde’. Alle drie bezinnend. De blik gaat eerst naar Jezus (‘Meine Liebe’ die aan het kruis hangt), maar slaat meteen naar binnen.
Couplet 1: ‘Meine Liebe’ (Hij die ik liefheb) is gekruisigd, maar ik laat hem niet los, sterker nog: wil hem ‘omvatten’ (bijna omarmen: associatie met de kruismeditaties uit de Middeleeuwen) want door zijn zelfgave (zijn bloed) redt hij mij.
Couplet 2: ‘Meine Liebe’: het beeld verschiet, verschuift naar de liefde waarmee ik aan de wereldse lusten vasthang. Die wereld, ja ik, zou gekruisigd moeten worden. Dit gebeurt met krasse beeldspraak: ‘Was häng ich denn an den Brüsten / schnöder Lüsten’. Ook dit is geheel in lijn met de middeleeuwse geestelijke oefeningen aan de voet van het kruis (ad pectus) en met de Hooglieduitlegging van o.a. Bernard van Clairvaux als het over de ubera gaat).
Couplet 3: Deze scène, dit beeld van ‘liefde’, houd ik voor ogen als ik zelf lijden moet. Gedachtenis (memoria) is de manier waarop dit gebeuren zijn kracht aan mij doorgeeft en mijn ziel zalig maakt.

De bron

Deze drie coupletten hebben voor het eerst het licht gezien in 1676 in een uitgave van een meditatief boek (voor de lijdenstijd). Ze staan rondom een crucifix gegraveerd. De auteur van dat boek is de Lutherse theoloog en historicus Adam Tribbechov (1641-1687).4. Hij schreeft dit boek in opdracht van zijn ‘baas’ (de hertog van Sachsen) aan wie het ook opgedragen is, zij het dat de opdracht kwam van de vader (Ernst) en het is opgedragen aan de zoon (Friedrich) – 1675 was het sterfjaar van eerstgenoemde. Het vermoeden dat Adam zelf de dichter is van de drie strofen die de afbeelding sieren wordt bevestigd door de heel precieze toewijzing van de eerste drie strofen van dit lied aan D(octor) Adam Tribbechov in de gezangenbundel, die in 1724 in Gotha verscheen (afbeelding, zie verderop).

De drie strofen staan rondom de afbeelding van Jesus crucifixus (op een hartvorm). Boven de afbeelding: “Meine Liebe ist gecreuziget” (een citaat uit de brief van kerkvader Ignatius aan de Romeinen (7,2; Amor meus crucifixus est). In het voorwoord verwijst de auteur expliciet naar Ignatius, en noemt dit dienst levensmotto.
Onder afbeelding: “Ich halte ihn und will Ihn nicht lassen” (een referentie naar Genesis 32, Jacob aan de Jabbok?). Op de linkerpagina de eigenhandig geschreven opdracht aan (hertog) Friedrich.

De titelpagina van het boek

TITEL: Die gecreuzigte Liebe / Das ist: Andächtige Betrachtung einer gläubigen Seelen / Uber die Historia des bittern Leidens und Sterbens Jesu Christi unsers HERRn und Heylandes... Auff Gnädigsten Fürstl. Befehl… von Adam Tribbechov

De gedachtengang uit dit gedicht keert terug in “Die XIV. Betrachtung der Passions-historia”, volgend op de beschrijving van de kruisiging. In die meditatie spreekt de ziel de gekruisigde aan (Liebster Jesu…) en maakt dan dezelfde drievoudige overweging maar dan in gebedsproza (paragrafen 29-31, p. 214-216).

Mijn verlosser hangt aan ‘t kruis (een ander lied)

Dit gedicht zal in het Duits genoten moeten worden, vrees ik, want de Nederlandse tekst, die wij kennen is geen vertaling, maar een vrije bewerking uit de 19de eeuw: ‘Mijn verlosser hangt aan ‘t kruis‘ (Ahasverus van den Berg). Ik leerde het als kind op school (waarom dit passielied? Het was een makkelijk aan te leren tekst met ditto melodie, vermoed ik). Ik vond het toen al mooi. Dat had niet met de inhoud te maken (dat waren klanken zeer gelijkend op diegene die zondag aan zondag door de oude kerk galmden in preken), maar met de versvoet, ritme, klank, rijm en melodie . De vertaler – ds. Ahasverus van den Berg (1733-1807) – heeft het oorspronkelijke meditatieve lied echter omgevormd tot een preek over het plaatsbekledend lijden van Christus. Het is in 1806 opgenomen in de ‘Evangelische Gezangen’. Vakkundig gedaan, maar nu ik het origineel voor me heb, zeg ik toch vooral : Jammer! De naar binnen gerichte, bezonnen, bijna mystieke sfeer van het Duitse gedicht is namelijk weg. Het is – sorry Ahasverus – prekerig. En teveel platitudes in plaats van overpeinzingen, verlustiging in uiterlijkeheden (wonden) in plaats van verinnerlijking. Omhaal van woorden in plaats van beknoptheid (zeker als je de later geschrapte coupletten ook nog eens leest). Kortom, Mijn Verlosser hangt aan ‘t kruis is een ander lied dan dit gedicht. Het feit dat hij 10 coupletten schreef en het originele lied er maar drie heeft (later is een 4de toegevoegd door iemand anders) zegt eigenlijk al genoeg.5. Vandaar een herkansing, niet voor het in Holland stukgezongen 18de/19de eeuwse lied, maar voor het onbekend gebleven 17de eeuwse Duitse gedicht.

De dichter is Adam Tribbechov

Adam Tribbechov (1641-1687) , is een Lutherse theoloog (professor Gotha) en ‘superintendent’ (Lutherse variant van bisschop) met grote belangstelling voor de kerkgeschiedenis. De tekst is zeer katholiek (NB: dat is geen tegenstelling met Luthers), een gebalde, korte meditatie aan de voet van het kruis. De titel van het boek (en de motiefregel het lied) lijkt ontleend aan een zeer geliefde tekst uit de brief aan de Romeinen van de kerkvader Ignatius van Antiochië Amor meus crucifixus est (“Mijn liefde is gekruisigd”. Ignatius verwijst daarbij niet naar de gekruisigde, maar naar zijn begeren om te willen blijven leven hier op aarde. Dat begeren (die ‘amor’) is gekruisigd. NB: dat is de inhoud van het tweede couplet. 6 Adam Tribbechov heeft met de keuze van deze titel, beginregel, heel bewust een double entendre geïntroduceerd, en in zijn gedicht dus ook uitgewerkt (couplet 1 en 2). Enfin: allemaal – nu wat ver van ons afstaande, maar toen heel gebruikelijke – beeldtaal voor een geestelijke oefening: ‘zich te binnen brengen, eigen maken, in zich opnemen via de zintuigen en het gevoel, wat Christus heeft gedaan/geleden’. Het besef van dankbaarheid, liefde die wederliefde oproept, alle aardse lust en lijden relativeert, en de belijder tot een nieuw engagement drijft : een upgrade van het menselijke ethos.

… en niet Benjamin Schmolck

Benjamin Schmolck (1672-1737) wordt gewoonlijk als auteur genoemd in de Nederlandse taalwereld (niet in de Duitse. Daar wordt dit tamelijk onbekende lied wel correct toegeschreven aan Tribbechov). Schmolck was in 1676 nog maar 3, hooguit 4 jaar. Dus exit Schmolck. De toeschrijving van dit lied aan deze veelschrijver – o.a. bekend van cantateteksten getoonzet door Telemann – lijkt terug te gaan op het boek dat A.W. Bronsveld in 1917 wijdde aan het ontstaan van de ‘Evangelische Gezangen’ (1806). Bronsveld kent het Duitse origineel niet, en vermoed dat Ahasverus van den Berg een lied van J.A. Schlegel als voorbeeld heeft genomen voor zijn lied. Dat lied van Schlegel is op zijn beurt weer een aanpassing/bewerking van …. komt ie … een lied van Schmolck7. Dat lied heeft een duidelijk andere versstructuur, en is thematisch verwant. Deze verlegenheidssuggestie is dus in de daaropvolgende jaren canoniek geworden. Niemand heeft de moeite genomen het te controleren. Jammer. Ad den Besten (Compendium) vermeldt zelfs zonder verpinken dat het in Schmolck’s verzamelbundel Sämtliche Trost- und Geistreiche Schriften, staat. Niet dus.

De melodie

De melodie? Degene die wij kennen komt voor in een mooie zetting van Christian Friedrich Witt (kapelmeester te Friedenstein), gepubliceerd in diens Psalmodia sacra 1715. Deze interessantie uitgave bevat 762 gezangen, waarvan 351 met melodie en becijferde bas (in de appendix nog eens 12 gezangen met 5 melodieën). Ca. 100 nieuwe melodieën, die waarschijnlijk (dus) van Witt zullen stammen. Zoals onderhavige! Dus, schrijf maar op: melodie, waarschijnlijk Christian Friedrich Witt. Het is de gekende melodie (maar net niet helemaal en natuurlijk versierd), met een becijferde bas. Een geestelijke aria voor de ‘Haus-andacht’.

Psalmodia Sacra – liederen met zettingen van Chr. Fr. Witt

Deze melodie en het lied heeft daarna een zekere bekendheid genoten. Nooit een topper geworden. Interessant is wel de opname in de Johannespassie van J.F. Fasch (‘O wir armen Sünder – Johannespassie’), kapelmeester in Zerbst, op Goede Vrijdag 1723.


Hieronder nog iets curieus: 66 Stücke für Tasteninstrument (Orgel) – J.C. Kuhnau ?) een Manuscript met klavier(orgel) stukken. Berlijn 1772 staat erop.

66 Stücke für Tasteninstrument (Orgel) Datengeber: Staatsbibliothek zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz

For completeness een fotovan het lied van Ahasverus van den Berg uit de Evangelische Gezangen, nr. 124

Eerste gezangboekuitgaven (Gotha 1691/1724)

De opname in een gezanboek vindt ook plaats in Gotha (thuisregio), een bijlage van het Geistliches Gesangbuch (Gotha, 1691, nr. 7. p. 483), daar aangevuld met een vierde strofe van de hand van Johann Heinrich Rumpel, destijds professor aan het gymnasium in Gotha (†1699). Voorzover ik weet is dat ook de eerste keer dat het ‘als lied’ gedrukt wordt.

Gothaisches Gesagbucht (1691) – Anhang.

In de herdruk van 1724 wordt alle keurig toegewezen: D(octor) Adam Tribbechov, en het 4de couplet niet van hem, maar Joh. Heinr. Rumpel.

(vermeerderd) Gothaische Gesangbuch, nr. 118. (1724)

P.S.

1 de stichtelijke werken van Tribbechov

Naast veel theologische werken (Latijn), heeft Trebbichov twee stichtelijke werken geschreven, beide in opdracht van de Hertog van Sachsen (Ernst I, bijgenaamd ‘De vrome’, overleden 1675). Hier de volledige titels: „Andachten vom ewigen Leben, aus dem Freuden-Spiegel des ewigen Lebens Dr. Phil. Nicolai gezogen“ (1674). Als ik het goed begrijp is dit boek wel geschreven, maar pas na de dood van Adam Tribbechov door diens zoon uitgegeven, postuum dus. Het tweede boek in opdracht is het onderhavige: „Die gecreutzigte Liebe, Das ist: Andächtige Betrachtung einer gläubigen Seelen über die Historia des bittern Leidens und Sterbens JESU CHristi“ (1676). No in opdracht van hertog Ernst, maar opgedragen aan hertog Friedrich, de opvolger. Redelijk succesrijk, want er zijn herdrukken bekend uit 1695, 1718, 1720. Best de moeite waard om eens door te bladeren. https://books.google.be/books?id=pjifPZTpQCAC&printsec=frontcover

2 Ignatius, brief aan de Romeinen (Grieks-Nederlands)

ζῶν “γὰρ γράφω ὑμῖν, ἐρῶν τοῦ ἀποθανεῖν. ὁ ἐμὸς ἔρως ἐσταύρωται, καὶ οὐκ ἔστιν ἐν ἐμοὶ πῦρ φιλόλον’ ὕδωρ δὲ ξῶν καὶ λαλοῦν” ἐν ἐμοί, ἔσωθέν μοι λέγον’ Δεῦρο πρὸς τὸν πατέρα.
Want al levend schrijf ik jullie terwijl ik verlang (eroon) te sterven. Mijn verlangen (eros) is gekruisigd, en er is in mij geen vuur meer dat wereldse dingen wil (filolon = filo-kosmon?), maar water dat leeft en spreekt in mij, dat van binnenuit tot mij spreek: Kom tot de vader.


NOTEN

Rynkeby

Fresco in de kerk in Rynkeby (16e eeuw), Denemarken. https://www.rynkeby-revninge.dk/rynkebygalleri

Dat staat nergens in de dogmatiek,
hoogstens in het boek van de gezangen,
dat het diepste menselijk verlangen
wordt vervuld met zingen en muziek,

dat de rechter op die dag der dagen
waar de dichter van geschreven heeft
niet van straf en oordeel zal gewagen
maar het teken voor het zingen geeft,

en dat dan de engelen in kringen
ieder op zijn eigen instrument
spelen en de zaligen dan zingen
ziende op de grote dirigent

die de maat van de muziek der sferen
slaat met beide handen hoog omhoog,
tronende in heerlijkheid en ere
op de banen van de regenboog.

voor Jan van Biezen

J.W. Schulte Nordholt, Contrafactengedichten op reis en thuis, p. 60-61

De lezer(es) herkent het Dies Irae in de tekst. Jan van Biezen (1927-2021) aan wie dit gedicht is opgedragen was de muzikale compagnon van Schulte Nordholt. Samen gaven ze het boek ‘hymnen’ uit (met o.a. het Dies Irae). Schulte vernederlandste het kerklatijn, Biezen maakt het gregoriaans zingbaar. Weet u meteen waar het Liedboek (1973) z’n mosterd vandaan haalde, toen ze een hele reeks oud-kerkelijke hymnen opnam. Zingen met de kerk van eeuwen, in de gemeenschap der heiligen. Dat doet dan meteen weer denken aan het laatste (7de) couplet van gezang 466 (How sweet the name of Jesus sounds – John Newton) vertaald door Willem Barnard. Als je het origineel opslaat, besef je dat je hier niet Newton, maar Barnard hoort:

O naam, eeuwige ademtocht,
een sterveling ben ik,
als eens mijn eigen adem stokt
dan draagt mij uw muziek.

J.W. Schulte Nordholt, Contrafactengedichten op reis en thuis (Baarn, z.j.) p. 60-61

Door goede machten (Bonhoeffer, twee vertalingen)

Dietrich Bonhoeffer: Von guten Mächten … Originele duitse tekst met twee Nederlandse vertalingen. Sinds 1988 is het handschrift (slot van een brief aan Maria von Wedemeyer, d.d. 19/12/1944) raadpleegbaar, wat tot enkele kleine correcties heeft geleid.1

Handschrift van Dietrich Bonhoeffer (slot van de brief aan Maria) http://www.predigten.uni-goettingen.de/archiv-8/bonhoeffer-faksimile.jpg, Gemeinfrei

Geschreven voor de jaarwisseling 1944-1945, in de gevangenis onder het Gestapohoofdkwartier in Berlijn (Prinz-Albrecht-Straße), door Dietrich Bonhoeffer (1906 – 9 april 1945).

Short bio & background

Bonhoeffer was een nog jonge, maar reeds internationaal bekende Duitse theoloog en predikant, toen in 1933 de Arier paragraaf in Duitsland werd ingevoerd: Elke ambtenaar (incl. dominees) moest een bewijs voorleggen dat hij geen Joodse voorouders had. Dietrich en enkele anderen tekenden protest aan. Tegen de stroom van het Volkschristentum richtte hij samen met o.a. Karl Barth en Martin Niemöller de Pfarrenotbund op, die een tegenwicht wilden bieden tegen de deutsche Christen, die onder leiding van bisschop Müller helemaal meeging in de nationalistisch, arische nachtmerrie. Kenmerkend voor de ‘tegenbeweging’ binnen de kerk is de geloofsverklaring (Belijdenis, Bekenntnis) opgesteld in Barmen (de Barmer Thesen). Nr. 1: “Er is maar één Woord dat wij moeten volgen en gehoorzamen, dat is Jezus Christus, zoals die in de Heilige Schrift ons wordt betuigd (Dus geen keine andere Führer…). Dietrich wordt directeur van een eigen seminarie / predikanenopleiding (Finkenwalde – in 1937 door de gestapo gesloten) en onderhoudt internationale contacten, waar hij veel van verwacht (proto-oecumenische beweging, ook volkenbond). Na de Kristallnacht (1938) beseft hij dat het gewelddadig bewing van Hitler met geweld zal moeten worden bestreden (hoewel hij zelf neigde tot pacifisme). Overtuiging leidt tot engagement: Hij werkt mee aan ‘Officieren tegen Hitler‘. Op 5 april 1943 wordt hij gearresteerd (nog los hiervan). Zijn laatste brief dateert van 19 december 1944. Deze is aan zijn verloofde Maria von Wedemeyer gericht. Ze eindigt met de mededeling dat hem een paar regels zijn ingevallen, die hij als kerstgroet aan Maria en de overige familie op papier heeft gezet (zie boven): het gedicht ‘Von guten Mächten treu und still umgeben’.

Lees de tekst. Laat ‘m maar op u inwerken. Diepe eenvoud.

Het godsvertrouwen is bij Bonhoeffer geïnterioriseerd. Geen ‘geloof’. Het ìs. Hij ontvangt z’n leven uit Gods hand, het goede en ook het kwade (liever niet, natuurlijk, maar als het moet, dan toch ook… van harte. Ja – lees het derde couplet). Ik vermoed dat dit enkel mogelijk is omdat hij van jongs af aan zichzelf getraind heeft om contemplatief-actief te leven, en die beide aspecten nooit van elkaar los te koppelen: geestelijke oefeningen (discipline) om je leven echt ten dienste te stellen van God (en dus de mens), en dan meteen weer terugkoppelen, bezinnen… een rijk innerlijk leven maakt handelingsbekwaam.

Vertaling uit “Verzet en overgave“, 1956 (Jos Tielens?)

Door goede machten stil en trouw omgeven,
beschermd, getroost, beveiligd wonderbaar,
zo wil ik deze dagen met u leven
en met u binnengaan in ’t nieuwe jaar.

Nog drukt de zware last van kwade dagen,
nog komt het oude kwellen hart en hoofd.
Voor onze opgejaagde zielen vragen
wij, Heer, het heil dat Gij ons hebt beloofd.

En zo Gij ons de bittere kelk wilt geven
vol leed, gevuld tot boven aan de rand,
dan nemen wij hem dankbaar, zonder beven
uit uw goede en getrouwe hand.

Maar wilt Gij ons nog eenmaal vreugde schenken
aan deze wereld en de glans der zon,
dan willen wat voorbijging wij gedenken:
U zij ons leven dat uit U begon.

Laat warm en stil vandaag de kaarsen branden:
Gij hebt ze in onze duisternis gebracht.
Breng, als het zijn kan, ons weer bij elkander.
Wij weten het : uw licht schijnt in de nacht.

Zij het dat diepe stilten ons omringen,
laat ons toch horen, Heer, nu als voorheen,
het lofgezang dat al uw kindren zingen
het volle lied der wereld om ons heen.

Door goede machten wonderbaar geborgen
wachten wij rustig wat ons lot ook zij.
God is met ons in de avond en de morgen,
en elke nieuwe dag is Hij nabij.


J.W. Schulte Nordholt (Liedboek voor de kerken, 1973)

1 Door goede machten trouw en stil omgeven,
behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar,
zo wil ik graag met u, mijn liefsten, leven,
en met u ingaan in het nieuwe jaar.

2 Wil nog de oude pijn ons hart vernielen,
drukt nog de last van ‘t leed dat ons beklemt,
o Heer, geef onze opgejaagde zielen
het heil waarvoor Gij zelf ons hebt bestemd.

3 En wilt Gij ons de bitt’re beker geven
met gal gevuld tot aan de hoogste rand,
dan nemen wij hem dankbaar zonder beven
aan uit uw goede, uw geliefde hand.

4 Maar wilt Gij ons nog eenmaal vreugde schenken
om deze wereld en haar zonneschijn,
leer ons wat is geleden dan herdenken,
geheel van U zal dan ons leven zijn.

5 Laat warm en stil de kaarsen branden heden,
die Gij hier in ons duister hebt gebracht,
breng als het kan ons samen, geef ons vrede.
Wij weten het, uw licht schijnt in de nacht.

6 Valt om ons heen steeds meer het diepe zwijgen,
de eenzaamheid, die nergens uitkomst ziet,
laat ons dan allerwege horen stijgen
tot lof van U het wereldwijde lied.

7 In goede machten liefderijk geborgen
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgens,
is zeker met ons elke nieuwe dag.


Duitse tekst uit brief aan Maria von Wedemeyer (19/12/1944)

in de voetnoten de varianten die in de overgetypte versie stonden en tot 1988 dus als origineel werden aanzien

Von guten Mächten treu und still umgeben,
behütet und getröstet wunderbar,
so will ich diese Tage mit euch leben
und mit euch gehen in ein neues Jahr.

Noch will das alte2  unsre Herzen quälen,
noch drückt uns böser Tage schwere Last.
Ach Herr, gib unsern aufgeschreckten3 Seelen
das Heil, für das du uns geschaffen4 hast.

Und reichst du uns den schweren Kelch, den bittern
des Leids, gefüllt bis an den höchsten Rand,
so nehmen wir ihn dankbar ohne Zittern
aus deiner guten und geliebten Hand.

Doch willst du uns noch einmal Freude schenken
an dieser Welt und ihrer Sonne Glanz,
dann wolln wir des Vergangenen gedenken,
und dann gehört dir unser Leben ganz.

Laß warm und hell5 die Kerzen heute flammen,
die du in unsre Dunkelheit gebracht,
führ, wenn es sein kann, wieder uns zusammen.
Wir wissen es, dein Licht scheint in der Nacht.

Wenn sich die Stille nun tief um uns breitet,
so laß uns hören jenen vollen Klang
der Welt, die unsichtbar sich um uns weitet,
all deiner Kinder hohen Lobgesang.

Von guten Mächten wunderbar geborgen,
erwarten wir getrost, was kommen mag.
Gott ist bei6 uns am Abend und am Morgen
und ganz gewiß an jedem neuen Tag.


[1] Maria von Wedemeyer maakte al in 1944 een kopie voor de familie. Deze werd in 1945 hectografisch vermenigvuldigd en was de basis voor de eerste publiaties en is dus ook gepubliceerd door E. Bethge in Widerstand und Ergebung. Vandaar dat dit tot 1988 de ‘standaardtekst’ was.
[2] Urtext zonder hoofdletter, dus adjectief van ‘Jahr’ !
[3] Getypte versie: aufgescheuchten
[4] Getypte versie: bereitet
[5] Getypte versie: still
[6] Getypte versie: mit