Nicolaus Herman, zangmeester / meesterzanger

Actief: Joachimstal ( Sudetenland, Bohemen, nu Tsjechië: Jáchymov)
Beroep: cantor, onderwijzer, leraar verbonden aan de Lateinschule.

  • 1 januari 1500 te Altdorf (bij Neurenberg)
    † 3 mei 1561 te Joachimsthal (West-Bohemen)

Onder de „lieddichters” is Nerman degene die heel expliciet vermeld, dat hij zijn liederen heeft geschreven met het oog op kinderen, zijn leerlingen. Hij draagt ze zelfs expliciet aan hen op, ‘de voor de kinderen van Joachimstal, staat er boven. De liederen hadden een pedagogisch-didactische strekking. De bijbelverhalen samen met hun kernboodschap in de hoofden en harten van de kinderen (en daarachter: de gezinnen) te brengen. Het merendeel van deze ‘gebruiksliederen’ hebben de tand des tijds niet overleefd, maar zijn meer algemene liederen wel:
een avond- en een ochtendgebed: „Hinunter ist der Sonnenschein”„Die helle Sonne leuchtet jetzt hierfür”,,
een lied om Kerstmis te zingen: „Lobt Gott, ihr Christen alle gleich”,
een lied om met Pasen te zingen :„Erschienen ist der herrlich Tag”.
Wellicht het meest invloedrijk is zijn lied met de dood voor ogen „Wenn mein Ständlein vorhanden ist”. Tot en met Robert Schumann komen we het tegen. In het Liedboek voor de Kerken uit 1973 zijn deze ook alle 5 te vinden. (ingekort, en het laatste lied jammer genoeg iets te subjectief vertaald door Ad den Besten, waardoor het nu gedateerd is, wat voor het origineel in veel mindere mate het geval is).

Van 1518 tot 1557 was Herman cantor en leraar in de zilvermijnstad Joachimsthal in het Boheemse Ertsgebergte. Hij maakte de korte bloeiperiode van Joachimsthal mee als economisch, cultureel, religieus en intellectueel centrum. Tegen het einde van zijn leven was de neergang van de stad al voelbaar. In het voorwoord bij zijn Historien beschreef hij de bedrukt-gemoedelijke stemming van de bevolking: zijn medeburgers en de overheid waren moedeloos en ontmoedigd, omdat de inkomsten terugliepen. God had zich „nu en dan voor ons verborgen” en had ook „de mijnbouw doen stokken”. De mijnwerkers – waaronder hij zichzelf rekent – hadden behoefte aan troost. Die troost moesten zij vinden in de verhalen van het Oude Testament, waarin talrijke voorbeelden van hongersnood en van Gods redding te vinden zijn; ook menige ervaring in Joachimsthal kon de hoop doen groeien. Menige arme had God „hier eer en bezit geschonken”. Ook Herman rekende op een nieuwe opleving.

Al vroeg had Herman zich bij de reformatorische beweging aangesloten. De samenwerking met Johann Mathesius – van 1532 tot 1540 rector van de Latijnse school, vanaf 1542 prediker en sinds 1545 de eerste evangelisch-lutherse predikant in Joachimsthal – werd gekenmerkt door een diepe vriendschap. „Wanneer heer Mathesius een goede preek had gehouden, was de vrome cantor er spoedig bij en bracht hij de tekst met de voornaamste leerstukken in de vorm van een gezang, want bij een goede preek hoort een mooi lied.” Beiden bleven hun leven lang trouwe aanhangers van Luther en diens kring.

Herman had een gezin met kinderen, maar moest zich wegens jicht voortijdig laten pensioneren en stierf op eenenzestigjarige leeftijd. Zijn levensavond beschouwde hij – ondanks de hevige pijnen – met grote dankbaarheid. Door zijn werkloosheid was hij namelijk eerst in financiële moeilijkheden geraakt, maar hij had een patroon (beschermheer, maecenas) gevonden in Florian Griespeck von Griesbach (een adviseur van de Habsburgse keizer), die hem een ‘pensioen’ had toegewezen. Zo kon Hermann nu in alle gemoedsrust nog meer liederen te dichten, en zijn hele collectie klaar te maken om te laten drukken.

De vrucht van een leven dat in jarenlange arbeid met kinderen in school en gezin tot rijpheid was gekomen. Sinds 1550 waren slechts afzonderlijke liederen verschenen; in 1560 en 1562 kwamen dan zijn beide verzamelbundels uit: Eerst de Sontags-Evangelia (voor elke zondag een lied) en de Historien (Schriftliederen bij de verhalende stof van de bijbel, m.n. het Oude Testament, maar ook wat extra’s over bijv. Johannes de Doper (z’n hele leven en sterven in 44 coupletten). Het grote aantal herdrukken tot in de zeventiende eeuw weerspiegelt het succes en het belang van zijn liedverzamelingen. Hij wist de inhoud van het evangelische geloof eenvoudig en helder te verwoorden, zonder vlak of oppervlakkig te worden. Zijn kunst verleent glans aan de eenvoud; de liederen zijn waardevol omdat zij aan de kinderen toebehoren:
„Ihr allerliebsten Kinderlein,
dies Gesangbüchlein sol euer sein.”

Hoewel Herman niet de eerste was die een cyclus van zondagsevangelieën samenstelde, werd hij tot ver in de twintigste eeuw een voorbeeld voor allen die zich aan deze taak waagden (zoals die andere bekende lieddichter: Johann Heermann). Alles wat hij belangrijk achtte, zette Herman op muziek en gaf hij in poëtische vorm door. Zo zou het, ondersteund door een melodie, al zingend uit het hoofd geleerd kon worden. Dit pedagogische streven komt ook duidelijk tot uitdrukking in de volgende titel: „Die Haustafel darinn einem jeden angezeiget wird, wie er sich in seinem Stand verhalten sol. Inn ein Gesang gefasst …”. Hij componeerde maar enkele nieuwe melodieën (maar stuk voor stuk blijvers!), omdat hij het veel efficiënter vond om goede bekende wijzen te gebruiken, uit zowel het wereldlijke (mijnwerkersliederen) als als het geestelijke repertoire (zowel Luthers liederen als de klassieke Latijnse hymnen).

De Sontags Evangelia waren in eerste instantie bedoeld als lesmateriaal voor de meisjesschool in Joachimsthal, de eerste van de Reformatietijd. Om ervoor te zorgen dat de evangelieteksten niet alleen werden „opgezegd”, maar ook gezongen konden worden, voorzag Herman ze van melodieën. Zo schiep hij een Duits equivalent van de Latijnse perikopenpoëzie, die al lange tijd in het schoolonderwijs werd gebruikt. In twee opzichten gingen de Duitse liederen verder dan de Latijnse gedichten: zij werden gezongen, zodat de muziek haar werking kon ontplooien, en zij werden nog sterker met de geloofspraktijk verbonden, doordat vaak een gebed op het lied volgde. Hermans fundamentele doel was de kinderen grondige bijbelkennis en daarmee het evangelie bij te brengen, zodat betere voorwaarden werden geschapen voor het horen van Gods Woord in de prediking.

Deze aandacht voor de volkstaal en de opvoeding middels muziek is op zich niet uniek. Wel heeft deze in Herman een exemplarische uitwerking gekregen. Daarnaast was hij natwuurlijk ook gewoon onderwijzer/leraar en cantor (net als Bach). Dat wil zeggen dat hij les gaf in het Latijn (de hoofdtaal van de school) en dat hij met zijn jongens (schola) de kerkmuziek verzorgde. Het zal menige lezer verbazen, maar dat gebeurde in de Lutherse kerken van Joachimstal voor veruit het grootste deel in het Latijn. In de bibliotheek van de school, waar hij les gaf, is ook een prachtig zangboek aangetroffen, waarin hij op bijna Middeleeuwse wijze, alle Cantica sacra heeft opgeschreven: alle antifonen, responsoria en hymnes zoals die volgens het liturgisch rooster gezongen moesten worden. Een liturgieboek dus, die op school werd ingeoefend.

Ook is de term „kinderlieddichter” misleidend in die zin, dat achter het kind u het gezin moet zien. De ‘huisvader’ was in het Lutherse ‘Bildungs’ideaal ook de voorganger in de huisliturgie. Het samen zingen, bijbellezen, catechismus leren, en elkaar bemoedigen hoorde bij deze kerk(levens)visie. Daarbij was het samen zingen van groot belang. .

Literatuur: Theologische Realenzyklopädie, dl. 15 (1986), p. 95–97 (Blankenburg). – Musik in Geschichte und Gegenwart, dl. 6 (1957), kol. 219–221 (Blankenburg). – Rößler, Martin: Liedermacher im Gesangbuch. Stuttgart² 1992, dl. 1, p. 85–116.

Werken:
Die Sontags/Euangelia/vnd von den fürnemsten Festen vber das gantze Jar/In Gesenge gefasset fur Christliche Hausveter vnd ire Kinder/Mit vleis corrigirt/gebessert vnd gemehret/Durch Nicolaum Herman im Joachimsthal. Wittenberg 1562 (1e druk 1560 onder een andere titel). –
Die Historien von der Sindfluth, Joseph, Mose, Helia, Elisa vnd der Susanna sampt etlichen Historien aus den Euangelisten, Auch etliche Psalmen vnd geistliche Lieder, zu lesen vnd zu singen in Reyme gefasset, Fur Christliche Hausveter vnd ire Kinder, Durch Nicolaum Herman im Joachimsthal […] Wittenberg 1562.

Een deel van de liedteksten is afgedrukt bij Philipp Wackernagel, Das deutsche Kirchenlied, dl. 3, Leipzig 1870 (Hildesheim 1964), nr. 1351–1453. – Voorwoorden en slotrede bij Philipp Wackernagel, Bibliographie zur Geschichte des deutschen Kirchenliedes im XVI. Jahrhundert, Frankfurt a.M. 1855 (Hildesheim 1987), nr. 67, p. 608–611; nr. 70, p. 612–619.