Cyrillus over het Hooglied en Maria Magdalena

Toen ik de Paaspreek aan het voorbereiden was over Maria Magdalena die ‘s morgens vroeg ronddoolt in de hof op zoek naar de Heer, moest ik denken aan de scène in het Hooglied, waar de bruid (het meisje) ‘s nachts op zoek is naar haar geliefde, door de stad dwaalt en hem niet vindt. Dan wordt ze door de wachters aangesproken, en – plots – vindt ze hem, grijpt hem vast en wil hem niet meer loslaten… Cyrillus van Alexandrië zag 1600 jaar geleden dezelfde verbanden als ik. De tekst in kwestie is Hooglied 3: 1-4 (vertaling zie onder). Het verhaal van Maria in de hof vindt u in Johannes 20: 1, 11b-18 (met de beroemde Noli me tangere scène, oneindig vaak afgebeeld). Zou de evangelist de tekst van Hooglied gebruikt hebben als matrix om zijn vertelling over Maria vorm te geven?
Hooglied 3: 1-4 (vertaald naar Septuaginta)
1. ’s Nachts in mijn bed (rustplaats) zocht ik mijn zielsbeminde.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.
2. “Ik zal opstaan, rondgaan in de stad, in de straten, op de pleinen, en mijn zielsbeminde zoeken.”
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.
3. De wachters vonden mij op hun ronde door de stad.
“Hebben jullie mijn zielsbeminde gezien?”
4. Nog maar nauwelijks was ik hun voorbij gegaan, daar vond ik mijn zielsbeminde. Ik greep hem vast en zal hem niet meer loslaten tot ik hem gebracht heb in het huis van mijn moeder, in de kamer van haar die mij baarde.
Commentaar van Cyrillus op Hooglied 3, vers 1: Op mijn bed, ‘s nachts zocht ik mijn geliefde

Ἐπὶ κοίτην μου ἐν νυξὶν ἐζήτησα.
Τὰς γυναῖκας δηλοῖ, τὰς ἐλθούσας μιᾷ Σαββάτων ὄρθρου βαθέως ἐπὶ τὸ μνῆμα τοῦ Ἰησοῦ, καὶ μὴ εὑρούσας αὐτόν. Τὸ οὖν, ἐπὶ τὴν κοίτην, ἢ ἀπὸ κοίτης φησὶν, ἢ κοίτην ἑαυτῆς τὸ τοῦ Κυρίου μνῆμα καλεῖ, καθ’ ὃ συνθαπτόμεθα αὐτῷ. Ἀλλ’ οὐχ εὗρεν αὐτὸν, ἀκούσασα· «Οὐκ ἔστιν ὧδε· ἠγέρθη γάρ.» Καὶ εὗρον αὐτὴν οἱ τηροῦντες ἄγγελοι, οὓς καὶ ἐρωτᾷ· «Ποῦ τεθείκατε τὸν Κύριον;» Ἀλλὰ παρελθούση τοὺς ἐρωτηθέντας, ὑπήντησε λέγων· «Χαίρετε.» Διό φησιν ὡς μικρὸν παρῆλθον ἀπ’ αὐτῶν ἕως εὗρον, καὶ οὐκ ἀφήσω αὐτόν. Ἐκράτησε γὰρ οὗτος πόδας αὐτοῦ, καὶ ἤκουσε· «Μή μου ἅπτου.» Οἶκον δὲ μητρὸς τὴν συναγωγὴν ἀποστόλων φησὶ, εἰς ἣν ἀπελθοῦσα εὐηγγελίζετο τοῦ Χριστοῦ τὴν ἀνάστασιν.
Nederlandse vertaling
De citaten uit Hooglied 3 onderlijn ik en de impliciete Schriftcitaten heb ik geëxpliciteerd. De Griekse (en Latijnse) woorden voor ‘bed’ en ‘graf’ zijn breder/meerduidiger.
– κοίτη koitè (cubicule of lectum) = rustplaats (kan het bed zijn, maar ook de ruimte, slaapkamer).
– μνῆμα – mnèma (Latijnse vertaling heeft sepulcrum, maar had monumentum kunnen gebruiken; woordstam is identiek: gedenken) = gedenkteken, tombe.
Cyrillus zegt/schrijft:
Hooglied 3, vers 1: Op/van mijn rustplaats zocht ‘s nachts naar mijn geliefde
Het gaat hier over de vrouwen die zeer vroeg op de Sabbath naar het gedenkteken van Jezus zijn gegaan, en hem niet hebben gevonden. – ‘Op de rustplaats of ‘vanuit de rustplaats‘: ‘haar rustplaats‘, zo noemt ze het gedenkteken van de Heer waarin wij met hem begraven zijn (Rom 6,4). Maar zij vond hem niet maar hoorde daarentegen: “Hij is hier niet, want hij is opgestaan.” (Lk 24,6). En de wachthoudende engelen vonden haar, aan wie zij vroeg: “Waar hebben jullie de Heer gelegd?” (Joh 20,15). En terwijl zij de ondervraagden voorbijging, verscheen de Heer zeggend: “Gegroet” (Mt 28,9). Daarom staat er/zegt ze: ‘Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan en ik vond hem, en ik liet hem niet meer los‘ (=Hgl 3:3,4). Want zij greep zijn voeten vast, en zij hoorde: “Houd mij niet vast”. (Joh 20,17 – nvdr: voeten = conflatie met Joh 12,3). Het ‘huis van de moeder‘ (=Hgl 3,4), zo noemt hij/de tekst de samenkomst (synagoge in het Grieks, coetus in het Latijn) van de apostelen, waarheen hij haar zond om de blijde boodschap te brengen van Christus’ opstanding. (Joh 20,18)
Dick Wursten, Pasen 2023
