παρὰ θῖνα θαλάσσης / para thina thalasses

Homerus, Ida, en Ezra


παρὰ θῖνα θαλάσσης

Drie woorden slechts van Homerus, — 
               o hóór het kantelen en ruisen
dat er in schuilt; — als een kind
               dat gelovig de schelp aan het oor legt.
Hoorde ge eigenlijk nooit
               dat komen en gaan, gaan en komen:
hoorde ge eigenlijk nooit
               de zee in het vers van Homerus?


Gedicht van Ida Gerhardt (uit De zomen van het licht, 1983 — titel van de bundel verwijst naar De rerum natura van Lucretius. Afdeling in de bundel: een naam in schelpen)


1.
Para thina thalasses” (Grieks: παρὰ θῖνα θαλάσσης) is een beroemde uitdrukking uit de klassieke literatuur en betekent letterlijk “langs het strand van de zee“. De tekst komt uit de Ilias van Homerus (Boek 1, vers 34), Vollediger (maar nog niet compleet, zie onder Homerus) luidt de versregel para thina poluphloisboio thalasses (παρὰ θῖνα πολυφλοισβοῖο θαλάσσης.)
Het woord poluphloisboio (luid-ruisend) wordt vaak gebruikt in het onderwijs om uit te leggen wat een onomatopae is (klanknabootsing): Spreek het uit, en je hoort het rollen en breken van de golven op het strand. Het is bijvoeglijk naamwoord bij thalasses (zee). In moderner grieks zou de uitgang niet ‘oio’ maar ‘ou’ zijn, en is het effect weg.
Onbedoeld of bedoeld —dat weet ik niet— laat Ida Gerhardt (1983) net dat woord weg en vraagt in het gedicht aan de hoorders toch of ze de zee horen ‘kantelen en ruisen’. Door de weglating hoor/voel ik nog wel de golven (dat zullen dactylussen (dactyloi?) zijn die zich na de cesuur (na thina) zo mooi neerleggen in het woord thalasses)… maar ik hoor de branding van poluphloisboio niet meer… φλοῖσβος (phloisbos) = bruisend.

2.
Origineel is Ida niet: In Mœurs Contemporaines (1919) gebruikte Ezra Pound het bij Ida ontbrekende woord in een engels gedichtje, met daaronder de volledige Griekse frase: “Para thina poluphloisboio thalasses”. De context bij Ezra is wel iets uitbundiger dan bij Ida


VI
Stele

After years of continence
           he hurled himself in a sea of six women.
Now, quenched as the brand of Meleagar,
           he lies by the poluphloisboious sea-coast.

παρὰ θῖνα πολυφλοισβοῖο θαλάσσης

SISTE VIATOR.


Stele, rechtopstaande zuil.
Meleager, Grieks dichter van epigrammen (m.n. liefdesgedichten)
Siste viator: Sta stil, reiziger (in de Romeinse tijd vaak als epitaaf op grafmonumenten),

3.
En ja, dan nu Homerus. De zinsnede komt het begin van de Ilias, het griekse epos over de wrok van Achilles. De zin is het kantelmoment in de introductie. Degene die langs het strand loopt en de branding van de zee hoort bulderen in zijn oren is de oude priester Chryses. Hij komt net bij Agamemnon vandaan, de aanvoerder van het Griekse leger dat voor Troje (Ilium) ligt. Hij kwam zijn dochter vrijkopen (buitgemaakt toen de Grieken Thebe hadden ingenomen), hij had het losgeld bij zich. Alle Griekse vorsten waren akkoord lezen we bij Homerus, enkel Agamemnon niet. Die snauwt de grijsaard toe: “Ik laat haar niet gaan, nooit. She is mine! Weven kan ze, in mijn huis, delen zal ze, mijn bed. En nu wegwezen jij, als je leven je lief is!”

Zo sprak hij en de grijsaard werd bang en gehoorzaamde het bevel
Zwijgend ging hij langs het strand van de
polu-phloisboio zee,

Ὣς ἔφατ᾿, ἔδεισεν δ᾿ ὃ γέρων καὶ ἐπείθετο μύθῳ·
βῆ δ᾿ ἀκέων παρὰ θῖνα πολυφλοίσϐοιο θαλάσσης·

Een cruciaal moment, deze stille tocht langs de bruisende zee, want als het kamp van de Grieken in de verte verdwijnt, staat Chryses stil, en schreeuwt het uit tot Apollo (‘roept hem aan’). HIj smeekt hem om de Grieken te straffen, het onrecht/de schande hem en zijn dochter aangedaan te wreken. Welnu, Apollo laat geen bidder staan, en zal via de wrok van Achilles het Griekse kamp grote schade toebrengen. Ja, zo gaat dat.

Voor de liefhebbers, nog drie officiële vertalingen van deze twee hexameters. Eerst de klassieke (ook in dactylische hexameters, ja!) van H.J. de Roy van Zuydewijn (1980/1993), dan een totaal andere vertaling van Patrick Lateur, die de jambische pentameter kiest, zonder rijmdwang (2010).

De Roy van Zuydewijn
Ga en prikkel me niet, zodat je veilig naar huis keert!’
De oude werd bang van dat woord en deed zoals hem gezegd werd.
Stil ging hij heen langs het strand en de luid omstortende branding.

Patrick Lateur
Ga weg en terg me niet, wanneer je toch
nog veilig en behouden thuis wil komen.’
De oude man was bang en gaf gehoor
aan het bevel. Stilzwijgend liep hij langs
de oever van de zee. De branding bruiste.

Imme Dros
Maak dat je wegkomt en erger me niet als je leven je lief is,’
zei hij. De oude man werd bang en deed wat gezegd werd.
Stilletjes sloop hij langs de rusteloos ruisende zee weg,


Leesfragment (website Athenaeum/Scheltema)

[bron: https://athenaeumscheltema.nl/leesfragmenten/archief/2010/ilias]

Eerste zang
De wrok van Achilles

Aanroeping van de Muze

De wrok, godin, van Peleus’ zoon Achilles
moet u bezingen. Hij was dodelijk,
bracht voor Achaiërs rampspoed zonder einde
en stuurde naar de Hades vele schimmen
van forse helden; lijken werden voer
voor honden en voor vogels allerhande.
Maar zo voltrok zich het besluit van Zeus.
Begin vanaf de dag toen twist een breuk
bracht tussen Atreus’ zoon, bevelhebber
van krijgsvolk, en de godlijke Achilles.

Pest in het kamp van de Achaiërs

Maar wie toch van de goden dreef die twee
tot twist en strijd? De zoon van Zeus en Leto.
Verbolgen op de vorst had hij een ziekte,
de pest, verwekt in heel het legerkamp. 10
De krijgers stierven één voor één. De zoon
van Atreus had zijn priester zwaar beledigd,
toen Chryses met ontzaglijk losgeld kwam
tot bij de snelle schepen der Achaiërs.
Hij dacht zijn dochter daarmee vrij te kopen.
Een gouden scepter droeg hij in de hand
waarrond de wollen hoofdband van Apollo,
de god die treft van verre, was gebonden.
Hij smeekte alle Danaërs, het meest nog
de twee Atriden, leiders van het krijgsvolk:
‘Zonen van Atreus en ook u, Achaiërs
met sterke scheenplaat, voor u wens ik dat
de goden die op de Olympos huizen,
u de verwoesting gunnen van de stad
van Priamos en een behouden thuiskomst.
Maar laat mijn dochter vrij, aanvaard het losgeld 20
en heb ook eerbied voor de zoon van Zeus,
de godheid die van verre treft, Apollo.’

Toen juichten alle Danaërs dat toe
en stemden ermee in de priester te
ontzien, het prachtig losgeld aan te nemen.
Dat was niet naar de zin van Agamemnon,
de zoon van Atreus. Smadelijk joeg hij
hem weg. Brutaal en bars klonk zijn bevel:
‘Jij, oude vent, ik wil je nooit meer zien
nabij de holle schepen! Of je nu
blijft dralen of nadien nog eens terugkomt:
je scepter en de hoofdband van jouw god
beschermen jou dan zeker niet. Want haar
laat ik niet vrij! Nog eerder zal de oude
dag haar in mijn paleis in Argos vinden, 30
ver van haar vaderland, terwijl zij daar
het weefgetouw bedient, met mij het bed deelt.
Ga weg en terg me niet, wanneer je toch
nog veilig en behouden thuis wil komen.’

De oude man was bang en gaf gehoor
aan het bevel. Stilzwijgend liep hij langs
de oever van de zee. De branding bruiste.
En toen de grijsaard zich verwijderd had,
klonk vurig zijn gebed tot heer Apollo,
de zoon van Leto met de mooie lokken:
‘Aanhoor me, godheid met de boog van zilver,
die het hoogheilig Killa, de stad Chryse
beschermt en machtig heerst op Tenedos,
god Smintheus. Als ik tot uw vreugde ooit
een tempel van een dak voorzag of ooit
van stieren en van geiten vette schenkels 40
voor u verbrandde, wil dan deze wens
voor mij vervullen: dat de Danaërs
nu door uw pijlen boeten voor mijn tranen.’

Zo bad hij. Foibos heeft hem toen verhoord.
Apollo’s hart was toornig en hij liep
van de Olympostoppen naar beneden
met rond zijn schouders boog en koker, dicht
langs beide kanten. Pijlen rammelden
zodra hij woedend in beweging kwam.
Hij kwam zoals de nacht en zette zich
ver van de schepen neer en schoot een pijl af.
Een vreselijke klank kwam uit de boog
van zilver. Muildieren en snelle honden 50
bestookte hij het eerst, maar richtte dan
zijn scherpe pijlen op de krijgers: telkens
raak. Laaiend van de lijken brandden toen
ononderbroken niet te tellen stapels.

Kalchas’ godsspraak

Apollo’s pijlen kwamen negen dagen
lang op het scheepskamp neer. De tiende
dag riep Achilles de soldaten samen.
Want die gedachte was hem ingefluisterd
door Hera, de godin met blanke armen.
Zij was bezorgd, omdat zij toe moest zien
hoe de Argeiërs sneuvelden. Toen allen
verzameld waren in vergadering,
verhief Achilles met de snelle voeten
zich in hun kring en nam het woord tot hen:
‘Atride, onze onderneming faalt,
zo denk ik nu, wij moeten weer naar huis,
als wij tenminste aan de dood ontkomen, 60
want pest en oorlog zullen tegelijk
de Danaërs doen vallen. Kom, wij moeten
een ziener vragen of een priester of
een droomverklaarder – ook de droom gaat uit
van Zeus. Hij moet ons zeggen wat Apollo
zo woedend maakte: is hij ontevreden
om het verzuim van een gelofte of
een plechtig offer? Wellicht wil hij walm
van vlekkeloze lammeren en geiten
aanvaarden en ons voor verderf behoeden?’

Zo sprak hij en ging zitten. In hun midden
verhief zich Kalchas, zoon van Thestor, ziener
van al wat is, zal zijn en er ooit was, 70
veruit de beste vogelwichelaar.
Dankzij de zienersgave die Apollo
hem had gegeven, wees hij ooit de weg
naar Troje voor de vloot van de Achaiërs.
Bedacht op hun belang nam hij het woord:
‘Achilles, lieveling van Zeus, jij vraagt mij
de wrok van de trefzekere Apollo,
mijn meester, te verklaren. Wel, ik doe het.
Maar jij moet luisteren en mij dan zweren
dat jij bereid bent me met woord en daad
te helpen. Ja, ik weet dat ik de toorn
zal wekken van een man die over alle
Argeiërs machtig heerst en naar wie wordt
geluisterd door Achaiërs. Als een vorst
vertoornd is op een mindere, blijft hij 80
de sterkste. Want hij mag zijn woede wel
dezelfde dag verbijten, toch bewaart hij
die wrok voor later in zijn borst, totdat
hij hem gekoeld heeft. Overweeg nu eerst
of jij kunt borg staan voor mijn veiligheid.’

Hem gaf Achilles met de snelle voeten
als antwoord: ‘Wees gerust, vat moed en zeg
maar wat de godsspraak jou heeft ingegeven.
Want bij Apollo, die door Zeus geliefd is,
tot wie jij, Kalchas, bidt als jij orakels
voor de Argeiërs openbaart, ik zweer:
zolang ik leef en zonlicht zie op aarde –
aan jou zal niemand bij de holle schepen
zijn zware handen slaan, niet één van alle
Achaiërs, zelfs al noem je Agamemnon, 90
die zich erop beroemt dat hij nu veruit
de machtigste van de Argeiërs is.’

De onberispelijke ziener vatte
toen moed: ‘Apollo is niet ontevreden
om het verzuim van een gelofte of
een plechtig offer, maar omdat zijn priester
door koning Agamemnon werd beledigd:
zijn dochter kwam niet vrij, de vorst aanvaardde
geen losgeld. De trefzekere Apollo
zond daarom rampspoed en er volgt nog meer.
Hij zal dat smadelijk verderf niet weren
van de Argeiërs, vooraleer het meisje
met levendige ogen aan haar vader
teruggegeven wordt, maar zonder koopsom
nu, zonder losgeld, en vóór wij naar Chryse
een heilig offer sturen. Dan eerst kunnen
wij hem misschien verzoenen en vermurwen.’ 100

De twist

Zo sprak hij en ging zitten. In hun midden
verhief zich toen de held, de zoon van Atreus,
de wijd en zijd heersende Agamemnon.
Hij was gegriefd, zijn geest geheel gehuld
in duister en vervuld van woede, ogen
had hij als vonken vuur. Eerst keek hij boos
naar Kalchas en hij zei: ‘Onheilsprofeet!
Nog nooit voorspelde jij iets in mijn voordeel.
Je vindt altijd plezier in het voorspellen
van ongeluk. Nog nooit heb jij iets goeds
gedaan of uitgesproken. En ook nu weer
verklaar je in het openbaar een godsspraak
voor de Achaiërs: de Trefzekere
zou dáárom rampspoed brengen over hen 110
omdat ik voor het meisje, Chryses’ dochter,
geen schitterende losprijs wou aanvaarden.
Natuurlijk dat ik haar veel liever thuis hou!
Want ik verkies haar boven Klytaimnestra,
mijn legitieme vrouw. Zij hoeft niet onder
te doen voor haar in schoonheid en gestalte,
noch in verstand en handwerk. Toch wil ik haar
teruggeven, als dat het beste is.
Want ik verkies het welzijn van mijn krijgsvolk
boven zijn ondergang. Achaiërs, jullie
bezorgen mij terstond een eergeschenk,
opdat ik niet als enige Argeiër
hier zonder eergeschenk zal staan. Want zoiets
is onbehoorlijk. Elkeen ziet hoe mij
het eergeschenk verloren dreigt te gaan.’ 120

Toen gaf Achilles met de snelle voeten
hem antwoord: ‘Roemrijke Atride, jij bent
van allen de hebzuchtigste! Hoe kunnen
de fiere Danaërs een eergeschenk
aan jou bezorgen? Nergens kennen wij
nog grote buit die onverdeeld bleef liggen.
De buit uit de verwoeste steden is
verdeeld en het betaamt niet dat het krijgsvolk
die dingen op een hoop weer samenbrengt.
Laat jij haar nu uit eerbied voor de godheid
gaan. Driemaal, viermaal zullen wij, Achaiërs,
jou wel vergoeden, mochten wij door Zeus
het goed ommuurde Troje ooit verwoesten.’

De heerser Agamemnon gaf ten antwoord: 130
‘Hoe dapper jij ook bent, godengelijke
Achilles, huichel toch niet zo. Je zult
me niet te slim af zijn, noch overtuigen.
Wil jij, om zelf je eergeschenk te houden,
dat ik hier zomaar zit met lege handen?
Verzoek jij mij haar dáárom weer te geven?
Mij goed, wanneer de fiere Danaërs me
een eergeschenk bezorgen naar mijn zin
en met dezelfde waarde. Geven zij
het niet, dan kom ik zelf een eergeschenk
ophalen, dat van jou of dat van Ajas,
of neem ik dat van Odysseus maar mee.
Ja, wie ik opzoek, zal heel toornig worden.
Komaan, dat alles zullen wij wel later 140
nog eens bespreken. Wat nu moet gebeuren:
een zwart schip trekken in de zee vol glinsters
en het bemannen met een keur van roeiers,
aan boord de hecatombe brengen én
Chryseïs, meisje met de mooie wangen.
Eén iemand uit de krijgsraad neemt de leiding,
Idomeneus of Ajas, Odysseus,
de godlijke, of jij, Pelide, meest
geduchte van ons allen, in de hoop
de god die uit de verte treft, met ons
weer te verzoenen door een heilig offer.’

Achilles met de snelle voeten keek
hem dreigend aan en zei: ‘Ach, wat!? Jij, vat
vol onbeschaamdheid. Jou drijft winstbejag.
Hoe wil je dat nog iemand der Achaiërs 150
van harte luistert naar wat jij beveelt,
hetzij een expeditie wacht, hetzij
hij dapper tegen mannen moet gaan vechten?
Ik ben toch niet omwille van Trojaanse
lanszwaaiers hier gekomen voor een oorlog.
Zij hebben niets misdreven tegen mij.
Nooit hebben zij mijn koeien of mijn paarden
gestolen, nooit vernielden zij mijn oogst
in het vetkluitig, mannenvoedend Fthia.
Er liggen tussenin talloze bergen
vol schaduw en een zee met luide galm.
Nee, jou zijn wij gevolgd, voor jouw plezier,
jij die totaal geen schaamte kent. Hondsvot,
voor jou en Menelaos willen wij
van de Trojanen eerherstel verkrijgen.
Maar niets daarvan bekommert jou, het deert 160
je niet. Nu dreig je mij zelfs eigenhandig
mijn eergeschenk, waarvoor ik veel doorstond
en dat de zonen der Achaiërs mij
geschonken hebben, te ontnemen. Nooit
krijg ik een evenwaardig eergeschenk
als de Achaiërs een welvarende
Trojaanse stad verwoesten. Maar mijn handen
zijn wel het meest van alle in de weer
in het onstuimig oorlogswerk. En wordt
de buit verdeeld, dan is jouw eergeschenk
veel groter. Met een klein ben ik tevreden,
vermoeid van vechten keer ik dan terug
naar onze vloot. Maar nu ga ik terug
naar Fthia. Echt, het is veel beter weer
naar huis te keren op gekromde schepen. 170
Voor jou hier rijkdommen in overvloed
verzamelen, terwijl ik in mijn eer
ben aangetast, dat ben ik niet van plan.’

De aanvoerder van krijgsvolk, Agamemnon,
gaf antwoord: ‘Vlucht maar, als je hart dat nu
verlangt. Ik smeek je niet voor mij te blijven.
Ik heb hier nog wel anderen om mij
te eren, allereerst de wijze Zeus.
Van alle koningen die afstammen
van Zeus, verfoei ik jou het meest. Altijd
hou jij van ruzie, oorlogen en vechten.
Ben jij heel sterk, dan is dat een geschenk
van goden, denk ik. Vaar maar met je schepen
naar huis, speel daar de baas over je volk
van Myrmidonen. Over jou maak ik 180
me niet bezorgd, ik geef niet om je woede.
Neem deze dreiging voor gezegd: nu Foibos
Apollo mij Chryseïs afneemt, stuur ik
haar met mijn eigen schip, mijn eigen mannen.
Maar zelf kom ik naar jouw verblijf en haal
Briseïs weg, jouw eergeschenk, het meisje
met mooie wangen. Jij moet goed beseffen
hoezeer ik jou hier overtref in macht.
Dat ook een ander er terug voor deinst
zich mijns gelijke te verklaren en
zich openlijk met mij gelijk te stellen.’

[…]

Copyright vertaling © 2010 Patrick Lateur/Athenaeum—Polak & Van Gennep, Singel 262, 1016 AC Amsterdam


De eerste verzen van Homeros’ Odyssee

05 augustus 2016, door Patrick Lateur
[bron: https://athenaeumscheltema.nl/vertalers/2016/de-eerste-verzen-van-homeros-odyssee-vertaald-door-patrick-lateur]

Na zijn Ilias-vertaling (2010) komt Patrick Lateur nu met de Odyssee – het tweede boek van de Westerse literatuur, over de terugkeer van de Griekse held Odysseus. Wij vroegen hem waarom hij Homeros’ openingsverzen heeft vertaald zoals hij ze heeft vertaald. Over iamben, woordvolgorde en alliteratie.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Lateurs Ilias-vertaling. En schreef Imme Dros voor ons over de laatste zin van haar Ilias-vertaling.

ἄνδρα μοι ἔννεπε, μοῦσα, πολύτροπον, ὃς μάλα πολλὰ
πλάγχθη …
De man van vele listen moet u, Muze,
voor mij bezingen. Hij zwierf zeer veel rond

De iambe, niet de hexameter

Lang vóór men zich ook maar waagt aan een vertaling van het eerste vers van een epos dat zo’n invloed heeft gehad op de Europese cultuur, moet men zich afvragen in welke vorm het homerisch epos zich het best laat vertalen en ook hoe je recht doet aan het woord dat de dichter in zijn ouverture met nadruk naar voren schuift. Beide vragen heb ik voor mezelf al moeten beantwoorden bij het vertalen van Homeros’ Ilias (Athenaeum, 2010).

Het vertalen van antieke poëzie lijkt me in hoge mate een vormprobleem te zijn. De vele versvormen die Griekse en Latijnse dichters hanteren zijn in hedendaagse Nederlandse poëzie amper of niet terug te vinden. Schwartz’ keuze (1951) om Homeros’ epen in proza weer te geven blijft verdedigbaar, want Homeros is een magistraal verteller. Maar de eerste dichter van het Avondland verdient het vooral in versvorm te worden omgezet. Liefst geen hexameter, want die versvorm werd in oorspronkelijke Nederlandse poëzie voor het laatst gebruikt door Bilderdijk. En dat is inmiddels twee eeuwen geleden. Een hedendaagse omzetting vraagt een evenwaardige versvorm, die geen geweld doet aan de inhoud van het origineel, noch aan de Nederlandse syntaxis of de geldende versvormen en -normen. De Franse filosoof Paul Ricoeur pleit in Sur la traduction (2004) voor een ‘équivalence sans identité’, een gelijkwaardigheid zonder gelijkheid. In die geest koos ik bij de omzetting van de homerische hexameter voor het blanke vers, dat in onze literatuur gebruikt wordt voor epische poëzie, zoals in Gorters Mei en de Interludiën van Karel van de Woestijne. Dit vijfvoetig jambisch vers leunt het dichtst aan bij het natuurlijk ritme van onze taal en blijkt ook bij voordracht uitstekend aan te sluiten bij de orale traditie van de homerische rapsoden.

De man, niet de muze

Het probleem bij de weergave van het allereerste woord van Ilias en Odyssee is van syntactische aard. De wrok (mènin) en de man (andra), die de respectievelijke thema’s vormen van Homeros’ epen, zijn telkens het lijdend voorwerp van een imperatief (aeide, ennepe) waarmee de zanger zich tot de godin, de muze richt. Zij moet voor de dichter, die zich als een medium voelt, de stof aanreiken en hem inspireren. In de oude talen is de woordpositie erg wendbaar omdat de uitgang de functie bepaalt, terwijl in moderne talen de plaats zelf de functie aangeeft. De originele woordvolgorde respecteren is geen evidentie, en toch moet men het proberen omdat Homeros in zijn ouverture van de Odyssee alle nadruk wil leggen op een man. Alle voorgaande vertalers openen met ‘Muze’ of met de imperatief van ‘(be)zingen’. Alleen W.E.J. Kuiper begint zijn fragmentarische vertaling van de Odyssee in de Klassieke Bibliotheek (1949) met ‘Hem…’ Ook anderstalige vertalingen openen meestal met de aanspreking of het verzoek, maar onder meer Chapman (1614-16), Bérard (1924) en Ferrari (2001) blijven dichter bij Homeros: ‘The man, O Muse…’ ‘C’est l’homme aux mille tours, Muse…’ ‘L’uomo dai molti percorsi, o Musa…’ Ik vond voor de ouverture van Ilias en Odyssee een oplossing in de weergave van de imperatief met het modale werkwoord ‘moeten’.

Vele listen, niet wegen

De man die het onderwerp vormt van de ‘Odyssee wordt niet onmiddellijk bij name genoemd, maar de toehoorders wisten onmiddellijk om wie het ging. Het epitheton ‘polytropos wijst op het ingenieus, vindingrijk, vernuftig karakter van de persoon. Net als die andere epitheta polymètis, polyfroon, polymèchanos. En dat kon alleen maar Odysseus zijn. Maar waar die andere adjectieven veelvuldig voorkomen (polymètis zelfs bijna honderd keer), komt polytropos verrassend genoeg slechts eenmaal terug, bij monde van Kirke: ‘Jij bent warempel Odysseus, / de man van vele listen’ (10.330). De vertaling ‘een man van vele ‘wegen’, die hoger te vinden is bij Ferrari en ook bij De Roy van Zuydewijn (1992), is een andere mogelijke interpretatie. Maar er moet daarbij wel worden opgemerkt dat Odysseus’ tocht niet het gevolg is van enige reis- of treklust, maar hem wel werd opgelegd door de omstandigheden en vooral door Poseidon.

In hetzelfde polytropos vraagt het eerste element van de samenstelling, een letterlijke vertaling, ‘van vele listen’. In de eerste vier verzen komt poly liefst viermaal voor (polytroponpolla in v.1 en als anafoor polloon en polla in vv. 3 en 4). Het ‘duizend’ van Dros (1991) klinkt mooi, maar verzwakt eigenlijk de beklemtoning van die veelvuldigheid.

In een eerdere versie, verschenen in een themanummer van Kunsttijdschrift Vlaanderen met plastisch werk van Koen Broucke (november 2012), is de woordvolgorde iets anders: ‘De man van vele listen, Muze, moet / u mij bezingen. Heel veel zwierf hij rond /…’ Uiteindelijk koos ik voor een zachter enjambement, hoewel in de vroegere versie de alliteratie Muze-moet sterker klinkt en ook de parataxe u-mij expressiever is. Vertalen is vaak weifelen.

Patrick Lateur publiceert als dichter, vertaler en bloemlezer. Hij vertaalde werk van onder meer Pindaros en epigrammendichters van de Anthologia Graeca, Ausonius en Benedictus, Da Vinci en Michelangelo. Voor zijn vertaling van Homeros’ Ilias ontving hij in 2013 de Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren.

Heerlijk verschenen is de dag

Tekst en melodie van dit paaslied zijn afkomstig uit: Nikolaus Herman: „Die Sontags Euangelia / und von den fürnemsten Festen uber das gantze Jar“ (Wittenberg, 1561). Dit werk was bedoeld voor christelijke gezinnen (en hun kinderen), om wat te zingen te hebben thuis, als de kerk gedaan was. Nikolaus Herman (1500–1561) werkte in stad Sankt Joachimstal als leraar aan de Latijnse school en was tevens cantor. Belangrijk voor het ontstaan van dit lied is de stichting van de meisjesschool. Aan hen (en hun Matron, Catharina Heldin) droeg Herman deze liederen op. De wisselwerking tussen kerk en school was cruciaal voor de verspreiding van de nieuwe leer, waarbij het lied als medium een centrale rol speelde. Religieuze inhoud werd ingebed in gedicht/lied, niet enkel om beter te kunnen memoriseren maar ook om zich het Evangelie te kunnen toeëigenen.

Wilt u het een beproeven? Hier een zetting van 40 jaar later (de officiële liedboeken hebben de versieringen eruit gehaald (de achtsten). Jammer, die geven het lied juist z’n feeststemming).

https://www.cpdl.org/wiki/index.php/Erschienen_ist_der_herrlich_Tag_(Gotthard_Erythr%C3%A4us)

Het hele lied (14 strofen): Bijbelse Paascatechese

„Erschienen ist der herrlich Tag“ is een lied voor paaszondag en telde oorspronkelijk veertien strofen. Moderne liedboeken laten allemaal de strofen weg die het paasgebeuren aan de hand van oudtestamentische motieven navertellen/uitleggen (het didactische luik). Van de 14 strofen vertellen er 4 (3-6) het Paasverhaal. De rest kadert, en duidt. De inkorting in onze gezangboeken kills this song. Dus hier het complete lied, al was het alleen maar als retro-actieve catechese (begrijpen hoe men toen de bijbel begreep. Vanaf couplet 7 een volledige opsomming van alle ‘voorafschaduwingen’ van Pasen in het Oude Testament: creatieve hermeneutisch lezing: typologie) — kort aangeduid onder de coupletten.

Duits (Origineel)Nederlands (niet zingbaar)
1) Erschienen ist der herrlich Tag,
dran sich niemand gnug freuen mag;
Christ, unser Herr, heut triumphiert,
all seine Feind gefangen führt.
Halleluja!
1) verschenen is de heerlijk dag,
waarover je je nooit teveel kunt verheugen;
Christus, de Heer, triomfeert nu,
Hij voert de vijand gevangen mee.
Halleluja!
Psalm 68,19, via Efeze 4:8
2) Die alte Schlang, die Sünd und Tod,
die Höll, all Jammer, Angst und Not
hat überwunden Jesus Christ,
der heut vom Tod erstanden ist.
Halleluja!
2) De oude slang, de zonde, dood,
de hel, alle angst en bange nood
heeft Jezus Christus overwonnen,
die nu uit de dood is opgestaan.
Halleluja!
Genesis 3:15 – de moederbelofte
3) Am Sabbat früh mit Spezerei
kamen zum Grab der Weiber drei,
dass sie salbten Marien Sohn,
der vom Tod war erstanden schon.
Halleluja!
3) Vroeg op de sabbat met specerij
kwamen drie vrouwen naderbij,
om te zalven Maria’s Zoon,
die reeds was opgestaan uit de dood.
Halleluja!
4) Wen sucht ihr da? Der Engel sprach,
Christ ist erstanden, der hie lag;
hie sehet ihr die Schweißtüchlein,
geht hin, sagts bald den Jüngern sein.
Halleluja!
4) “Wie zoekt gij hier?” sprak de engel,
“Hij is verrezen, die hier lag;
hier ziet gij de zweetdoeken,
ga, en zeg het meteen aan al z’n volgers .”
Halleluja!
5) Der Jünger Furcht und Herzeleid
wird heut verkerhrt in eitel Freud;
sobald sie nur den Herren sahn,
verschwand ihr Trauren, Furcht und Zagn.
Halleluja!
5) Hun angst en hun verdriet
wordt nu veranderd in enkel vreugd;
zodra zij de Heer zagen,
verdween hun vrees en al hun klagen.
Halleluja!
6) Der Herr hielt ein sehr freundlich G’spräch
mit zweien Jüngern auf dem Weg;
vor Freud das Herz in Leib ihn brannt,
im Brotbrechen ward er erkannt.
Halleluja!
6) De Heer sprak heel vriend’lijk
met twee van hen, onderweg;
In hen brandde het hart van vreugde
bij ‘t breken van het brood werd hij herkend.
Halleluja!
7) Unser Simson, der treue Held
Christus, den starken Löwen fällt,
der Höllen Pforten er hinträgt,
dem Teufel all Gewalt erlegt.
Halleluja!
7) Onze Simson, de sterke held,
Christus, die leeuwen nedervelt,
die de poorten van de hel wegdraagt,
die de duivel zijn macht ontneemt
Halleluja!
Richteren 16 (poorten van gaza) en 14 (leeuw)
8) Jonas im Walfisch war drei Tag,
so lang Christus im Grab auch lag,
denn länger ihn der Tod kein Stund
in seim Rachen behalten kunnt.
Halleluja!
8) Zoals Jona drie dagen in de walvis was,
zo lang lag Christus in het graf,
want geen uurtje langer kon de dood
Hem houden in zijn bek (muil).
Halleluja!
Jona (reeds in NT als voor-beeld genoemd)
9) Sein Raub der Tod musst geben her,
das Leben siegt und ward sein Herr,
zerstört ist nun all seine Macht,
Christ hat das Leben wiederbracht.
Halleluja!
9) De dood moest zijn buit afgeven,
Het leven overwint en is zijn heer,
verwoest is nu al zijn macht,
Christus heeft het leven weer gebracht.
Halleluja!
10) Heut gehen wir aus Ägyptenland,
wo Pharao in Dienst uns band,
wir essen heut im Brot und Wein.
das rechte Passalämmlein fein.
Halleluja!
10) Heden trekken wij uit Egypteland,
waar Farao ons tot slaaf maakte,
wij eten nu in brood en wijn,
het ware Paaslam.
Halleluja!
klassieker: Pesach/Pascha > Pasen (Exodus)
11) Auch essen wir die süßen Brot,
die Moses Gottes Volk gebot;
kein Sauerteig soll bei uns sein,
dass wir von Sünden leben rein.
Halleluja!
11) Wij eten ook de zoete broden,
die Mozes Gods volk gebood (te eten);
geen zuurdesem zal bij ons zijn,
opdat wij leven, van zonden rein.
Halleluja!
uitleg bij Paulus: 1 Kor 5:7-8
12) Der Würgengel vorüber geht,
kein Erstgeburt er bei uns schlägt;
unsre Türschwell hat Christi Blut
bestrichen, das hält uns in Hut.
Halleluja!
12) De wurgengel gaat aan ons voorbij,
geen eerstgeborene treft hij;
onze deurposten zijn met Christus’ bloed
bestreken, dat houdt ons in zijn hoede.
Halleluja!
Exodus 12:23 (laatste plaag)
13) Die Sonn, die Erd, all Kreatur
und was betrübet war zuvor,
das freut sich heut an diesem Tag,
da der Welt Fürst darnieder lag.
Halleluja!
13) De zon, de aard’, elk schepsel
en wat tevoren bedroefd was ,
verheugt zich op deze dag,
nu de vorst der wereld verslagen neerligt.
Halleluja!
14) Drum wir auch billig fröhlich sein,
singen das Halleluja fein
und loben dich, Herr Jesu Christ,
zu Trost du uns erstanden bist.
Halleluja!
14) Daarom zetten wij ook blij van zin,
een passend hallelujah in,
Wij loven u, Christus, onze Heer,
dat gij tot onze troost verrezen zijt.
Halleluja!


Looft God gij christnen, maakt hem groot

Een kerstlied voor de kinderen in Joachimstal

Van dit prachtige kinderlied voor Kerst (en wie is er met Kerst geen kind?) hieronder alle acht coupletten. In hedendaagse zangbundels (kerk en privaat) vindt u maximaal 6 coupletten. Jammer, stelde ik vast, toen ik de ontbrekende opzocht. Vandaar de volledige tekst met vertaling hieronder. De verdwenen verzen zijn de coupletten 4 en 5. Tekst en melodie is van cantor-schoolmeester Nicolaus Herman (eerste versie, ca. 1554, definitief 1560) uit St-Joachimstal (nu Jáchymov – Tsjechië). Dit Duitse ‘Weihnachtslied’ is tot in Frankrijk bekend en geliefd: noel allemand… (zoek daar maar eens naar samen met ‘Corrette’ …)

tekst

Duits (1560)
Nikolaus Herman

originele tekst (incl. spelling)
Nederlandse vertaling

1. Lobt Gott, ir Christen, alle gleich,
In seinem höchsten thron,
Der heut schleust auff sein Himelreich,
Und schenckt uns seinen Son,
Und schenckt uns seinen Son.
Looft God, gij christnen, maakt hem groot
in zijn verheven troon,
die nu zijn rijk voor ons ontsloot,
en schenkt aan ons zijn zoon,
en schenkt aan ons zijn zoon.
2. Er kömpt aus seines Vaters schos
Und wird ein Kindlein klein,
Er leit dort elend, nackt und blos
In einem Krippelein,
In einem Krippelein.
Hij daalt uit ‘s Vaders schoot terneer
op aard’ om kind te zijn,
een kindje arm en naakt en teer,
al in een kribje klein,
al in een kribje klein.
3. Er eussert sich all seiner gewalt,
Wird nidrig und gering
und nimpt an sich eins knechts gestalt,
Der Schöpffer aller ding,
Der Schöpffer aller ding.
Verzakende zijn macht en recht
verkoos hij zich een stal,
neemt de gestalt’ aan van een knecht,
de schepper van ‘t al’,
de schepper van ‘t al’.
4. Er leit an seiner Mutter brust,
Ir milch, die ist sein speis,
An dem die Engel sehn irn lust,
Denn er ist Davids reis,
Denn er ist Davids reis,
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,
de engelen zien hem en zijn blij,
want David’s loot is hij,

want David’s loot is hij,
5. Das aus sein stamm entspriessen solt
In dieser letzten zeit,
Durch welchen Gott auffrichten wolt
Sein Reich, die Christenheit,
Sein Reich, die Christenheit.
die uit zijn stam ontspruiten zou
in deze laatste tijd,
zodat op aarde bloeien zal
Gods heerlijk koninkrijk
,
Gods heerlijk koninkrijk.
6. Er wechselt mit uns wunderlich,
Fleisch und Blut nimpt er an
und gibt uns inn seins Vatern reich
die klare Gottheit dran,
die klare Gottheit dran.
Hij ruilt met ons zo wonderbaar,
neemt aan ons vlees en bloed.
Nu straalt ons uit zijns Vaders rijk
Gods glorie tegemoet,
Gods glorie tegemoet.
7. Er wird ein Knecht und ich ein Herr,
das mag ein Wechsel sein,
Wie könnd er doch sein freundlicher,
Das herze Jhesulein,
Das herze Jhesulein.
Hij wordt een knecht en ik een heer,
wat win ik veel daarbij!
Waar vind men zoveel gulheid weer,
als Jezus heeft voor mij,
als Jezus heeft voor mij.
8. Heut schleust er wider auff die thür,
zum schönen Paradeis,
der Cherub steht nicht mehr darfür.
Gott sey lob, ehr und preis,
Gott sey lob, ehr und preis.
En nu ontsluit Hij weer de poort
naar ‘t schone paradijs.
De cherub staat er niet meer voor.
God zij lof, eer en prijs!
God zij lof, eer en prijs!

mengeling van
1 2 3 : J.J. Thomson, 1938
7 8: C.B. Burger, 1973
4 5 6 : Dick Wursten, 2025

4de en 5de couplet

In ‘verlichte’ tijden vond men het vierde couplet nogal primitief — of aanstootgevend:
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,

Pudeur. ‘t Zal wel in de 19de eeuw geweest zijn. Toen moest alles wat met geloven te maken hebben geestelijk en verheven zijn. Tsja, het leven is dat ook niet. De kracht van het lied ligt juist in de geslaagde aansluiting (sentiment en strekking) bij het Kerstfeest met z’n heel basale concrete emotionaliteit (‘t kindeke in de kribbe, Maria, de stal, ocharme), terwijl het tegelijk de betekenis hiervan verwoordt zonder te gaan preken. God werd ècht mens, en het is precies dàt wat ons redt. Alleen zo komen mens en God samen. Geen theorie, geen theologie, maar gezongen exegese. Er zijn maar weinig (kerst)liederen die daarin slagen (Komt verwondert u hier mensen…misschien?). Onder de afbeelding van de eerste druk, nog wat toelichting. Vervolgens iets over de dichter (Nicolaus Herman) en de plaats van ontstaan (de dorpsschool van het mijnstadje Joachimstal).

titelpagina van de eerste versie van dit lied (ongedateerd, 1550-1554), het eerste van 3 kerstliederen ‘voor de kinderen in Joachimstal’

Toelichting op de tekst

Hoe eenvoudig dit lied ook is, toch is het een en al Heilige Schrift wat u hoort (met een Luther’s accent, m.n. in 6 en 7: ‘De vrolijke ruil’). De ‘incarnatie’, daar gaat het om, maar dan niet abstract-theoretisch, speculatief, maar concreet: God wordt mens, en niet een beetje, halfslachtig, neen: ècht, waarachtig mens. En daar mag je God wel voor danken, want alleen zo komen die twee bij elkaar : Looft God, gij christenen…
– In couplet 1 wordt de toon gezet: Door de komst van Jezus (de zoon) gaat de poort van het hemelrijk open. NB: ‘schleusst auf’ het hemelrijk, in het laatste couplet opnieuw ‘schleusst auf’ maar dan de poort van het paradijs.
– In de coupletten 2-4 wordt dit plastisch beschreven en geduid (zonder schoolmeesterachtig te worden, knap!) door de armoe en naaktheid te koppelen aan Filippenzen 2:5-11 (Christus, die zijn goddelijke macht aflegt en mens wordt, inclusief de kwetsbaarheid, de pijn.)

– In couplet 3 wordt deze tekst bijna letterlijk geciteerd (d.w.z. voor schriftgetrouwe lezers geëvoceerd, opgeroepen), in werkwoord en beeld: Entäussern, Gestalt, Knechtes, niedrig. Christus legt zijn god-zijn af, ziet af van zijn privileges: ontlediging (‘kenosis’ in het Grieks) en wordt een mensenkind, hij neemt de knechtsgestalte aan, wordt mens. Uniek christelijk gedachtengoed, zich zó “god” denken.
– In couplet 4 komt Maria in beeld, en de profetie uit Jesaja: de afgehouwen tronk van Jesse (Isaï, David’s vader) moet weer gaan bloeien. Een kerstklassieker (uweetwel met de ‘Reis‘ en de ‘Roos‘ die ontsprongen is uit Jesse’s stam). NB: dat kerstlied waaraan u nu denkt, bestond toen nog niet, maar de symbolische uitleg al wel (virga Jesse floruit – Maria bloeit open in een zoon).
– in couplet 5 wordt dit ontvouwd (expliciet), waarna
– in couplet 6 de ‘wonderlijke of vrolijke ruil’ van Luther het overneemt. Hij wordt mens, opdat ik vergoddelijkt wordt, zo zegt Luther het niet helemaal, maar wel zoiets. Herman gaat hierin wel ver: wij krijgen de ‘”klare Gottheit” in de plaats. Het lied zit goed in elkaar. Want dit is inhoudelijk (Filippenzen 2) en aanschouwelijk voorbereid (couplet 2-4).
– In couplet 7 kan de conclusie getrokken worden: Innig en liefdevol zijn zo mens en God (via Jezus, vriend) met elkaar verbonden. Onderschat de emotieve kracht van het volkse Kerstfeest niet.
– In couplet 8 kan de jubel dan losbarsten : Paradise regained: Het lied is ook rond. De poort van de hemel is open, en dus ook die van het Paradijs. De engel die na Eva/Adam’s val de mensenkinderen verhindert daarbinnen te geraken… is weg.

Vierstemmige zetting van J.H. Schein (youtube)

Hier een mooie uitvoering van dit lied, met de toonzetting van J.H. Schein inclusief het vierde couplet (dat uit de gezangboeken is verdwenen). Ze zingen 1, 2, 4, 8. Anderhalve minuut meer en het hele lied had erop gestaan.

Achtergrond: Niclas Herman in (Sankt-)Joachimstal.

Over de dichter-componist, Nicolaus (of Niclas) Herman (1500-1561) weten we weinig privaats, behalve dat hij in de buurt van Nürnberg geboren moet zijn, en dat hij op 18 jarige leeftijd in St-Joachimstal is, en wel als leraar aan de Latijnse school. Op zich niet zo bijzonder, ware het niet dat hij dat z’n hele leven zou blijven èn Joachimstal toen nog maar 2 jaar bestond. in 1516 was een rijke zilverader ontdekt (of beter: een bijna verlaten mijn opnieuw in gebruik genomen, met plots succes). De ontginning was aangevat door graaf Stephan Schlick (oude Boheemse adel) . Het daarrond ontstane mijnwerkersdorp (c.q. industriestadje, met koninklijke vrijheidsrechten) werd toegewijd aan St. Joachim. Het was het Klondike van de 16de eeuw.

Nu Jáchymov, op de grens van tsjechië en Duitsland. Landstreek: Bohemen.

De adellijke familie von Schlick (voluit: zu Bassano und Weißkirchen) was de eigenaar van de grond en 10 jaar later een van de rijkste families in Bohemen, tot Ferdinand (koning van Bohemen, later keizer…) zich ermee begon te moeien. Stephan Schlick was in dezen het meest actief. Zijn wapenschild staat ook vaak op de zilveren munten die uit het erts geslagen werd: de munt uit Joachimsthal, de Joachimsthaler. Hieronder een afbeelding van de tweede reeks Joachimthalers. Het is een Guldengroschen “Joachimsthaler” uit 1525.

centraal: S I – Sant Joachim. Daaronder diverse wapens. / keerzijde de leeuw van Bassano
in de rand (de afkortingen voluit – begin te lezen bovenaan rechts):
links: Arma Dominorum Slickorum Stefani Et Fratrum Comitum De Bassano
rechts: Ludovicus Primus Dei Gratia Rex Bohemiae.
bron: https://nl.numista.com/86643

Hij vertrouwde de ontginning van de mijn toe aan een ‘mijn-hoofdman’ (Berg-Hauptmann, Bergwerk=Mijnbouw), Heinrich von Könneritz, tevens muntmeester. Naast regelgevend werk, en opzicht, bevorderde hij ook het metallurgisch onderzoek (o.a. door samenwerking met de lokale arts, Georg Bauer, beter bekend als Agricola, de ‘vader van de moderne mineralogie’). Zijn vrouw Barbara von Breitenbach was dan weer zeer actief bij de constructie van het sociale weefsel van deze nieuwe ‘samenleving’. Könneritz leidde de exploitatie in goede banen en binnen 20 jaar groeide Joachimstal uit tot de tweede stad van Bohemen en telde meer dan 20.000 inwoners. Alle genoemden waren bekend met Luther en zijn gedachten en het genoemde echtpaar was zelfs goed met hem bevriend (hun zonen studeerden in Wittenberg), en hield — gezien een bemoedigende brief van Luther uit 1524 aan Nicolaus Herman — in moeilijke tijden ook de cantor-schoolmeester Nicolaus Herman de hand boven het hoofd. Luthers vader was zelf trouwens… mijnbouwer.

Silver medal commemorating Stephan von Schlick, the founder of Joachimsthal, no year (after 1526), unsigned by Wolf Milicz. Dedicated by Stephan’s widow in commemoration of her husband’s death in the Battle of Mohács of 1526. Probably the second specimen on the market. Extremely fine. Estimate: 15,000 euros. From Künker auction 418 (29 January 2025), No. 413.
Zilveren penning uit Joachimstal ter herinnering aan Stephan von Schlick (na 1526). Vervaardigd in opdracht van Stephans weduwe ter gedachtenis aan de dood van haar echtgenoot in de Slag bij Mohács in 1526. https://new.coinsweekly.com/coins-medals-more/joachimsthal-and-the-reformation/

Zilveren penning uit Joachimstal (1531) toegeschreven aan Hieronymus Magdeburger, die ook talrijke ‘evangelische munten’ graveerde, de numismatische evenknie van Niclas Herman. In het voorwoord van Johann Mathesius tot Herman’s tweede liedbundel, wordt ook deze evangelisatiemethode geroemd.
Links het (bijna)offer van Isaac door zijn vader, rechts het voltrokken offer van Christus door zijn Vader. Een van die — eigenlijk nogal schokkende — standaard christelijke typologieën. Op deze pagina – tevens de bron – vindt u meer uitleg en voorbeelden (English)

De daalder

De Schlicks hadden ook een eigen muntrecht, en de door hen geslagen zilveren munten werden de ‘gouden standaard’ in het hele (Habsburgse) Rijk: de Joachimsthaler, al snel afgekort tot ‘Thaler‘ (een volle thaler: ca. 25g zilver). Je mag dit ook letterlijk nemen: Deze in zilver geslagen munt vervangt als courant betaalmiddel de ‘gulden’.1 In onze contreien heeft zo’n Thaler de waarde van 30 stuivers, dat is 1,5 gulden, de daalder (nu enkel nog spreekwoordelijk: Op de markt is uw gulden een daalder waard…netzoveel trouwens als de eerste slag). Later komt er ook nog een upgrade tot 50 stuivers: de rijksdaalder 2,5 gulden. Op dat ‘Rijk’ hadden de Hollanders het niet zo, want dat was het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie (Karel V, Filips II etc.) en als ze overzee hun goederen verhandelden, sloegen zij hun eigen daalders, zonder ‘kop’, maar met een leeuw erop: de leeuwendaalder… Engelsen konden daalder of thaler niet goed uitspreken en maakten er dan maar dollar van. Gelooft u het niet: Lieven Scheire zegt het ook: (Joachimstaler > Thaler > Daalder > Dollar. facebook). Het kan trouwens nog korter: in het Tsjechisch is een thaler een tolar, tot 2007 de munteenheid van Slovenië.

Back to business: Belangrijk in dit alles is, dat in deze ‘nieuwe samenleving’ in Bohemen (dus toch al niet zo ‘rooms-gezind’) zowel de politieke, economische als ambachtelijke leidinggevenden van meet aan op z’n minst sympathiseren met de Lutherse Reformatie. De eerste kerk wordt nog wel (net als het dorp) toegewijd aan St Joachim, maar in 1522 wordt er al een “Evangelische Kerkorde” ingevoerd, de eerste in Bohemen. Van de bisschop is er geen spoor meer te bekennen. De machthebbers (m.n. graaf Stephan Schlick en de Berghauptmann Könnewitz) slaan de handen ineen en nemen zelf — met intellectuele, morele, en personele ondersteuning vanuit Wittenberg — de organisatie ter hand. Ze waken over de inrichting van de eredienst, nemen de verantwoordelijkheid over voor de andere maatschappelijke functies die de roomse kerk (of orden) vervulden: school, armenzorg, ziekenverpleging.

De school

Jongens konden dus naar de Latijnse school gaan, naar meester Herman. Toelatingsvoorwaarde: kunnen lezen, schrijven. Dat kon je zelf leren (thuis) of op de Duitse school. Beide stedelijke en kerkelijke instellingen ineen. Instroom in de Latijnse school was zo ongeveer vanaf 7 jaar. Logisch: de hersenen ontwikkelden zich toen netzo als nu. Op die school werden de jongens opgeleid voor hogere studies of een baan in de publieke sector (de slimmen waren tegen hun 12de al klaar, maar het kon ook 16-17 worden. Dan konden ze naar de universiteit). Cantor Nicolaus Herman is z’n leven lang schoolmeester geweest van de ‘onderbouw’ op de Latijnse school (net als Bach!). Hij heeft die school waarschijnlijk zelf mee uit de grond gestampt, en mogen werken met twee briljante en ondernemende rectors (die de bovenbouw voor hun rekening namen) : Eerst Stephan Roth, een goede vriend van Luther, afkomstig uit Zwickau, waar hij ook weer heen terugkeert. Hij wordt daar stadssecretaris, en de stuwende kracht om de Hervorming daar ‘deftig’ in te voeren. Een strijd tussen radicale protestanten en behoudsgezinde katholieken kan worden vermeden. De tweede is Johann Mathesius, student van en bevriend met Luther. Hij heeft bij hem ingewoond en gestudeerd, bekend ook als uitgever van diens preken en vooral de ‘Tischreden’. Eerst is hij rector, later wordt hij Pfarr-herr (Pfarrer) van Joachimstal. Hij schrijft ook het voorwoord bij de tweede verzamelbundel van Herman. Het stadje kent een pijlsnelle economische en demografische groei.

Zilvermijn in Joachimstal, 1548 (Duitse fototheek, wiki). De titel verwijst naar de vrijheidsrechten die deze nieuwe stad ook had verworven.

liederen voor de kinderen van Joachimstal

Niclas Herman is een fan van Luther, en helemaal als hij diens publicatie “AAN DE RAADSLEDEN VAN ALLE STEDEN VAN DUITSLAND DAT ZIJ CHRISTELIJKE SCHOLEN MOETEN OPRICHTEN EN IN STAND HOUDEN” uit 1524 leest. 2 Iedereen moet onderwijs worden aangeboden, zegt Luther, jongens èn meisjes, en de ouders moeten worden aangespoord (bijna verplicht) om van dat aanbod gebruik te maken: onderwijs als mensenrecht. Goede ouders (en dus: de overheid) volstaan toch ook niet met enkel lichamelijk voedsel aan hun kinderen te geven. Die voorzien ook geestelijke (op)voeding. Daarbij moet de overheid haar verantwoordelijkheid nemen en scholen oprichten. En zij moet er ook op toe zien dat alle kinderen daar naar toegaan (naartoe kùnnen gaan), jongens èn meisjes. In 1518 is er dus al een Lateinschule (jongens) in Joachimstal, en even later ook een meisjesschool, met een vrouwelijke directrice: Magaretha Heldin. Niclas Herman prijst haar in het voorwoord van zijn verzamelbundel. Daar onthult hij ook dat hij met name voor haar en haar leerlingen zijn liederen heeft geschreven. Hun bijbelkennis en zang had grote indruk op hem gemaakt (De tekst van die passage uit dat voorwoord kunt u hier lezen. Kortom: Leren lezen, leren rekenen (mathematica) èn muziek. Iedereen moet dat kunnen/kennen. Een leraar moet dus ook kunnen zingen (muziek maken), vindt Luther. En de jongens onder hen moeten met de polyfonie vertrouwd gemaakt worden, want zij vormen de ‘Cantorey’ (dat is dus in Bach’s tijd nog steeds zo: de Thomasschool). Zij moeten Latijnse motetten en (later) Duitse composities kunnen zingen, tijdens de vieringen op school, maar ook in de kerk (doordeweeks en zeker op zondag). Herman blijkt trouwens een vooruitstrevende leraar te zijn. Hij is ervan overtuigd dat de mensen willen leren. Hij hekelt lijfstraffen, pleit voor een motiveringspedagogiek, en stelt – zeker wat het godsdienstonderwijs betreft – een zingend curriculum voor (meer daarover hier). Hij biedt het zelfs aan. Alle bijbelverhalen op tekst en muziek gezet: Die SontagsEvangelia über das gantze Jahr in Gesänge gefasst für die Kinder und christlichen Hausväter

Hier een editie uit 1561 van dit lied. (uit de bundel met liederen bij de evangelieverhalen) Nog steeds staat eronder, wat ook in de eerste druk (als ‘flyer’ met 3 kerstliederen, z.b.) op de titelpagina stond: für die Kinder im Jo(a)chimstal

Bekendste liederen

En zeker rond de grote feesten, moet er wat te zingen zijn:

  • met Kerst dus: Drey Geistliche Weinacht Lieder, vom Newgebornen kindlein Jhesu, für die kinder im Joachimstal is waarschijnlijk zijn eerste publicatie (de zetter heeft wel een potje gemaakt van de teksten). Ons lied is hier het eerste (Liedboek, gezang 147).
  • En met Pasen: “Erschienen ist der herrlich Tag” (gezang 200) – prachtige melodie en ook een zeer leerrijke tekst (helaas ook niet meer aanwezig in de huidige gezangboeken). Voor meer info klik op de melodie:
  • En ‘s ochtends en s’avonds: Die helle Sonn leucht’ jetzt herfür” (gezang 373), “Hinunter ist der Sonnen Schein” (384)en “Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ” (gezang 316).
  • En als je op sterven ligt (want de kinderen werden niet oud, nemen de liederen mee naar huis): “Wenn mein Stündlein vorhanden ist” (gezang 270). Het laatste couplet is ook vaak apart geciteerd en op muziek gezet (“Weil du vom Tod erstanden bist…” – Schütz musicalische exequien). Het koraal is nog getoonzet door Schumann, in z’n laatste levensjaar, toen hij opgenomen was in de kliniek. De laatste maand was hij bezig met de bijbel en het liedboek. Meer info: klik hier

Herman’s teksten en melodieën zijn eenvoudig, maar niet simplistisch. Een goed voorbeeld is het onderwerp van deze pagina, maar dat geldt ook voor de andere genoemde liederen. Over de berijming van de bijbelverhalen kun je twisten, maar dat was dan ook puur onderwijsmateriaal, 4 of 7 regels, met een lijst met melodieën die geschikt zijn. Deze bijbelse-verhalende-liederen heeft hij tegen het eind van zijn leven gemaakt en gebundeld, toen hij ziek thuis zat (geplaagd door hevige en zeer pijnlijke jicht). Het voorwoord tekent hij met Niclas Herman, der alte cantor…. Ze zijn na zijn dood uitgegeven en talloze malen herdrukt. Even terzijde: dus niet bestemd voor de kerkdienst (liturgie), maar voor alle vormen van ‘godsdienstoefening’ daarbuiten.

portret

Hier een portret, gemaakt in zijn laatste levensjaar (1560: corpus vexabat podagra… staat er in het gedicht: zijn lichaam gekweld door de jicht. Je kunt het ‘m aanzien). Hij houdt een lied van zijn hand in de hand:

De muziekrol bevat de eerste regel van zijn berijming van de brief aan de Corinthiërs, waarin hij (met Paulus) de neiging tot afscheuring, sectarisme bestrijdt. Het eerste couplet:

Sant Paulus die Corinthier
hat unterweist in rechter lehr,
sobaldt er aber von in kam,
da fingen sich vil seckten an.

Boven zijn hoofd staat: Vox amici vox Dei: de stem van een vriend is de stem van God…

Dick Wursten (Kerst 2025)

P.S. Ad den Besten over Herman

Vertaler en liedboekdichter Ad den Besten schrijft aan het eind van zijn biografische notitie in het Compendium bij het Liedboek, over Nicolaus Herman:

Na Luther is Nikolaus Herman veruit de meest gezongen dichter van geestelijke liederen uit de 16de eeuw geweest. De heldere eenvoud van zijn teksten, hun kinderlijke, maar nergens kinderachtige toon, hun menselijke warmte, hebben gemaakt, dat zij een veel algemener betekenis kregen dan Nikolaus Herman zelf ooit heeft verwacht. Hij was met andere woorden een veel beter dichter en componist dan hij zelf heeft geweten.

Nietzsche’s hymne op het leven

tekst : Lou Salome (1881), goede vriendin en klankbord in zijn Vrolijke Wetenschap-tijd (1882). Nietzsche noemde haar zijn ‘Gehirnschwester’ (breinzus). Na afgewezen huwelijksaanzoek en hevige vlagen van jaloezie, zodanig gebrouilleerd dat er geen contact meer (mogelijk) was. Zij publiceerde nochtans in 1894 een zeer positief boek over Nietzsche.
muziek : Friedrich Nietzsche (1882 ‘compositie’, 1887 publicatie; de oorspronkelijke compositie gaat echter terug tot 1872 en was toen gekoppeld aan een Hymne an die Freundschaft, een compositie voor piano-vierhandig, opgedragen aan muzikale vriend en collega in Bazel: Franz Overbeck.

De koorzetting is eigenlijk helemaal niet van Nietzsche, maar van . Alles over de muzikale wording van deze compositie, vindt op deze pagina van mijn Nietzsche website (in het Duits en het Engels).

De tekst

In Ecce homo (1888) staat Nietzsche erop Lou Salome expliciet te noemen (en te prijzen) als auteur van de tekst. Met name de slotzin sprak hem erg aan, schrijft hij:

Hast du kein Glück mehr übrig mir zu geben,
wohlan ! noch hast du deine Pein.

In haar Lebensrückblick (eerste uitgave 1951, postuum, verzorgd door Ernst Pfeiffer) citeert Lou het gedicht ook, d.w.z. het oorspronkelijke. Ze heeft het – zo meldt ze daar – geschreven na een intense periode in Rusland, uitlopend op haar vertrek uit de ‘Heimat’ naar Zürich. Zij noemt het Lebensgebet. Het is nìet voor Nietzsche geschreven, en dus ook niet de verklanking van hun vriendschap/liefde. Het slotcouplet is ook iets anders:

Jahrtausende zu sein ! zu denken !
Schließ mich in beide Arme ein
Hast du kein Glück mehr mir zu schenken —
Wohlan — noch hast du deine Pein.

Nietzsche had hier nog al fors ingegrepen, zie ik nu. Ook de eerste en tweede regel heeft hij gewijzigd:
Jahrtausende zu denken und zu leben.
Wirf deinen Inhalt voll hinein!

Hast du kein Glück mehr übrig mir zu geben,
wohlan ! noch hast du deine Pein.

De ‘vol ingeworpen inhoud’ in de tweede regel is wel heel bot, zeker vergeleken met het tedere ‘sluit me in de armen’. Ze voegt droogjes toe: Nachdem ich es Nietzsche gelegentlich aus dem Gedächtnis niedergeschrieben und er es darauf in Musik gesetzt hat, lief es feierlicher auf etwas verlängerten Versfüßen. Hier het originele gedicht (met kortere versvoet, d.w.z. de regels met vrouwelijk rijm blijven jambisch):

Lebensgebet

Gewiß, so liebt ein Freund den Freund,
Wie ich Dich liebe, Rätselleben –
Ob ich in Dir gejauchzt, geweint,
Ob Du mir Glück, ob Schmerz gegeben.

Ich liebe Dich samt Deinem Harme;
Und wenn Du mich vernichten mußt,
Entreiße ich mich Deinem Arme
Wie Freund sich reißt von Freundesbrust.

Mit ganzer Kraft umfaß ich Dich!
Laß Deine Flammen mich entzünden,
Laß noch in Glut des Kampfes mich
Dein Rätsel tiefer nur ergründen.

Jahrtausende zu sein! zu denken!
Schließ mich in beide Arme ein:
Hast Du kein Glück mehr mir zu schenken –
Wohlan – noch hast Du Deine Pein.

In haar roman Im Kampf um Gott (gepubliceerd onder het pseudoniem Henri Lou, 1885) heeft ze dit gedicht ook opgenomen, maar dan in Nietzsche’s versie – zo lees ik, maar bij nader inzien is dat niet helemaal waar: De versvoet uitbreiding neemt ze over, maar in de laatste strofe kiest ze toch voor haar eigen — oorspronkelijke — rijmwoorden en voorlaatste zin, (de versvoet verlengen doet ze in de eerste regel dan maar zelf… ). Ik vind dit de beste versie:

Jahrtausende zu leben um zu denken,
Schließ mich in beide Arme ein
Hast du kein Glück mehr mir zu schenken —
Wohlan, — noch hast du deine Pein.

Hier de drie versies naast elkaar (click to enlarge – a text version here)

Lou Salome — zo weet Ernst Pfeiffer nog te berichten in een voetnoot, gebaseerd op zijn gesprekken met haar als oude dame (jaren 1930) — vond later het gedicht eigenlijk wel wat bombastisch, en noteert dat de slotzin voor haar en voor Nietzsche niet hetzelfde zei: Voor haar wilde die zin zeggen dat zij ook het berooide leven dat er overbleef na God ‘verloren’ te hebben nog voluit wil blijven omaremen. Even terzijde: God is bij Lou Salome zowel ‘God’ als sluitsteen van een betekenisvol wereldbeeld (= thema van het boek Im Kamp um Gott, waar zij dit gedicht opneemt), als zijn incarnatie in de dominee/man, Hendrik Gillot, die in Sint-Petersburg enerzijds haar geest heeft doen openbloeien middels lectuur, en gezamenlijke studie, en een niet geconsumeerde intense liefdesrelatie). Ook na de breuk en een zware periode van ziekte, wil ze het leven nog voluit omarmen. Voor Nietzsche verwoordt deze slotzin zijn amor fati (Rückblik, p. 224-5, noot 40. Het originele gedicht staat op p. 40)

Tenslotte: Nietzsche had de boodschap van von Bülow, dat hij geen componist is blijkbaar eerst wèl aanvaard (met pijn en moeite), maar hij kon het toch niet laten om in zijn laatste bewuste levensjaar de uitgegeven partituur naar hem op te sturen… (zo van: u had gelijk toen, maar kijk dit ligt er dan nu toch maar. Bülow heeft er wijselijk het zwijgen toe gedaan). Als je Ecce homo leest, dan zie je hoe de officiële muziekuitgave hem blij en trots maakte. Wel hoor ik in de formulering over de muziek die hij schreef toch enige terughoudendheid (die opvalt in dat boek dat verder bepaald niet zuinig is met superlatieven als het over hemzelf gaat): Na Lou’s slotzin te hebben geprezen besluit hij de passage namelijk met

Vielleicht hat auch meine Musik an dieser Stelle Grösse

En hier de drie versies naast elkaar

Levita : 10 times ‘aravim’

בעשרה לשונות ערבים

Poem by Elia Levita (in fine of his grammar: Bachur). in every verse, which each occurrence of ערבים, the word should have a different (dinstinct) meaning. Biblical Puzzle. Levita claims it can be solved by finding a corresponding bible text. Except for the 11th, which is playing with the numerical value of hebrew words (gematria). This is how it looked in the original edition. (titel: shiri ha-mechaber, he author’s poem)

This is how it looks today (copied from wikisource. NB: E l i h w is enhanced in the first line.

The introductory phrase בעשרה לשונות ערבים נאמר שיר זה / וכן עניתי אל תבזה announces the poem (10 meanings), followed by a prayer (transcribed: “ba’ashra leshonot arvim ne’amer shir ze / vekan aniti el tivza” (in ten meanings the word ‘aravim’ is pronounced in this poem / and so I say: ‘Do not despise’)

בעשרה לשונות ערבים נאמר שיר זה / וכן עניתי אל תבזה

אֲשַׁבֵּחַ לְאֵלִי יָהּ וְאֶקֹּד / לְיוֹצֵר אוֹר וְלַמַּעְרִיב עֲרָבִים
הֱבִינַנִּי עֲשׂוֹת סֵפֶר בְּדִקְדּוּק / דְּבָרָיו צוּף וְכִדְבַשׁ נֶעֱרָבִים
וְכָלַלְתִּי כְּלָלִים בּוֹ קְצָרִים / חֲדָשִׁים גַּם יְשָׁנִים מׇעֳרָבִים
וּבוֹ רַאְיוֹת חֲזָקוֹת כָּאֲרָיוֹת / וְחַדּוּ מִזְּאֵבֵי הָעֲרָבִים
וְכָל סִפְרֵי מְדַקְדְּקִים לְפָנָיו / כְּמוֹ שֵׁתִים אֲשֶׁר אֵין בָּם עֲרָבִים
וְטוֹב מִפָּז וּמִזָּהָב וּמִכָּל / סְחַר רוֹכְלִים וְעוֹרְבֵי מַעֲרָבִים
קְנֵהוּ דּוֹד וּבוֹ תַעְמֹל וְתַעַל / כְּיוֹנֵק עֵץ וְכַשׇּׁרְשֵׁי עֲרָבִים
וְאַף אִם אֵין לְךָ כֶּסֶף מְחִירוֹ / לְקָחֵהוּ אֲבָל תִּתֵּן עֲרָבִים
בְּכֵן נִזְכֶּה לְקַבֵּץ שֶׂה פְּזוּרָה / תְּקַבֵּץ אֵל אֲשֶׁר רוֹכֵב עֲרָבִים
וְהַגּוֹאֵל לְיִשְׂרָאֵל יְגַל אֵל / בְּמַגְדִיאֵל וְיִשְׁמָעֵאל עֲרָבִים
וְהָרוֹצֶה לָדַעַת עֵת פְּרָטוֹ / אֲגֻדָּתוֹ יְחַסֵּר מִן עֲרָבִים

Below I gave it a try (with a little help from chatgpt in looking for correspondences. Not entirely convincing, but helpful.)

Semantic Fields of ע-ר-ב

The root ע-ר-ב encompasses several interrelated meanings:

  1. Mixing / Interweaving / Blending:
    • עֵרֶב (ʿerev): Evening, symbolizing the blending of day and night.
    • עֵרֶב רַב (ʿerev rav): Mixed multitude, referring to a diverse group, as in Exodus 12:38.
    • עֵרֶב (ʿerev): Woof, the crosswise threads in weaving, indicating interlacing.
  2. Pledging / Guaranteeing / Exchange:
    • עָרַב (ʿarav): To pledge or guarantee, as seen in Genesis 43:9.
    • עֵרָבוֹן (ʿeravon): A pledge or surety, indicating a form of security or guarantee.
  3. Evening / Darkness:
    • עֶרֶב (ʿerev): Evening, marking the transition from day to night.
    • עָרַב (ʿarav): To become evening or to grow dark.
  4. Pleasantness / Sweetness:
    • עָרֵב (ʿarev): Pleasant or sweet, often used to describe agreeable sounds or tastes.
  5. Geographical and Ethnic Terms:
    • עֲרָבָה (ʿaravah): A desert plain or wilderness.
    • עֲרָבִי (ʿaravi): An Arab or nomad, relating to the desert regions.
  6. Animals and Nature:
    • עֹרֵב (ʿorev): Raven, a bird often associated with dusk or darkness.
    • עֲרָבָה (ʿaravah): Also refers to a type of tree, such as the poplar.
Hebrew English
Distinct Meaning of “ʿAravim”)
Biblical Reference / explanation
אֲשַׁבֵּחַ לְאֵלִי יָהּ וָאֶקֹּד.
לְיוֹצֵר אוֹר וּלְמַעֲרִיב עֲרָבִים
I will praise my God and bow; to the Fashioner of light and the One who brings on evenings Genesis 1:5 – “And there was evening and there was morning…”
The name of the prayer (‘the bringer of the Evening)
, מַעֲרִיב עֲרָבִים / ma’ariv aravim,
הֲבִינֵנִי עֲשׂוֹת סֵפֶר בִּדְקֻדּוּק.
דְּבָרָיו צוּף וּכְדְבַשׁ נֶעֱרָבִים
Grant me insight to compose a book on grammar; its words flow like nectar and are sweet Psalms 104:34 – “May my meditation be sweet unto Him” (יִעֱרַב)
וְכִלַּלְתִּי כְּלָלִים בּוֹ קְצָרִים.
חֲדָשִׁים גַּם יְשָׁנִים מְעֹרָבִים
I included rules, concise and clear; both new and old are intermingled Exodus 12:38 – “And a mixed multitude went up with them” (עֵרֶב רַב)
וּבוֹ רְאִיּוֹת חֲזָקוֹת כַּאֲרָיוֹת.
וְחָרוּ מִזִּאֲבֵי הָעֲרָבִים
And in it are proofs strong as lions, and they burned hotter than ‘evening wolves Habakkuk 1:8:
“Their horses are swifter than leopards, more fierce than ‘evening wolves”
(זְאֵבֵי עֶרֶב).
וְכָל סִפְרֵי הַמְדַקְדְּקִים לְפָנָיו.
כְּמוֹ שְׁתַּיִם אֲשֶׁר אֵין בָּהֶן עֲרָבִים
And all grammarians’ books before it are like two without guarantors Genesis 43:9 – “I will be a guarantor for him (אָנֹכִי אֶעֶרְבֶנּוּ)”
וְטוֹב מִפָּז וּמִזָּהָב וּמִכָּל סֵחַר.
רוֹכְלִים וְעֹרְבֵי מִעֲרָבִים
Better than fine gold and trade goods, than merchants and the traders of wares ?? (orebi?) Ezekiel 27:21 – “Arabians and all the chiefs of Kedar were your merchants”
v. 14: הִתְעָרְבוּthey bartered / were involved in trade
קָנֵהוּ דָוִד וּבוֹ תַעֲמֹל וְתַעַל.
כְּיוֹנֵק עֵץ וּבְשָׁרָשִׁים עֲרָבִים
Acquire it, David, toil and ascend — like a tree sprouting from entwined roots ??? Ezekiel 17:6 – “And it became a vine… with its branches turned toward him, and its roots were under him” (cf. metaphorical “entwining”)
וְאַף אִם אֵין לְךָ כֶּסֶף מְחִירוֹ.
לְקָחֵהוּ אֲבָל תִּתֵּן עֲרָבִים
Even if you lack the silver price, take it — but you must provide pledges Proverbs 20:16 – “Take his garment who is surety for a stranger”
לְֽקַח־בִּ֭גְדוֹ כִּי־עָ֣רַב זָ֑ר
בְּכֵן נִזְכֶּה לְקַבֵּץ שֵׂה הַפְּזוּרָה.
תִּקָּבֵץ אֶל אֲשֶׁר רֹכֵב עֲרָבִים
Thus may we merit to gather the scattered flock, to be brought to Him who rides the clouds Psalms 68:5 – “Extol Him who rides upon the clouds” (רֹכֵב בָּעֲרָבוֹת)
וְהַגּוֹאֵל לְיִשְׂרָאֵל יִגְאָל אֵל.
בְּמִגְרִיאֵל וְיִשְׁמָעֵאל עֲרָבִים
And the Redeemer of Israel shall redeem us, in Migriel and Ishmael — Arabs Isaiah 60:7 – “All the flocks of Kedar shall be gathered unto you…” (context of Arab tribes) ?
וְהָרוֹצֶה לָדַעַת עֵת פְּרָטוֹ.
הֲלוֹא יִקַּח בְּיָדוֹ מִן עֲרָבִים
Whoever desires to know the date in detail — let him take, by his own hand, from (the numerals of) ‘ʿaravim’ Gematria: עֲרָבִים = 322 → 5322 AM = 1561 CE (if subtracting 22 from “בידו”, then 5300 AM = 1539 CE)

Meine liebe hängt am Creutz …

Dit lied is in Duitsland nooit echt populair geweest (i.t.t. tot Nederland via een vertaling die geen vertaling is ‘Mijn verlosser hangt aan ‘t kruis’ – zie onder, want hierover gaat het artikel). Jammer want het is eigenlijk een mooi lied, ontdekte ik toen ik de originele tekst zocht en vond. Het blijkt een zeer compact gedicht te zijn, met een aparte opbouw (korte 3de regel in het midden, rijmend op de vorige). De blikrichting gaat van buiten naar binnen. Het is een bezinnend gedicht. Bij recitering en/of zang hangt alles af van de sfeer die je kiest. Het is de toon die de muziek maakt. Het lied (gedicht) dateert uit 1676.

De tekst

Meine Liebe hängt am Creutz!
Ich will Ihn daselbst umfassen,
und nicht lassen,
daß er durch sein theures Blut
mache mich gerecht und gut.

Meine Liebe hängt am Creutz!
was häng ich denn an den Brüsten
schnöder Lüsten?
wäre doch die Welt nur mir,
und ich auch gecreutzigt ihr.

Meine Liebe hängt am Creutz!
Ich will seiner stets gedencken,
wenn mich kräncken
Sünde Tod und Teufel Höll,
Er macht selig meine Seel.

Deze drie strofen ‘behandelen’ elk een manier van kijken naar ‘mijn gekruisigde liefde’. Alle drie bezinnend. De blik gaat eerst naar Jezus (‘Meine Liebe’ die aan het kruis hangt), maar slaat meteen naar binnen.
Couplet 1: ‘Meine Liebe’ (Hij die ik liefheb) is gekruisigd, maar ik laat hem niet los, sterker nog: wil hem ‘omvatten’ (bijna omarmen: associatie met de kruismeditaties uit de Middeleeuwen) want door zijn zelfgave (zijn bloed) redt hij mij.
Couplet 2: ‘Meine Liebe’: het beeld verschiet, verschuift naar de liefde waarmee ik aan de wereldse lusten vasthang. Die wereld, ja ik, zou gekruisigd moeten worden. Dit gebeurt met krasse beeldspraak: ‘Was häng ich denn an den Brüsten / schnöder Lüsten’. Ook dit is geheel in lijn met de middeleeuwse geestelijke oefeningen aan de voet van het kruis (ad pectus) en met de Hooglieduitlegging van o.a. Bernard van Clairvaux als het over de ubera gaat).
Couplet 3: Deze scène, dit beeld van ‘liefde’, houd ik voor ogen als ik zelf lijden moet. Gedachtenis (memoria) is de manier waarop dit gebeuren zijn kracht aan mij doorgeeft en mijn ziel zalig maakt.

De bron

Deze drie coupletten hebben voor het eerst het licht gezien in 1676 in een uitgave van een meditatief boek (voor de lijdenstijd). Ze staan rondom een crucifix gegraveerd. De auteur van dat boek is de Lutherse theoloog en historicus Adam Tribbechov (1641-1687).1. Hij schreeft dit boek in opdracht van zijn ‘baas’ (de hertog van Sachsen) aan wie het ook opgedragen is, zij het dat de opdracht kwam van de vader (Ernst) en het is opgedragen aan de zoon (Friedrich) – 1675 was het sterfjaar van eerstgenoemde. Het vermoeden dat Adam zelf de dichter is van de drie strofen die de afbeelding sieren wordt bevestigd door de heel precieze toewijzing van de eerste drie strofen van dit lied aan D(octor) Adam Tribbechov in de gezangenbundel, die in 1724 in Gotha verscheen (afbeelding, zie verderop).

De drie strofen staan rondom de afbeelding van Jesus crucifixus (op een hartvorm). Boven de afbeelding: “Meine Liebe ist gecreuziget” (een citaat uit de brief van kerkvader Ignatius aan de Romeinen (7,2; Amor meus crucifixus est). In het voorwoord verwijst de auteur expliciet naar Ignatius, en noemt dit dienst levensmotto.
Onder afbeelding: “Ich halte ihn und will Ihn nicht lassen” (een referentie naar Genesis 32, Jacob aan de Jabbok?). Op de linkerpagina de eigenhandig geschreven opdracht aan (hertog) Friedrich.

De titelpagina van het boek

TITEL: Die gecreuzigte Liebe / Das ist: Andächtige Betrachtung einer gläubigen Seelen / Uber die Historia des bittern Leidens und Sterbens Jesu Christi unsers HERRn und Heylandes... Auff Gnädigsten Fürstl. Befehl… von Adam Tribbechov

De gedachtengang uit dit gedicht keert terug in “Die XIV. Betrachtung der Passions-historia”, volgend op de beschrijving van de kruisiging. In die meditatie spreekt de ziel de gekruisigde aan (Liebster Jesu…) en maakt dan dezelfde drievoudige overweging maar dan in gebedsproza (paragrafen 29-31, p. 214-216).

Mijn verlosser hangt aan ‘t kruis (een ander lied)

Dit gedicht zal in het Duits genoten moeten worden, vrees ik, want de Nederlandse tekst, die wij kennen is geen vertaling, maar een vrije bewerking uit de 19de eeuw: ‘Mijn verlosser hangt aan ‘t kruis‘ (Ahasverus van den Berg). Ik leerde het als kind op school (waarom dit passielied? Het was een makkelijk aan te leren tekst met ditto melodie, vermoed ik). Ik vond het toen al mooi. Dat had niet met de inhoud te maken (dat waren klanken zeer gelijkend op diegene die zondag aan zondag door de oude kerk galmden in preken), maar met de versvoet, ritme, klank, rijm en melodie . De vertaler – ds. Ahasverus van den Berg (1733-1807) – heeft het oorspronkelijke meditatieve lied echter omgevormd tot een preek over het plaatsbekledend lijden van Christus. Het is in 1806 opgenomen in de ‘Evangelische Gezangen’. Vakkundig gedaan, maar nu ik het origineel voor me heb, zeg ik toch vooral : Jammer! De naar binnen gerichte, bezonnen, bijna mystieke sfeer van het Duitse gedicht is namelijk weg. Het is – sorry Ahasverus – prekerig. En teveel platitudes in plaats van overpeinzingen, verlustiging in uiterlijkeheden (wonden) in plaats van verinnerlijking. Omhaal van woorden in plaats van beknoptheid (zeker als je de later geschrapte coupletten ook nog eens leest). Kortom, Mijn Verlosser hangt aan ‘t kruis is een ander lied dan dit gedicht. Het feit dat hij 10 coupletten schreef en het originele lied er maar drie heeft (later is een 4de toegevoegd door iemand anders) zegt eigenlijk al genoeg.2. Vandaar een herkansing, niet voor het in Holland stukgezongen 18de/19de eeuwse lied, maar voor het onbekend gebleven 17de eeuwse Duitse gedicht.

De dichter is Adam Tribbechov

Adam Tribbechov (1641-1687) , is een Lutherse theoloog (professor Gotha) en ‘superintendent’ (Lutherse variant van bisschop) met grote belangstelling voor de kerkgeschiedenis. De tekst is zeer katholiek (NB: dat is geen tegenstelling met Luthers), een gebalde, korte meditatie aan de voet van het kruis. De titel van het boek (en de motiefregel het lied) lijkt ontleend aan een zeer geliefde tekst uit de brief aan de Romeinen van de kerkvader Ignatius van Antiochië Amor meus crucifixus est (“Mijn liefde is gekruisigd”. Ignatius verwijst daarbij niet naar de gekruisigde, maar naar zijn begeren om te willen blijven leven hier op aarde. Dat begeren (die ‘amor’) is gekruisigd. NB: dat is de inhoud van het tweede couplet. 3 Adam Tribbechov heeft met de keuze van deze titel, beginregel, heel bewust een double entendre geïntroduceerd, en in zijn gedicht dus ook uitgewerkt (couplet 1 en 2). Enfin: allemaal – nu wat ver van ons afstaande, maar toen heel gebruikelijke – beeldtaal voor een geestelijke oefening: ‘zich te binnen brengen, eigen maken, in zich opnemen via de zintuigen en het gevoel, wat Christus heeft gedaan/geleden’. Het besef van dankbaarheid, liefde die wederliefde oproept, alle aardse lust en lijden relativeert, en de belijder tot een nieuw engagement drijft : een upgrade van het menselijke ethos.

… en niet Benjamin Schmolck

Benjamin Schmolck (1672-1737) wordt gewoonlijk als auteur genoemd in de Nederlandse taalwereld (niet in de Duitse. Daar wordt dit tamelijk onbekende lied wel correct toegeschreven aan Tribbechov). Schmolck was in 1676 nog maar 3, hooguit 4 jaar. Dus exit Schmolck. De toeschrijving van dit lied aan deze veelschrijver – o.a. bekend van cantateteksten getoonzet door Telemann – lijkt terug te gaan op het boek dat A.W. Bronsveld in 1917 wijdde aan het ontstaan van de ‘Evangelische Gezangen’ (1806). Bronsveld kent het Duitse origineel niet, en vermoed dat Ahasverus van den Berg een lied van J.A. Schlegel als voorbeeld heeft genomen voor zijn lied. Dat lied van Schlegel is op zijn beurt weer een aanpassing/bewerking van …. komt ie … een lied van Schmolck4. Dat lied heeft een duidelijk andere versstructuur, en is thematisch verwant. Deze verlegenheidssuggestie is dus in de daaropvolgende jaren canoniek geworden. Niemand heeft de moeite genomen het te controleren. Jammer. Ad den Besten (Compendium) vermeldt zelfs zonder verpinken dat het in Schmolck’s verzamelbundel Sämtliche Trost- und Geistreiche Schriften, staat. Niet dus.

De melodie

De melodie? Degene die wij kennen komt voor in een mooie zetting van Christian Friedrich Witt (kapelmeester te Friedenstein), gepubliceerd in diens Psalmodia sacra 1715. Deze interessantie uitgave bevat 762 gezangen, waarvan 351 met melodie en becijferde bas (in de appendix nog eens 12 gezangen met 5 melodieën). Ca. 100 nieuwe melodieën, die waarschijnlijk (dus) van Witt zullen stammen. Zoals onderhavige! Dus, schrijf maar op: melodie, waarschijnlijk Christian Friedrich Witt. Het is de gekende melodie (maar net niet helemaal en natuurlijk versierd), met een becijferde bas. Een geestelijke aria voor de ‘Haus-andacht’.

Psalmodia Sacra – liederen met zettingen van Chr. Fr. Witt

Deze melodie en het lied heeft daarna een zekere bekendheid genoten. Nooit een topper geworden. Interessant is wel de opname in de Johannespassie van J.F. Fasch (‘O wir armen Sünder – Johannespassie’), kapelmeester in Zerbst, op Goede Vrijdag 1723.


Hieronder nog iets curieus: 66 Stücke für Tasteninstrument (Orgel) – J.C. Kuhnau ?) een Manuscript met klavier(orgel) stukken. Berlijn 1772 staat erop.

66 Stücke für Tasteninstrument (Orgel) Datengeber: Staatsbibliothek zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz

For completeness een fotovan het lied van Ahasverus van den Berg uit de Evangelische Gezangen, nr. 124

Eerste gezangboekuitgaven (Gotha 1691/1724)

De opname in een gezanboek vindt ook plaats in Gotha (thuisregio), een bijlage van het Geistliches Gesangbuch (Gotha, 1691, nr. 7. p. 483), daar aangevuld met een vierde strofe van de hand van Johann Heinrich Rumpel, destijds professor aan het gymnasium in Gotha (†1699). Voorzover ik weet is dat ook de eerste keer dat het ‘als lied’ gedrukt wordt.

Gothaisches Gesagbucht (1691) – Anhang.

In de herdruk van 1724 wordt alle keurig toegewezen: D(octor) Adam Tribbechov, en het 4de couplet niet van hem, maar Joh. Heinr. Rumpel.

(vermeerderd) Gothaische Gesangbuch, nr. 118. (1724)

P.S.

1 de stichtelijke werken van Tribbechov

Naast veel theologische werken (Latijn), heeft Trebbichov twee stichtelijke werken geschreven, beide in opdracht van de Hertog van Sachsen (Ernst I, bijgenaamd ‘De vrome’, overleden 1675). Hier de volledige titels: „Andachten vom ewigen Leben, aus dem Freuden-Spiegel des ewigen Lebens Dr. Phil. Nicolai gezogen“ (1674). Als ik het goed begrijp is dit boek wel geschreven, maar pas na de dood van Adam Tribbechov door diens zoon uitgegeven, postuum dus. Het tweede boek in opdracht is het onderhavige: „Die gecreutzigte Liebe, Das ist: Andächtige Betrachtung einer gläubigen Seelen über die Historia des bittern Leidens und Sterbens JESU CHristi“ (1676). No in opdracht van hertog Ernst, maar opgedragen aan hertog Friedrich, de opvolger. Redelijk succesrijk, want er zijn herdrukken bekend uit 1695, 1718, 1720. Best de moeite waard om eens door te bladeren. https://books.google.be/books?id=pjifPZTpQCAC&printsec=frontcover

2 Ignatius, brief aan de Romeinen (Grieks-Nederlands)

ζῶν “γὰρ γράφω ὑμῖν, ἐρῶν τοῦ ἀποθανεῖν. ὁ ἐμὸς ἔρως ἐσταύρωται, καὶ οὐκ ἔστιν ἐν ἐμοὶ πῦρ φιλόλον’ ὕδωρ δὲ ξῶν καὶ λαλοῦν” ἐν ἐμοί, ἔσωθέν μοι λέγον’ Δεῦρο πρὸς τὸν πατέρα.
Want al levend schrijf ik jullie terwijl ik verlang (eroon) te sterven. Mijn verlangen (eros) is gekruisigd, en er is in mij geen vuur meer dat wereldse dingen wil (filolon = filo-kosmon?), maar water dat leeft en spreekt in mij, dat van binnenuit tot mij spreek: Kom tot de vader.


NOTEN

Hoor de klokken luiden (Moralia – Hándl, Gallus) 1590

De tekst met Engelse vertaling kunt u hier nalezen

Jacob Hándl (verkleinwoord van “Hahn” – Latijn: Gallus) 1551-1591. Componist aan het Habsburgse hof (Graz, Praag), geboortig van Carniola (Kranjska – Slovenië). Stond in zijn dagen hoog in aanzien. Publiceerde aan het eind van zijn korte leven een aantal bundels met wereldlijke muziek, licht van toon: Morele harmonieën. 7 In deze vierstemmige miniatuurtjes zet hij oude Latijnse gedichtjes, spreuken met levenswijsheden (vandaar ‘Moralia’) op muziek. Teksten van Horatius, Ovidius, maar ook uit gangbare verzamelingen (Anthologia Latina, Carmina proverbalia), en van onbekende origine, wellicht van hemzelf. Ze verschenen in drie delen (drie ‘boeken’) in 1598-1890 (Praag). Zijn broer Johann gaf posthuum nog een collectie uit: Moralia (1596). 8, 6 en 5 stemmig. Samen: 100 stuks. Hier de titelpagina van die uitgave:

Het vocaal ensemble ‘Singer Pur’ zong ze allemaal in en gaf een selectie uit op CD. Hier hebt u er eentje uit de eerste bundels (4-stemmig): over een kerkklok Tintinabulo clango

Verzetsmonument van Wim Reyers

Waar het water tot de lippen stond
van het bijster maar weerbarstig land
steekt er nu uit de gewijde grond
ter herinnering een open hand.

Niet een vuist gebald tegen het lot,
niet de vingers tot een eed gestrekt,
enkel deze palm open en bloot,
weerloos, uit de doden opgewekt.

Enkel aan de allerlaatste grens
deze hand, de vingers uitgespreid,
al de machteloosheid van de mens
trots en teder, vol van majesteit.

J. W. Schulte Nordholt

uit: “Een wankel evenwicht” (1986)

Verzetsmonument (1947, gemaakt door Willem Reijers (1910-1958)) ter gedachtenis van de 10 mannen die op 11 april 1945 in Zijpersluis (dorpje in Noord-Holland) door de Duitsers geëxecuteerd werden als represaille voor een mislukte aanslag. Het verhaal van “de tien van Zijpersluis

Sillenstede

Een boerse, barse man, die ‘t vaandel schudt
en met de linkerhand met fors gebaar
de kleine Jona uit de walvis trekt,
de kleine Adam uit de dood opwekt,
de mensenkindren redt met huid en haar,
een God als Gulliver in Lilliput.

J.W. Schulte Nordholt, Contrafacten – gedichten op reis en thuis (Baarn, [1974]) p. 50-51

P.S. Het betreft een 13de eeuws marmeren doopvont in de Skt Florian Kirche in Sillenstede (Nordrhein-Westphalen). In de 16de eeuw is er een deksel opgezet (ook de inscripties stammen uit die tijd, als ik het goed begrijp). https://www.kirche-sillenstede.de/gemeinde/st-florian/taufstein

Paulinzella – kloosterruïne

Und ist ein grosses Wort vonnöten,
Mutter Natur, so gedenkt man deiner.
Hölderlin


Moeder Natuur, die wij met name noemen,
terwille van het woord, zegt Hölderlin,
het grote woord, want alles zou misschien
daarmee gezegd zijn, wolken, bomen, bloemen,

en een of ander onbestemd verlangen
dat taai en teder sinds de Romantiek
diep in de borstkas zit, melancholiek,
zoals een vogel in een kooi gevangen,

Moeder Natuur, hier is het pleit beslecht,
door strijd en vuur de mensendroom getuchtigd,
vrede hersteld, volmaakt en onbewogen,
voor bomen en voor bloemen weggelegd,
en al het andere voorgoed vervluchtigd,
de vogel uit de kooi omhoog gevlogen.

voor Gerrit Kamphuis

J.W. Schulte Nordholt, Contrafacten – gedichten op reis en thuis (Baarn, [1974]) p. 24-25