παρὰ θῖνα θαλάσσης / para thina thalasses

Homerus, Ida, en Ezra


παρὰ θῖνα θαλάσσης

Drie woorden slechts van Homerus, — 
               o hóór het kantelen en ruisen
dat er in schuilt; — als een kind
               dat gelovig de schelp aan het oor legt.
Hoorde ge eigenlijk nooit
               dat komen en gaan, gaan en komen:
hoorde ge eigenlijk nooit
               de zee in het vers van Homerus?


Gedicht van Ida Gerhardt (uit De zomen van het licht, 1983 — titel van de bundel verwijst naar De rerum natura van Lucretius. Afdeling in de bundel: een naam in schelpen)


1.
Para thina thalasses” (Grieks: παρὰ θῖνα θαλάσσης) is een beroemde uitdrukking uit de klassieke literatuur en betekent letterlijk “langs het strand van de zee“. De tekst komt uit de Ilias van Homerus (Boek 1, vers 34), Vollediger (maar nog niet compleet, zie onder Homerus) luidt de versregel para thina poluphloisboio thalasses (παρὰ θῖνα πολυφλοισβοῖο θαλάσσης.)
Het woord poluphloisboio (luid-ruisend) wordt vaak gebruikt in het onderwijs om uit te leggen wat een onomatopae is (klanknabootsing): Spreek het uit, en je hoort het rollen en breken van de golven op het strand. Het is bijvoeglijk naamwoord bij thalasses (zee). In moderner grieks zou de uitgang niet ‘oio’ maar ‘ou’ zijn, en is het effect weg.
Onbedoeld of bedoeld —dat weet ik niet— laat Ida Gerhardt (1983) net dat woord weg en vraagt in het gedicht aan de hoorders toch of ze de zee horen ‘kantelen en ruisen’. Door de weglating hoor/voel ik nog wel de golven (dat zullen dactylussen (dactyloi?) zijn die zich na de cesuur (na thina) zo mooi neerleggen in het woord thalasses)… maar ik hoor de branding van poluphloisboio niet meer… φλοῖσβος (phloisbos) = bruisend.

2.
Origineel is Ida niet: In Mœurs Contemporaines (1919) gebruikte Ezra Pound het bij Ida ontbrekende woord in een engels gedichtje, met daaronder de volledige Griekse frase: “Para thina poluphloisboio thalasses”. De context bij Ezra is wel iets uitbundiger dan bij Ida


VI
Stele

After years of continence
           he hurled himself in a sea of six women.
Now, quenched as the brand of Meleagar,
           he lies by the poluphloisboious sea-coast.

παρὰ θῖνα πολυφλοισβοῖο θαλάσσης

SISTE VIATOR.


Stele, rechtopstaande zuil.
Meleager, een argonaut (zie afbeelding hieronder)
Siste viator: Sta stil, reiziger (in de Romeinse tijd vaak als epitaaf op grafmonumenten),

Meleager, één van de Argonauten

3.
En ja, dan nu Homerus. De zinsnede komt het begin van de Ilias, het griekse epos over de wrok van Achilles. De zin is het kantelmoment in de introductie. Degene die langs het strand loopt en de branding van de zee hoort bulderen in zijn oren is de oude priester Chryses. Hij komt net bij Agamemnon vandaan, de aanvoerder van het Griekse leger dat voor Troje (Ilium) ligt. Hij kwam zijn dochter vrijkopen (buitgemaakt toen de Grieken Thebe hadden ingenomen), hij had het losgeld bij zich. Alle Griekse vorsten waren akkoord lezen we bij Homerus, enkel Agamemnon niet. Die snauwt de grijsaard toe: “Ik zal haar niet laten gaan. She is mine! Weven kan ze, in mijn huis, delen zal ze mijn bed. En nu wegwezen jij, als je leven je dierbaar is!”

Zo sprak hij en de grijsaard werd bang en deed zoals hem gezegd werd
Zwijgend ging hij langs het strand van de
polu-phloisboio zee,

Ὣς ἔφατ᾿, ἔδεισεν δ᾿ ὃ γέρων καὶ ἐπείθετο μύθῳ·
βῆ δ᾿ ἀκέων παρὰ θῖνα πολυφλοίσϐοιο θαλάσσης·

Een cruciaal moment, deze stille tocht langs de bruisende zee, want als het kamp van de Grieken in de verte verdwijnt, staat Chryses stil, en schreeuwt het uit tot Apollo (‘roept hem aan’). HIj smeekt hem om de Grieken te straffen, het onrecht/de schande hem en zijn dochter aangedaan te wreken. Welnu, Apollo laat geen bidder staan, en zal via de wrok van Achilles het Griekse kamp grote schade toebrengen. Ja, zo gaat dat.

Heerlijk verschenen is de dag

Tekst en melodie van dit paaslied zijn afkomstig uit: Nikolaus Herman: „Die Sontags Euangelia / und von den fürnemsten Festen uber das gantze Jar“ (Wittenberg, 1561). Dit werk was bedoeld voor christelijke gezinnen (en hun kinderen), om wat te zingen te hebben thuis, als de kerk gedaan was. Nikolaus Herman (1500–1561) werkte in stad Sankt Joachimstal als leraar aan de Latijnse school en was tevens cantor. Belangrijk voor het ontstaan van dit lied is de stichting van de meisjesschool. Aan hen (en hun Matron, Catharina Heldin) droeg Herman deze liederen op. De wisselwerking tussen kerk en school was cruciaal voor de verspreiding van de nieuwe leer, waarbij het lied als medium een centrale rol speelde. Religieuze inhoud werd ingebed in gedicht/lied, niet enkel om beter te kunnen memoriseren maar ook om zich het Evangelie te kunnen toeëigenen.

Wilt u het een beproeven? Hier een zetting van 40 jaar later (de officiële liedboeken hebben de versieringen eruit gehaald (de achtsten). Jammer, die geven het lied juist z’n feeststemming).

https://www.cpdl.org/wiki/index.php/Erschienen_ist_der_herrlich_Tag_(Gotthard_Erythr%C3%A4us)

Het hele lied (14 strofen): Bijbelse Paascatechese

„Erschienen ist der herrlich Tag“ is een lied voor paaszondag en telde oorspronkelijk veertien strofen. Moderne liedboeken laten allemaal de strofen weg die het paasgebeuren aan de hand van oudtestamentische motieven navertellen/uitleggen (het didactische luik). Van de 14 strofen vertellen er 4 (3-6) het Paasverhaal. De rest kadert, en duidt. De inkorting in onze gezangboeken kills this song. Dus hier het complete lied, al was het alleen maar als retro-actieve catechese (begrijpen hoe men toen de bijbel begreep. Vanaf couplet 7 een volledige opsomming van alle ‘voorafschaduwingen’ van Pasen in het Oude Testament: creatieve hermeneutisch lezing: typologie) — kort aangeduid onder de coupletten.

Duits (Origineel)Nederlands (niet zingbaar)
1) Erschienen ist der herrlich Tag,
dran sich niemand gnug freuen mag;
Christ, unser Herr, heut triumphiert,
all seine Feind gefangen führt.
Halleluja!
1) verschenen is de heerlijk dag,
waarover je je nooit teveel kunt verheugen;
Christus, de Heer, triomfeert nu,
Hij voert de vijand gevangen mee.
Halleluja!
Psalm 68,19, via Efeze 4:8
2) Die alte Schlang, die Sünd und Tod,
die Höll, all Jammer, Angst und Not
hat überwunden Jesus Christ,
der heut vom Tod erstanden ist.
Halleluja!
2) De oude slang, de zonde, dood,
de hel, alle angst en bange nood
heeft Jezus Christus overwonnen,
die nu uit de dood is opgestaan.
Halleluja!
Genesis 3:15 – de moederbelofte
3) Am Sabbat früh mit Spezerei
kamen zum Grab der Weiber drei,
dass sie salbten Marien Sohn,
der vom Tod war erstanden schon.
Halleluja!
3) Vroeg op de sabbat met specerij
kwamen drie vrouwen naderbij,
om te zalven Maria’s Zoon,
die reeds was opgestaan uit de dood.
Halleluja!
4) Wen sucht ihr da? Der Engel sprach,
Christ ist erstanden, der hie lag;
hie sehet ihr die Schweißtüchlein,
geht hin, sagts bald den Jüngern sein.
Halleluja!
4) “Wie zoekt gij hier?” sprak de engel,
“Hij is verrezen, die hier lag;
hier ziet gij de zweetdoeken,
ga, en zeg het meteen aan al z’n volgers .”
Halleluja!
5) Der Jünger Furcht und Herzeleid
wird heut verkerhrt in eitel Freud;
sobald sie nur den Herren sahn,
verschwand ihr Trauren, Furcht und Zagn.
Halleluja!
5) Hun angst en hun verdriet
wordt nu veranderd in enkel vreugd;
zodra zij de Heer zagen,
verdween hun vrees en al hun klagen.
Halleluja!
6) Der Herr hielt ein sehr freundlich G’spräch
mit zweien Jüngern auf dem Weg;
vor Freud das Herz in Leib ihn brannt,
im Brotbrechen ward er erkannt.
Halleluja!
6) De Heer sprak heel vriend’lijk
met twee van hen, onderweg;
In hen brandde het hart van vreugde
bij ‘t breken van het brood werd hij herkend.
Halleluja!
7) Unser Simson, der treue Held
Christus, den starken Löwen fällt,
der Höllen Pforten er hinträgt,
dem Teufel all Gewalt erlegt.
Halleluja!
7) Onze Simson, de sterke held,
Christus, die leeuwen nedervelt,
die de poorten van de hel wegdraagt,
die de duivel zijn macht ontneemt
Halleluja!
Richteren 16 (poorten van gaza) en 14 (leeuw)
8) Jonas im Walfisch war drei Tag,
so lang Christus im Grab auch lag,
denn länger ihn der Tod kein Stund
in seim Rachen behalten kunnt.
Halleluja!
8) Zoals Jona drie dagen in de walvis was,
zo lang lag Christus in het graf,
want geen uurtje langer kon de dood
Hem houden in zijn bek (muil).
Halleluja!
Jona (reeds in NT als voor-beeld genoemd)
9) Sein Raub der Tod musst geben her,
das Leben siegt und ward sein Herr,
zerstört ist nun all seine Macht,
Christ hat das Leben wiederbracht.
Halleluja!
9) De dood moest zijn buit afgeven,
Het leven overwint en is zijn heer,
verwoest is nu al zijn macht,
Christus heeft het leven weer gebracht.
Halleluja!
10) Heut gehen wir aus Ägyptenland,
wo Pharao in Dienst uns band,
wir essen heut im Brot und Wein.
das rechte Passalämmlein fein.
Halleluja!
10) Heden trekken wij uit Egypteland,
waar Farao ons tot slaaf maakte,
wij eten nu in brood en wijn,
het ware Paaslam.
Halleluja!
klassieker: Pesach/Pascha > Pasen (Exodus)
11) Auch essen wir die süßen Brot,
die Moses Gottes Volk gebot;
kein Sauerteig soll bei uns sein,
dass wir von Sünden leben rein.
Halleluja!
11) Wij eten ook de zoete broden,
die Mozes Gods volk gebood (te eten);
geen zuurdesem zal bij ons zijn,
opdat wij leven, van zonden rein.
Halleluja!
uitleg bij Paulus: 1 Kor 5:7-8
12) Der Würgengel vorüber geht,
kein Erstgeburt er bei uns schlägt;
unsre Türschwell hat Christi Blut
bestrichen, das hält uns in Hut.
Halleluja!
12) De wurgengel gaat aan ons voorbij,
geen eerstgeborene treft hij;
onze deurposten zijn met Christus’ bloed
bestreken, dat houdt ons in zijn hoede.
Halleluja!
Exodus 12:23 (laatste plaag)
13) Die Sonn, die Erd, all Kreatur
und was betrübet war zuvor,
das freut sich heut an diesem Tag,
da der Welt Fürst darnieder lag.
Halleluja!
13) De zon, de aard’, elk schepsel
en wat tevoren bedroefd was ,
verheugt zich op deze dag,
nu de vorst der wereld verslagen neerligt.
Halleluja!
14) Drum wir auch billig fröhlich sein,
singen das Halleluja fein
und loben dich, Herr Jesu Christ,
zu Trost du uns erstanden bist.
Halleluja!
14) Daarom zetten wij ook blij van zin,
een passend hallelujah in,
Wij loven u, Christus, onze Heer,
dat gij tot onze troost verrezen zijt.
Halleluja!


Looft God gij christnen, maakt hem groot

Een kerstlied voor de kinderen in Joachimstal

Van dit prachtige kinderlied voor Kerst (en wie is er met Kerst geen kind?) hieronder alle acht coupletten. In hedendaagse zangbundels (kerk en privaat) vindt u maximaal 6 coupletten. Jammer, stelde ik vast, toen ik de ontbrekende opzocht. Vandaar de volledige tekst met vertaling hieronder. De verdwenen verzen zijn de coupletten 4 en 5. Tekst en melodie is van cantor-schoolmeester Nicolaus Herman (eerste versie, ca. 1554, definitief 1560) uit St-Joachimstal (nu Jáchymov – Tsjechië). Dit Duitse ‘Weihnachtslied’ is tot in Frankrijk bekend en geliefd: noel allemand… (zoek daar maar eens naar samen met ‘Corrette’ …)

tekst

Duits (1560)
Nikolaus Herman

originele tekst (incl. spelling)
Nederlandse vertaling

1. Lobt Gott, ir Christen, alle gleich,
In seinem höchsten thron,
Der heut schleust auff sein Himelreich,
Und schenckt uns seinen Son,
Und schenckt uns seinen Son.
Looft God, gij christnen, maakt hem groot
in zijn verheven troon,
die nu zijn rijk voor ons ontsloot,
en schenkt aan ons zijn zoon,
en schenkt aan ons zijn zoon.
2. Er kömpt aus seines Vaters schos
Und wird ein Kindlein klein,
Er leit dort elend, nackt und blos
In einem Krippelein,
In einem Krippelein.
Hij daalt uit ‘s Vaders schoot terneer
op aard’ om kind te zijn,
een kindje arm en naakt en teer,
al in een kribje klein,
al in een kribje klein.
3. Er eussert sich all seiner gewalt,
Wird nidrig und gering
und nimpt an sich eins knechts gestalt,
Der Schöpffer aller ding,
Der Schöpffer aller ding.
Verzakende zijn macht en recht
verkoos hij zich een stal,
neemt de gestalt’ aan van een knecht,
de schepper van ‘t al’,
de schepper van ‘t al’.
4. Er leit an seiner Mutter brust,
Ir milch, die ist sein speis,
An dem die Engel sehn irn lust,
Denn er ist Davids reis,
Denn er ist Davids reis,
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,
de engelen zien hem en zijn blij,
want David’s loot is hij,

want David’s loot is hij,
5. Das aus sein stamm entspriessen solt
In dieser letzten zeit,
Durch welchen Gott auffrichten wolt
Sein Reich, die Christenheit,
Sein Reich, die Christenheit.
die uit zijn stam ontspruiten zou
in deze laatste tijd,
zodat op aarde bloeien zal
Gods heerlijk koninkrijk
,
Gods heerlijk koninkrijk.
6. Er wechselt mit uns wunderlich,
Fleisch und Blut nimpt er an
und gibt uns inn seins Vatern reich
die klare Gottheit dran,
die klare Gottheit dran.
Hij ruilt met ons zo wonderbaar,
neemt aan ons vlees en bloed.
Nu straalt ons uit zijns Vaders rijk
Gods glorie tegemoet,
Gods glorie tegemoet.
7. Er wird ein Knecht und ich ein Herr,
das mag ein Wechsel sein,
Wie könnd er doch sein freundlicher,
Das herze Jhesulein,
Das herze Jhesulein.
Hij wordt een knecht en ik een heer,
wat win ik veel daarbij!
Waar vind men zoveel gulheid weer,
als Jezus heeft voor mij,
als Jezus heeft voor mij.
8. Heut schleust er wider auff die thür,
zum schönen Paradeis,
der Cherub steht nicht mehr darfür.
Gott sey lob, ehr und preis,
Gott sey lob, ehr und preis.
En nu ontsluit Hij weer de poort
naar ‘t schone paradijs.
De cherub staat er niet meer voor.
God zij lof, eer en prijs!
God zij lof, eer en prijs!

mengeling van
1 2 3 : J.J. Thomson, 1938
7 8: C.B. Burger, 1973
4 5 6 : Dick Wursten, 2025

4de en 5de couplet

In ‘verlichte’ tijden vond men het vierde couplet nogal primitief — of aanstootgevend:
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,

Pudeur. ‘t Zal wel in de 19de eeuw geweest zijn. Toen moest alles wat met geloven te maken hebben geestelijk en verheven zijn. Tsja, het leven is dat ook niet. De kracht van het lied ligt juist in de geslaagde aansluiting (sentiment en strekking) bij het Kerstfeest met z’n heel basale concrete emotionaliteit (‘t kindeke in de kribbe, Maria, de stal, ocharme), terwijl het tegelijk de betekenis hiervan verwoordt zonder te gaan preken. God werd ècht mens, en het is precies dàt wat ons redt. Alleen zo komen mens en God samen. Geen theorie, geen theologie, maar gezongen exegese. Er zijn maar weinig (kerst)liederen die daarin slagen (Komt verwondert u hier mensen…misschien?). Onder de afbeelding van de eerste druk, nog wat toelichting. Vervolgens iets over de dichter (Nicolaus Herman) en de plaats van ontstaan (de dorpsschool van het mijnstadje Joachimstal).

titelpagina van de eerste versie van dit lied (ongedateerd, 1550-1554), het eerste van 3 kerstliederen ‘voor de kinderen in Joachimstal’

Toelichting op de tekst

Hoe eenvoudig dit lied ook is, toch is het een en al Heilige Schrift wat u hoort (met een Luther’s accent, m.n. in 6 en 7: ‘De vrolijke ruil’). De ‘incarnatie’, daar gaat het om, maar dan niet abstract-theoretisch, speculatief, maar concreet: God wordt mens, en niet een beetje, halfslachtig, neen: ècht, waarachtig mens. En daar mag je God wel voor danken, want alleen zo komen die twee bij elkaar : Looft God, gij christenen…
– In couplet 1 wordt de toon gezet: Door de komst van Jezus (de zoon) gaat de poort van het hemelrijk open. NB: ‘schleusst auf’ het hemelrijk, in het laatste couplet opnieuw ‘schleusst auf’ maar dan de poort van het paradijs.
– In de coupletten 2-4 wordt dit plastisch beschreven en geduid (zonder schoolmeesterachtig te worden, knap!) door de armoe en naaktheid te koppelen aan Filippenzen 2:5-11 (Christus, die zijn goddelijke macht aflegt en mens wordt, inclusief de kwetsbaarheid, de pijn.)

– In couplet 3 wordt deze tekst bijna letterlijk geciteerd (d.w.z. voor schriftgetrouwe lezers geëvoceerd, opgeroepen), in werkwoord en beeld: Entäussern, Gestalt, Knechtes, niedrig. Christus legt zijn god-zijn af, ziet af van zijn privileges: ontlediging (‘kenosis’ in het Grieks) en wordt een mensenkind, hij neemt de knechtsgestalte aan, wordt mens. Uniek christelijk gedachtengoed, zich zó “god” denken.
– In couplet 4 komt Maria in beeld, en de profetie uit Jesaja: de afgehouwen tronk van Jesse (Isaï, David’s vader) moet weer gaan bloeien. Een kerstklassieker (uweetwel met de ‘Reis‘ en de ‘Roos‘ die ontsprongen is uit Jesse’s stam). NB: dat kerstlied waaraan u nu denkt, bestond toen nog niet, maar de symbolische uitleg al wel (virga Jesse floruit – Maria bloeit open in een zoon).
– in couplet 5 wordt dit ontvouwd (expliciet), waarna
– in couplet 6 de ‘wonderlijke of vrolijke ruil’ van Luther het overneemt. Hij wordt mens, opdat ik vergoddelijkt wordt, zo zegt Luther het niet helemaal, maar wel zoiets. Herman gaat hierin wel ver: wij krijgen de ‘”klare Gottheit” in de plaats. Het lied zit goed in elkaar. Want dit is inhoudelijk (Filippenzen 2) en aanschouwelijk voorbereid (couplet 2-4).
– In couplet 7 kan de conclusie getrokken worden: Innig en liefdevol zijn zo mens en God (via Jezus, vriend) met elkaar verbonden. Onderschat de emotieve kracht van het volkse Kerstfeest niet.
– In couplet 8 kan de jubel dan losbarsten : Paradise regained: Het lied is ook rond. De poort van de hemel is open, en dus ook die van het Paradijs. De engel die na Eva/Adam’s val de mensenkinderen verhindert daarbinnen te geraken… is weg.

Vierstemmige zetting van J.H. Schein (youtube)

Hier een mooie uitvoering van dit lied, met de toonzetting van J.H. Schein inclusief het vierde couplet (dat uit de gezangboeken is verdwenen). Ze zingen 1, 2, 4, 8. Anderhalve minuut meer en het hele lied had erop gestaan.

Achtergrond: Niclas Herman in (Sankt-)Joachimstal.

Over de dichter-componist, Nicolaus (of Niclas) Herman (1500-1561) weten we weinig privaats, behalve dat hij in de buurt van Nürnberg geboren moet zijn, en dat hij op 18 jarige leeftijd in St-Joachimstal is, en wel als leraar aan de Latijnse school. Op zich niet zo bijzonder, ware het niet dat hij dat z’n hele leven zou blijven èn Joachimstal toen nog maar 2 jaar bestond. in 1516 was een rijke zilverader ontdekt (of beter: een bijna verlaten mijn opnieuw in gebruik genomen, met plots succes). De ontginning was aangevat door graaf Stephan Schlick (oude Boheemse adel) . Het daarrond ontstane mijnwerkersdorp (c.q. industriestadje, met koninklijke vrijheidsrechten) werd toegewijd aan St. Joachim. Het was het Klondike van de 16de eeuw.

Nu Jáchymov, op de grens van tsjechië en Duitsland. Landstreek: Bohemen.

De adellijke familie von Schlick (voluit: zu Bassano und Weißkirchen) was de eigenaar van de grond en 10 jaar later een van de rijkste families in Bohemen, tot Ferdinand (koning van Bohemen, later keizer…) zich ermee begon te moeien. Stephan Schlick was in dezen het meest actief. Zijn wapenschild staat ook vaak op de zilveren munten die uit het erts geslagen werd: de munt uit Joachimsthal, de Joachimsthaler. Hieronder een afbeelding van de tweede reeks Joachimthalers. Het is een Guldengroschen “Joachimsthaler” uit 1525.

centraal: S I – Sant Joachim. Daaronder diverse wapens. / keerzijde de leeuw van Bassano
in de rand (de afkortingen voluit – begin te lezen bovenaan rechts):
links: Arma Dominorum Slickorum Stefani Et Fratrum Comitum De Bassano
rechts: Ludovicus Primus Dei Gratia Rex Bohemiae.
bron: https://nl.numista.com/86643

Hij vertrouwde de ontginning van de mijn toe aan een ‘mijn-hoofdman’ (Berg-Hauptmann, Bergwerk=Mijnbouw), Heinrich von Könneritz, tevens muntmeester. Naast regelgevend werk, en opzicht, bevorderde hij ook het metallurgisch onderzoek (o.a. door samenwerking met de lokale arts, Georg Bauer, beter bekend als Agricola, de ‘vader van de moderne mineralogie’). Zijn vrouw Barbara von Breitenbach was dan weer zeer actief bij de constructie van het sociale weefsel van deze nieuwe ‘samenleving’. Könneritz leidde de exploitatie in goede banen en binnen 20 jaar groeide Joachimstal uit tot de tweede stad van Bohemen en telde meer dan 20.000 inwoners. Alle genoemden waren bekend met Luther en zijn gedachten en het genoemde echtpaar was zelfs goed met hem bevriend (hun zonen studeerden in Wittenberg), en hield — gezien een bemoedigende brief van Luther uit 1524 aan Nicolaus Herman — in moeilijke tijden ook de cantor-schoolmeester Nicolaus Herman de hand boven het hoofd. Luthers vader was zelf trouwens… mijnbouwer.

Silver medal commemorating Stephan von Schlick, the founder of Joachimsthal, no year (after 1526), unsigned by Wolf Milicz. Dedicated by Stephan’s widow in commemoration of her husband’s death in the Battle of Mohács of 1526. Probably the second specimen on the market. Extremely fine. Estimate: 15,000 euros. From Künker auction 418 (29 January 2025), No. 413.
Zilveren penning uit Joachimstal ter herinnering aan Stephan von Schlick (na 1526). Vervaardigd in opdracht van Stephans weduwe ter gedachtenis aan de dood van haar echtgenoot in de Slag bij Mohács in 1526. https://new.coinsweekly.com/coins-medals-more/joachimsthal-and-the-reformation/

Zilveren penning uit Joachimstal (1531) toegeschreven aan Hieronymus Magdeburger, die ook talrijke ‘evangelische munten’ graveerde, de numismatische evenknie van Niclas Herman. In het voorwoord van Johann Mathesius tot Herman’s tweede liedbundel, wordt ook deze evangelisatiemethode geroemd.
Links het (bijna)offer van Isaac door zijn vader, rechts het voltrokken offer van Christus door zijn Vader. Een van die — eigenlijk nogal schokkende — standaard christelijke typologieën. Op deze pagina – tevens de bron – vindt u meer uitleg en voorbeelden (English)

De daalder

De Schlicks hadden ook een eigen muntrecht, en de door hen geslagen zilveren munten werden de ‘gouden standaard’ in het hele (Habsburgse) Rijk: de Joachimsthaler, al snel afgekort tot ‘Thaler‘ (een volle thaler: ca. 25g zilver). Je mag dit ook letterlijk nemen: Deze in zilver geslagen munt vervangt als courant betaalmiddel de ‘gulden’.1 In onze contreien heeft zo’n Thaler de waarde van 30 stuivers, dat is 1,5 gulden, de daalder (nu enkel nog spreekwoordelijk: Op de markt is uw gulden een daalder waard…netzoveel trouwens als de eerste slag). Later komt er ook nog een upgrade tot 50 stuivers: de rijksdaalder 2,5 gulden. Op dat ‘Rijk’ hadden de Hollanders het niet zo, want dat was het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie (Karel V, Filips II etc.) en als ze overzee hun goederen verhandelden, sloegen zij hun eigen daalders, zonder ‘kop’, maar met een leeuw erop: de leeuwendaalder… Engelsen konden daalder of thaler niet goed uitspreken en maakten er dan maar dollar van. Gelooft u het niet: Lieven Scheire zegt het ook: (Joachimstaler > Thaler > Daalder > Dollar. facebook). Het kan trouwens nog korter: in het Tsjechisch is een thaler een tolar, tot 2007 de munteenheid van Slovenië.

Back to business: Belangrijk in dit alles is, dat in deze ‘nieuwe samenleving’ in Bohemen (dus toch al niet zo ‘rooms-gezind’) zowel de politieke, economische als ambachtelijke leidinggevenden van meet aan op z’n minst sympathiseren met de Lutherse Reformatie. De eerste kerk wordt nog wel (net als het dorp) toegewijd aan St Joachim, maar in 1522 wordt er al een “Evangelische Kerkorde” ingevoerd, de eerste in Bohemen. Van de bisschop is er geen spoor meer te bekennen. De machthebbers (m.n. graaf Stephan Schlick en de Berghauptmann Könnewitz) slaan de handen ineen en nemen zelf — met intellectuele, morele, en personele ondersteuning vanuit Wittenberg — de organisatie ter hand. Ze waken over de inrichting van de eredienst, nemen de verantwoordelijkheid over voor de andere maatschappelijke functies die de roomse kerk (of orden) vervulden: school, armenzorg, ziekenverpleging.

De school

Jongens konden dus naar de Latijnse school gaan, naar meester Herman. Toelatingsvoorwaarde: kunnen lezen, schrijven. Dat kon je zelf leren (thuis) of op de Duitse school. Beide stedelijke en kerkelijke instellingen ineen. Instroom in de Latijnse school was zo ongeveer vanaf 7 jaar. Logisch: de hersenen ontwikkelden zich toen netzo als nu. Op die school werden de jongens opgeleid voor hogere studies of een baan in de publieke sector (de slimmen waren tegen hun 12de al klaar, maar het kon ook 16-17 worden. Dan konden ze naar de universiteit). Cantor Nicolaus Herman is z’n leven lang schoolmeester geweest van de ‘onderbouw’ op de Latijnse school (net als Bach!). Hij heeft die school waarschijnlijk zelf mee uit de grond gestampt, en mogen werken met twee briljante en ondernemende rectors (die de bovenbouw voor hun rekening namen) : Eerst Stephan Roth, een goede vriend van Luther, afkomstig uit Zwickau, waar hij ook weer heen terugkeert. Hij wordt daar stadssecretaris, en de stuwende kracht om de Hervorming daar ‘deftig’ in te voeren. Een strijd tussen radicale protestanten en behoudsgezinde katholieken kan worden vermeden. De tweede is Johann Mathesius, student van en bevriend met Luther. Hij heeft bij hem ingewoond en gestudeerd, bekend ook als uitgever van diens preken en vooral de ‘Tischreden’. Eerst is hij rector, later wordt hij Pfarr-herr (Pfarrer) van Joachimstal. Hij schrijft ook het voorwoord bij de tweede verzamelbundel van Herman. Het stadje kent een pijlsnelle economische en demografische groei.

Zilvermijn in Joachimstal, 1548 (Duitse fototheek, wiki). De titel verwijst naar de vrijheidsrechten die deze nieuwe stad ook had verworven.

liederen voor de kinderen van Joachimstal

Niclas Herman is een fan van Luther, en helemaal als hij diens publicatie “AAN DE RAADSLEDEN VAN ALLE STEDEN VAN DUITSLAND DAT ZIJ CHRISTELIJKE SCHOLEN MOETEN OPRICHTEN EN IN STAND HOUDEN” uit 1524 leest. 2 Iedereen moet onderwijs worden aangeboden, zegt Luther, jongens èn meisjes, en de ouders moeten worden aangespoord (bijna verplicht) om van dat aanbod gebruik te maken: onderwijs als mensenrecht. Goede ouders (en dus: de overheid) volstaan toch ook niet met enkel lichamelijk voedsel aan hun kinderen te geven. Die voorzien ook geestelijke (op)voeding. Daarbij moet de overheid haar verantwoordelijkheid nemen en scholen oprichten. En zij moet er ook op toe zien dat alle kinderen daar naar toegaan (naartoe kùnnen gaan), jongens èn meisjes. In 1518 is er dus al een Lateinschule (jongens) in Joachimstal, en even later ook een meisjesschool, met een vrouwelijke directrice: Magaretha Heldin. Niclas Herman prijst haar in het voorwoord van zijn verzamelbundel. Daar onthult hij ook dat hij met name voor haar en haar leerlingen zijn liederen heeft geschreven. Hun bijbelkennis en zang had grote indruk op hem gemaakt (De tekst van die passage uit dat voorwoord kunt u hier lezen. Kortom: Leren lezen, leren rekenen (mathematica) èn muziek. Iedereen moet dat kunnen/kennen. Een leraar moet dus ook kunnen zingen (muziek maken), vindt Luther. En de jongens onder hen moeten met de polyfonie vertrouwd gemaakt worden, want zij vormen de ‘Cantorey’ (dat is dus in Bach’s tijd nog steeds zo: de Thomasschool). Zij moeten Latijnse motetten en (later) Duitse composities kunnen zingen, tijdens de vieringen op school, maar ook in de kerk (doordeweeks en zeker op zondag). Herman blijkt trouwens een vooruitstrevende leraar te zijn. Hij is ervan overtuigd dat de mensen willen leren. Hij hekelt lijfstraffen, pleit voor een motiveringspedagogiek, en stelt – zeker wat het godsdienstonderwijs betreft – een zingend curriculum voor (meer daarover hier). Hij biedt het zelfs aan. Alle bijbelverhalen op tekst en muziek gezet: Die SontagsEvangelia über das gantze Jahr in Gesänge gefasst für die Kinder und christlichen Hausväter

Hier een editie uit 1561 van dit lied. (uit de bundel met liederen bij de evangelieverhalen) Nog steeds staat eronder, wat ook in de eerste druk (als ‘flyer’ met 3 kerstliederen, z.b.) op de titelpagina stond: für die Kinder im Jo(a)chimstal

Bekendste liederen

En zeker rond de grote feesten, moet er wat te zingen zijn:

  • met Kerst dus: Drey Geistliche Weinacht Lieder, vom Newgebornen kindlein Jhesu, für die kinder im Joachimstal is waarschijnlijk zijn eerste publicatie (de zetter heeft wel een potje gemaakt van de teksten). Ons lied is hier het eerste (Liedboek, gezang 147).
  • En met Pasen: “Erschienen ist der herrlich Tag” (gezang 200) – prachtige melodie en ook een zeer leerrijke tekst (helaas ook niet meer aanwezig in de huidige gezangboeken). Voor meer info klik op de melodie:
  • En ‘s ochtends en s’avonds: Die helle Sonn leucht’ jetzt herfür” (gezang 373), “Hinunter ist der Sonnen Schein” (384)en “Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ” (gezang 316).
  • En als je op sterven ligt (want de kinderen werden niet oud, nemen de liederen mee naar huis): “Wenn mein Stündlein vorhanden ist” (gezang 270). Het laatste couplet is ook vaak apart geciteerd en op muziek gezet (“Weil du vom Tod erstanden bist…” – Schütz musicalische exequien). Het koraal is nog getoonzet door Schumann, in z’n laatste levensjaar, toen hij opgenomen was in de kliniek. De laatste maand was hij bezig met de bijbel en het liedboek. Meer info: klik hier

Herman’s teksten en melodieën zijn eenvoudig, maar niet simplistisch. Een goed voorbeeld is het onderwerp van deze pagina, maar dat geldt ook voor de andere genoemde liederen. Over de berijming van de bijbelverhalen kun je twisten, maar dat was dan ook puur onderwijsmateriaal, 4 of 7 regels, met een lijst met melodieën die geschikt zijn. Deze bijbelse-verhalende-liederen heeft hij tegen het eind van zijn leven gemaakt en gebundeld, toen hij ziek thuis zat (geplaagd door hevige en zeer pijnlijke jicht). Het voorwoord tekent hij met Niclas Herman, der alte cantor…. Ze zijn na zijn dood uitgegeven en talloze malen herdrukt. Even terzijde: dus niet bestemd voor de kerkdienst (liturgie), maar voor alle vormen van ‘godsdienstoefening’ daarbuiten.

portret

Hier een portret, gemaakt in zijn laatste levensjaar (1560: corpus vexabat podagra… staat er in het gedicht: zijn lichaam gekweld door de jicht. Je kunt het ‘m aanzien). Hij houdt een lied van zijn hand in de hand:

De muziekrol bevat de eerste regel van zijn berijming van de brief aan de Corinthiërs, waarin hij (met Paulus) de neiging tot afscheuring, sectarisme bestrijdt. Het eerste couplet:

Sant Paulus die Corinthier
hat unterweist in rechter lehr,
sobaldt er aber von in kam,
da fingen sich vil seckten an.

Boven zijn hoofd staat: Vox amici vox Dei: de stem van een vriend is de stem van God…

Dick Wursten (Kerst 2025)

P.S. Ad den Besten over Herman

Vertaler en liedboekdichter Ad den Besten schrijft aan het eind van zijn biografische notitie in het Compendium bij het Liedboek, over Nicolaus Herman:

Na Luther is Nikolaus Herman veruit de meest gezongen dichter van geestelijke liederen uit de 16de eeuw geweest. De heldere eenvoud van zijn teksten, hun kinderlijke, maar nergens kinderachtige toon, hun menselijke warmte, hebben gemaakt, dat zij een veel algemener betekenis kregen dan Nikolaus Herman zelf ooit heeft verwacht. Hij was met andere woorden een veel beter dichter en componist dan hij zelf heeft geweten.

Nietzsche’s hymne op het leven

tekst : Lou Salome (1881), goede vriendin en klankbord in zijn Vrolijke Wetenschap-tijd (1882). Nietzsche noemde haar zijn ‘Gehirnschwester’ (breinzus). Na afgewezen huwelijksaanzoek en hevige vlagen van jaloezie, zodanig gebrouilleerd dat er geen contact meer (mogelijk) was. Zij publiceerde nochtans in 1894 een zeer positief boek over Nietzsche.
muziek : Friedrich Nietzsche (1882 ‘compositie’, 1887 publicatie; de oorspronkelijke compositie gaat echter terug tot 1872 en was toen gekoppeld aan een Hymne an die Freundschaft, een compositie voor piano-vierhandig, opgedragen aan muzikale vriend en collega in Bazel: Franz Overbeck.

De koorzetting is eigenlijk helemaal niet van Nietzsche, maar van . Alles over de muzikale wording van deze compositie, vindt op deze pagina van mijn Nietzsche website (in het Duits en het Engels).

De tekst

In Ecce homo (1888) staat Nietzsche erop Lou Salome expliciet te noemen (en te prijzen) als auteur van de tekst. Met name de slotzin sprak hem erg aan, schrijft hij:

Hast du kein Glück mehr übrig mir zu geben,
wohlan ! noch hast du deine Pein.

In haar Lebensrückblick (eerste uitgave 1951, postuum, verzorgd door Ernst Pfeiffer) citeert Lou het gedicht ook, d.w.z. het oorspronkelijke. Ze heeft het – zo meldt ze daar – geschreven na een intense periode in Rusland, uitlopend op haar vertrek uit de ‘Heimat’ naar Zürich. Zij noemt het Lebensgebet. Het is nìet voor Nietzsche geschreven, en dus ook niet de verklanking van hun vriendschap/liefde. Het slotcouplet is ook iets anders:

Jahrtausende zu sein ! zu denken !
Schließ mich in beide Arme ein
Hast du kein Glück mehr mir zu schenken —
Wohlan — noch hast du deine Pein.

Nietzsche had hier nog al fors ingegrepen, zie ik nu. Ook de eerste en tweede regel heeft hij gewijzigd:
Jahrtausende zu denken und zu leben.
Wirf deinen Inhalt voll hinein!

Hast du kein Glück mehr übrig mir zu geben,
wohlan ! noch hast du deine Pein.

De ‘vol ingeworpen inhoud’ in de tweede regel is wel heel bot, zeker vergeleken met het tedere ‘sluit me in de armen’. Ze voegt droogjes toe: Nachdem ich es Nietzsche gelegentlich aus dem Gedächtnis niedergeschrieben und er es darauf in Musik gesetzt hat, lief es feierlicher auf etwas verlängerten Versfüßen. Hier het originele gedicht (met kortere versvoet, d.w.z. de regels met vrouwelijk rijm blijven jambisch):

Lebensgebet

Gewiß, so liebt ein Freund den Freund,
Wie ich Dich liebe, Rätselleben –
Ob ich in Dir gejauchzt, geweint,
Ob Du mir Glück, ob Schmerz gegeben.

Ich liebe Dich samt Deinem Harme;
Und wenn Du mich vernichten mußt,
Entreiße ich mich Deinem Arme
Wie Freund sich reißt von Freundesbrust.

Mit ganzer Kraft umfaß ich Dich!
Laß Deine Flammen mich entzünden,
Laß noch in Glut des Kampfes mich
Dein Rätsel tiefer nur ergründen.

Jahrtausende zu sein! zu denken!
Schließ mich in beide Arme ein:
Hast Du kein Glück mehr mir zu schenken –
Wohlan – noch hast Du Deine Pein.

In haar roman Im Kampf um Gott (gepubliceerd onder het pseudoniem Henri Lou, 1885) heeft ze dit gedicht ook opgenomen, maar dan in Nietzsche’s versie – zo lees ik, maar bij nader inzien is dat niet helemaal waar: De versvoet uitbreiding neemt ze over, maar in de laatste strofe kiest ze toch voor haar eigen — oorspronkelijke — rijmwoorden en voorlaatste zin, (de versvoet verlengen doet ze in de eerste regel dan maar zelf… ). Ik vind dit de beste versie:

Jahrtausende zu leben um zu denken,
Schließ mich in beide Arme ein
Hast du kein Glück mehr mir zu schenken —
Wohlan, — noch hast du deine Pein.

Hier de drie versies naast elkaar (click to enlarge – a text version here)

Lou Salome — zo weet Ernst Pfeiffer nog te berichten in een voetnoot, gebaseerd op zijn gesprekken met haar als oude dame (jaren 1930) — vond later het gedicht eigenlijk wel wat bombastisch, en noteert dat de slotzin voor haar en voor Nietzsche niet hetzelfde zei: Voor haar wilde die zin zeggen dat zij ook het berooide leven dat er overbleef na God ‘verloren’ te hebben nog voluit wil blijven omaremen. Even terzijde: God is bij Lou Salome zowel ‘God’ als sluitsteen van een betekenisvol wereldbeeld (= thema van het boek Im Kamp um Gott, waar zij dit gedicht opneemt), als zijn incarnatie in de dominee/man, Hendrik Gillot, die in Sint-Petersburg enerzijds haar geest heeft doen openbloeien middels lectuur, en gezamenlijke studie, en een niet geconsumeerde intense liefdesrelatie). Ook na de breuk en een zware periode van ziekte, wil ze het leven nog voluit omarmen. Voor Nietzsche verwoordt deze slotzin zijn amor fati (Rückblik, p. 224-5, noot 40. Het originele gedicht staat op p. 40)

Tenslotte: Nietzsche had de boodschap van von Bülow, dat hij geen componist is blijkbaar eerst wèl aanvaard (met pijn en moeite), maar hij kon het toch niet laten om in zijn laatste bewuste levensjaar de uitgegeven partituur naar hem op te sturen… (zo van: u had gelijk toen, maar kijk dit ligt er dan nu toch maar. Bülow heeft er wijselijk het zwijgen toe gedaan). Als je Ecce homo leest, dan zie je hoe de officiële muziekuitgave hem blij en trots maakte. Wel hoor ik in de formulering over de muziek die hij schreef toch enige terughoudendheid (die opvalt in dat boek dat verder bepaald niet zuinig is met superlatieven als het over hemzelf gaat): Na Lou’s slotzin te hebben geprezen besluit hij de passage namelijk met

Vielleicht hat auch meine Musik an dieser Stelle Grösse

En hier de drie versies naast elkaar

De fictie van Nietzsches Wille zur Macht

Het meest bekende en invloedrijke boek van Nietzsche “Der Wille zur Macht” is helemaal geen boek, en is ook niet van Nietzsche.

Wat is er aan de hand?

Friedrichs zus (Elisabeth Förster-Nietzsche ) heeft postuum een boek gecompileerd (samengesteld) uit aantekeningen in Schriftjes, notitieblokjes, losse vellen papier uit de periode 1885-1888 (in de verzamelde uitgave 2 delen, ca. 1000 bladzijden), met de titel Der Wille zur Macht. Selectiecriterium en ordeningsprincipe zijn in zo’n geval allesbepalend. Cf. Who frames the question determines the answer… Beide zijn bepaald door zijn zus (en enkele anderen, m.n. Heinrich Köselitz, alias Peter Gast, een toegewijde vriend van Nietzsche). Zij hebben het resultaat van hun werk vervolgens in de markt gezet als Nietzsche’s Unvollendete , zijn hoofdwerk: Dat wat hij eigenlijk had willen zeggen, maar waar hij jammer genoeg nooit aan toegekomen is, maar dat wij nu…. Wonderlijk genoeg is deze gang van zaken eigenlijk al bekend sinds de publicatie van de eerste (later verworpen) editie in 1901. Toen had Elisabeth namelijk een eerste selectie (483 aforismen) laten bundelen, redigeren, en uitgegeven. Maar ze was niet tevreden met het resultaat en brak met de ‘redactor’ (Fritz Kögel), die haar sinds 1894 had bijgestaan bij de uitgave van Nietzsche’s verzamelde werken. Er waren al 12 delen verschenen. 8 delen met gepubliceerde werken en 4 met nagelaten werken en Der Wille zur Macht. Die laatste vier werden ingetrokken. De uitgave viel stil. Er werden nieuwe redacteuren aangetrokken (o.a. de gebroeders Horneffer; dr. Otto Weiss kreeg de wetenschappelijke eindverantwoordelijkheid). Tussen 1906 en 1911 verscheen dan de ‘definitieve’ uitgave, zowel van de nagelaten werken (en fragmenten) en Der Wille zur Macht (versie 2: gegroeid tot 1067 aforismen, een aanzienlijke uitbreiding, herschikking, maar ook weglating).

Alleen deze ontstaans- en uitgavegeschiedenis zou tot terughoudendheid hebben moeten leiden bij de lezers en interpreten van Nietzsche, zeker qua acceptatie van de autoriteit van Der Wille zur Macht (4 delen), als boek. Toch heeft men deze compilatie vrij snel als Nietzsche’s hoofdwerk aanvaard en is men – en dat zelfs tot op vandaag – geneigd langs dit fictieve spoor Nietzsche te benaderen. Men interpreteert (propageert/bestrijdt) Nietzsche als de filosoof van de ‘Wil tot macht’ die achter, onder, in alles zit, een imago dat mede door dit boek is opgeroepen. En als het al een kern van waarheid bevat – en dat doet het – dan is die door dit boek buiten proportie opgeblazen.

De echte stem van Nietzsche is hierdoor onnodig lang overstemd, gesmoord.

Sinds de publicatie van de volledige nagelaten aantekeningen inclusief degenen die Elisabeth eruit had gehaald om het fictieve boek mee samen te stellen (50 jaar geleden in het Duits, recentelijk ook in het Nederlands vertaald), is het zonneklaar dat Nietzsche wel heel wat – onderling nogal verschillende – schema’s heeft ontworpen voor een nieuw groot werk, en dat in een bepaalde periode de titel ‘Der Wille zur Macht‘ door z’n hoofd speelde (maar altijd naast andere, en met wisselende ondertitels, en gevolgd door heel verscheiden indelingsschema’s). Nu al die aantekeningen weer bij elkaar staan, chronologisch geordend, wordt duidelijk dat er gewoon geen selectiecriterium is, dat kan beslissen over inclusie/exclusie van een opmerking, een fantasievolle gedachte, een complexe gedachtenoefening, in een omvattend systematisch werk. Willekeur was dat dus, bepaald door een ulterior motive. Temeer daar uit de aantekeningen ook duidelijk blijkt dat Nietzsche aan het eind van de zomer van 1888 terugkomt van zijn idee om een omvattend werk samen te stellen. Der Wille zur Macht als titel is al eerder gedropt, maar nu verdwijnt ook de idee van het alomvattend boek naar de achtergrond. Als er al ‘indexen’ verschijnen hebben zo vaker Umwerthung aller Werthe als titel, of – laatste poging: Magnum in parvo: Eine Philosophie im Auszug (Het grote in het kleine. Een uittreksel als filosofie). Als je de bijbehorende hoofdstukindeling bekijkt, dan zie je dat hier eigenlijk al teruggeplooid wordt op een veel kleiner werk, en als puntje bij paaltje komt is dit een combinatie van Götzendämmerung en Der Antichrist 3 In z’n laatste actieve periode heeft Nietzsche al z’n energie gestoken in de samenstelling (het schrijven, componeren) van concrete publicaties: Götzendämmerung, Antichrist noemde ik al. Daarnaast Der Fall Wagner, en de Dionysos-dithyramben… en niet te vergeten: zijn auto-mythobiografie Ecce homo. Dat is – heel precies – de output van zijn laatste manische periode. De rest zijn… nagelaten aantekeningen. Geen systematisch werk.

Wilt u meer weten (preciezer), lees dan verder.

Als u genoeg weet, dan kan ik u adviseren om gewoon Nietzsche te gaan lezen, en eens te horen wat hij te zeggen heeft, los van zijn fictionel imago. Bijv. een selectie vertaalde gedachtenoefeningen uit de Vrolijke Wetenschap.

Vervolg: Nagelaten fragmenten

Alle losse aantekeningen die Nietzsche heeft nagelaten zijn in de Kritische Gesamtausgabe gebundeld in een 7 delen met de titel : Nachgelasse Fragmente | Nagelaten fragmenten. De twee delen 4 die de periode 1885-1888 beslaan, bevatten alle tekst uit 22 handgeschreven bronnen (15 grote schriften, 3 notitieboeken en 4 mappen met losse vellen).5 Het is een volledige en manuscript-getrouwe weergave van alle fragmenten, ontwerpen, plannen en titels die zijn bewaard, vanaf herfst 1885 tot aan het einde van Nietzsches scheppende leven begin 1889. Alles, d.w.z. ze bevatten dus ook al het materiaal dat eruit verwijderd was om het Der Wille zur Macht | De wil tot macht samen te stellen. Dat zijn (nu dus: waren) immers communicerende vaten: Wat in WzM werd opgenomen, was weggeplukt uit de Nachlass. Daarom moest bij een dikkere verse van WzM de Nachlass dunner worden (en dus opnieuw geredigeerd en uitgegeven, — dit verklaart de breuk in de eerst grote uitgave van Nietzsches Werke, de zogeheten Grossoktavausgabe.

In chronologische opeenvolging gelezen bieden de fragmenten een zeer precies en bijna ononderbroken beeld van wat er zoal in Nietzsche’s hoofd speelde, en wat zijn literaire intenties waren tussen de herfst 1885 tot begin januari 1889 (het moment van zijn collaps). Hij speelde inderdaad met het plan een groot verzamelwerk uit te geven. Allerlei titels en indelingen passeren de revue. Een compilatie onder de titel Der Wille zur Macht komt naar voren, maar eigenlijk is de titel Umwertung aller Werte minstens zo opvallend (dat is de ondertitel geworden). Niet alleen de titel, maar ook het concert wordt diverse keren gewijzigd, en verdwijnt in september 1888 uit beeld. In plaats daarvan zet hij zich tot de samenstelling van nieuwe thematische bundelingen: Zur Genealogie der Moral, Götzendämmerung, der Antichrist, der Fall Wagner en zijn automythografie: Ecce homo.

Een cruciale datum: 26 augustus 1888

Nietzsche noteert nog maar eens een reeks hoofdstuktitels onder de titel Der Wille zur Macht. Dit is zijn “letzter Plan” (consensus onder Nietzsche vorsers). Na deze laatste schets – en dit is belangrijk – komt de titel ‘Der Wille zur Macht’ niet meer voor in zijn aantekeningen. De ondertitel ‘Umwerthung aller Werthe‘ wel, maar nu met nieuwe rubrieken. Daar wordt bijv. de ‘Antichrist’ genoemd als eerste deel. Ook verschijnt Magnum in parvo als een fragmentarisch filosofische werk ten tonele (zie boven). En er zijn plots notities met allerlei variaties op ‘Götzendämmerung‘ (titels en subtitels, de een al inventiever dan de ander). Nietzsche is op zoek naar een titel voor een nieuw werk dat hij wil uitgeven. En inderdaad: Laatstgenoemd boekje is kort nadien persklaar (“ins Reine” geschreven). Het is een uittreksel uit zijn filosofie in fragmenten, niet het begin van een systematisch omvangrijk werk… zoals het door zus en vriend uit allerlei niet afgewerkte notities samengesteld fictieve (fake) boek. Ook de ‘Antichrist’ wordt nog door Nietzsche afgewerkt, maar pas veel later gepubliceerd. Ook dit is geen systematisch filosofisch werk, maar … een fel pamflet. Nietzsche blijft zichzelf trouw, ook in zijn laatste fase: Zijn denken kent geen einde….

Graftdijk 1992

Het is dan ook volkomen onbegrijpelijk dat in 1992 Thomas Graftdijk een latere versie van dat niet bestaande werk heeft vertaald en dat uitgeverij Boom dit in zijn Nietzsche-collectie heeft opgenomen – daarbij de hoofdtitel en de ondertitel omdraaiend.6 Had er nu een degelijk inleiding bij gestaan, dan was het tot daaraantoe, maar er is geen inleiding, enkel een zeer kort nawoord/verantwoording. De vertaler noemt daar wel de naam van de tekstbezorger van zijn bron ‘Friedrich Würzburg’, maar vergeet te vermelden dat deze dit boek in 1940 publiceerde èn niet om de nazistische lezing een stok in het wiel te steken, wel in tegendeel.** In het Nederlandse taalgebied wordt zo de suggestie versterkt dat Nietzsche zo’n werk toch wel ongeveer voor ogen moet hebben gehad. Quod non.


NOTEN

Gaudete ! Steeleye Span en de musicologen

Hoe een middeleeuwse deuntje een hit werd

Iedereen die in een koor zingt of gezongen heeft kent het vast wel (en anders van ‘horen zingen’) : het Latijnse kerstlied Gaudete … Het klinkt zo heerlijk middeleeuws en mystiek, temeer omdat je niet verstaat wat je zingt. Toch altijd weer een surprise dat de a-capella versie van Steeleye Span het meer dan 50 jaar geleden tot nr. 14 van de Engelse hitparade heeft geschopt (december1973):

https://youtu.be/cEPmGq0Ii2o?si=9l5lRY_rXGOj_yVj

Minder bekend is dat de tekst en melodie van dit lied (m.n. van de 4 coupletten) de 20ste eeuwse uitvoerders voor een probleem plaatsen, want in de oudste bekende druk (1582, Piae Cantiones) staan mooi de vier stemmen van het refrein genoteerd, maar bij de vier coupletten staan geen muzieknoten:

Dat heeft aanleiding gegeven voor een stroom aan suggesties, improvisaties, al dan niet gestaafd door bronnenonderzoek. Daarover straks nog wat.

Het lied begint aan zijn tweede leven (revival) in 1910 als de Anglicaanse priester/musicus James Woodward de Piae Cantiones (selectie) opnieuw uitgeeft (in een ‘fijne authentiek aandoende renaissancistische’ druk):

Zijn bedoeling was dat ze gezongen zouden worden (in kerk en school), dus moest hij ook een melodie voorzien voor de coupletten. Hij doet een voorstel (de melodie van Good king Wenceslas, trouwens) maar dat wordt geen succes. De doorbraak van dit lied komt er als de Clerkes of Oxenford (o.l.v. David Wulstan) in 1966 een KerstLP uitbrengen met o.a. dit lied (kant B, nr. 6).

Dit is ongetwijfeld de meest bekende versie. Wulstan gebruikte een andere melodie dan Woodward had voorgesteld, en vergat te vermelden wat, waarom en hoe. Pas later werd duidelijk dat hij wel degelijk echt musicologisch speurwerk had gedaan. De melodie die hij liet zingen was afkomstig uit een Praags handschrift waar ze genoteerd staat bij een lied waarvan het 1ste couplet gelijk was aan het 3de van Gaudete. (het couplet over de poort van Ezechiel, zie onder). Een aardig détail is dat Steeleye Span, toen zij het lied ook wilden proberen, natuurlijk eerst grepen naar Wulstan’s versie, maar het begin en het eind hen blijkbaar niet goed beviel (of lag) en het hebben aangepast. Vandaar dat hun versie op de webpagina van Elam Rotem (Early Music Sources) netjes is getranscribeerd en naast Spangenberg (een oude versie van de melodie) en Wulstan is opgenomen :

Nieuwsgierig geworden naar het hele verhaal: kijk/luister dan naar de glasheldere uiteenzetting over dit lied van Elam Rotem op het Youtubekanaal van Early Music History. Leert u tegelijk heel wat bij over musica ficta (want de charme van het refrein, Gaudete, is dat die ontbreekt. Snapt u niet wat ik bedoel, kijk dan zeker naar de video). De 20ste eeuw begint daar bij 10:19.

https://youtu.be/Aab7TvfDEKE?si=RSqJCX_gm2gTefAx

Tekst

Gaudete (1582) Letterlijk English (2016) – zingbaar
Gaudete, gaudete!
Christus est natus
Ex Maria virgine,

gaudete!
Verheugt u!
Christus is geboren
uit de maagd Maria,
verheugt u!
Be joyful! Sing with joy!
Born is the Savior
from the Virgin Mary’s womb:

Be joyful!
Tempus adest gratiae,
hoc quod optabamus,
Carmina laeticiae
devote reddamus.
De genadetijd is er,
waar we zo naar uitkeken;
Laten we blijde liedjes
aanheffen, toegewijd.
At this time of holy grace,
for which we were yearning,
In devotion let us sing,
hymns of joy returning.
Deus homo factus est
Natura mirante,
Mundus renovatus est
a Christo regnante.
God is mens geworden,
de natuur stond versteld,
De wereld is vernieuwd
door Christus die regeert.
God is made a man today;
Nature lies in wonder.
Christ the King renews the world
that was put asunder.
Ezechielis porta
clausa pertransitur,*
Unde lux est orta,
salus invenitur.

Er is door de gesloten poort
van Ezechiël * gegaan,
vanwaar het licht opgaat,
en het heil wordt gevonden

vrijer:
Ezechiels poort is dicht,
maar hij ging erdoor,
waar het licht opgaat,
daar laat het heil zich vinden.

Fastened was Ezekiel’s gate,
yet he entered through it;
So the light the world has found,
bringing mercy to it.

Ergo nostra concio
psallat iam in lustro,
Benedicat Domino,
salus Regi nostro.
Laten wij dus samen
psalmzingen op dit feest,
Geprezen zij de Heer,
Heil aan onze koning!
Therefore let us all rejoice,
singing to acclaim Him
Here we greet and bless the Lord,
and our King we name Him.
Dick Wursten Carol Anne Perry Lagemann
(CC BY SA 4.0)

* de ‘gesloten poort van Ezechiel’ is een klassieker uit de Marialogie rondom Christus’ geboorte. Een typisch voorbeeld van allegorische uitleg (annexatie) van de Hebreeuwse bijbel voor christelijke doeleinden: De profeet Ezechiël heeft (zoals Johannes in de apocalyps) een visioen van wat er aan het einde der tijden zal gebeuren. Hij ziet God komen en zijn huis (de tempel) binnengaan door de Oostelijke Poort (‘waar het licht opgaat’, de orient. Daarom krijgt Ezechiël te horen (vers 2 van hoofdstuk 44): En de HEER zei tot mij: Deze poort zal gesloten blijven; zij zal niet geopend worden en niemand mag daardoor binnengaan, want de HEER, de God van Israël, is daardoor binnengegaan; daarom moet zij gesloten blijven. Weet u meteen waar de tekstschrijver van Monteverdi (Maria vespers) de mosterd vandaan haalde voor zijn echo aria: Porta orientalis.

  • de tempel = Maria’s moederschoot
  • de Heer die binnengaat = de conceptie, incarnatie
  • de poort die gesloten blijft = altijd maagd (ook post partum)

Zo ziet u maar dat de Schrift – mits handig uitgelegd – de meest wonderlijke dogma’s kan bewijzen.

Advent 2025, Dick Wursten


NOG WAT KERSTMUZIEK

Lou Salomé en Friedrich Nietzsche

Charles Vergeer bespreekt de memoires van Lou Andreas-von Salomé (Bzzletin 1979). Deze zeer lange tekst heb ik ingekort en in 2025 hier gepubliceerd, want helaas is Vergeers kritische kanttekening nog steeds nodig. Hoezo? Waarom? Dat legt Vergeer uit in de eerste alinea.

cover 1979 – Terugblik op mijn leven

Nietzsche stierf in 1900, Lou von Salomé in 1937 op 76 jarigie leeftijd. De Lebensrückblick schreef ze pas op hoge leeftijd in 1931 en ’32. Publicatie volgde pas veel later door Ernst Pfeiffer in 1951. Die eerste druk was op grond van het enige toen bekende exemplaar: een manuscript. Later werd er nog een typoscript gevonden met een groot aantal handgeschreven veranderingen. Dat exemplaar werd benut voor de tweede – en dus veranderde – druk van 1968. Die versie werd in ’77 nog eens herdrukt als Insel taschenbuch (Nr. 54). De belevenissen met Nietzsche zijn te vinden in het hoofdstuk Freundeserleben. Het eerste wat opvalt is dat Nietzsche er niet die grote rol in speelt die men zou verwachten. Het hoofdstuk begint en eindigt met Paul Rée.

Paul Rée

Lou is met haar moeder, om gezondheidsredenen, naar het zuiden gekomen en verblijft in maart 1882 te Rome waar ze vaak op bezoek is bij Malwida von Meysenbug, die nu totaal vergeten is. Toen stond ze echter bekend als een van de eerste geëmancipeerde vrouwen. Bekendheid kreeg ze door haar Memoiren einer Idealistin. Ze leefde in Rome, in de Via della Polveriera, omdat ze na deelname aan de revolte van 1848 uit Pruisen verbannen was. Op de avond van de 17-de maart is Lou bij Malwida, waar onverwachts Paul Rée komt. Rée had samen met Nietzsche een tijdlang in Genua gewoond, van waaruit hij naar Rome ging en Nietzsche – als een nieuwe Columbus (immers ook een Genuees) op zoek naar een nieuwe wereld als enige passagier op een oud zeilschip – naar Messina. Ondertussen ontdekten Rée en Lou elkaar, geholpen door de Romeinse lentenachten. Vele avonden zwierven ze na de gesprekken bij Malwida nog uren door de straatjes van het oude Rome om tenslotte bij het pension te komen waar Lou met haar moeder verbleef.

Dat zoiets geen pas gaf sprak, ook voor een feministe in de tachtiger jaren vanzelf, en Malwida tikte Lou dus op haar vingers in een langdradig briefje – blz. 112 in de hierna te noemen Nietzsche-Dokumente -: ‘Das Nachhause bringen (durch Rée) war mir nur peinlich in dem Gedanken es könne Ihrer Mama misfallen und ich wollte nicht dass sie denken solle, bei mir fördere man eine andere als die edelste geistige Emanzipation.’ En wat verderop in die brief nog: ‘Ich wusste wie durch ähnliche Dinge hier der Ruf mehrere junger Mädchen gefährdet geworden war…’

Lou Andreas-Salomé, c. 1897.

En inderdaad ‘der Ruf’ was zeer geschaad en zou het blijven tot heden aan toe. Malwida vermaande, maar Mama von Salomé vocht. Het liefst had zij ‘alle ihre Söhne zu hilfe gerufen’ om Lou ‘tot oder lebendig nach Hause zu schleifen’.

En Rée? Die deed haar een huwelijksaanzoek. Dat was echter helemaal de bedoeling niet. Lou, net 21 (Rée 33 en Nietzsche 38), had nog een ‘total entriegelter Freiheitsdrang’ – haar eigen woorden -, geen bijzonder verlangen naar de huwelijksband, wel nog een zeer grote emotionele binding met haar opvoeder, dominee Gillot, de eerste en lange tijd de enige waarin ze de diepten van een mens gevoeld had, en tenslotte had ze ook nog een financiële ondersteuning van de Russchische regering – de basis voor een onafhankelijk leven – die ze door een huwelijk verliezen zou. Lou weigerde dus Rée’s huwelijksaanzoek.

Nietzsche’s huwelijksaanzoek

De situatie zou echter nog wat gecompliceerder worden doordat vijf weken nadien Nietzsche vanuit Messina – waar hij de prachtige Idyllen geschreven had – in Rome aankwam: onverwacht. Nog veel onverwachter was dat ook hij ondersteboven bleek van Lou en ook haar een huwelijksaanzoek deed. Ook dat werd geweigerd en met meer reden dan de eerste keer. Ze hadden elkaar voor het eerst gezien in de Sint-Pieter. Rée was gaan zitten in een van de biechtstoelen ter rechterzijde – geen custode overigens die hem heden ten dage u aanwijst – om daar Lou zijn, weinig vrome, notities voor te lezen, tot Nietzsche kwam die zich wat stijfjes gedroeg. Uit de herinneringen is af te lezen hoe Lou door het verschijnen van Rée direkt getroffen was en door dat van Nietzsche niet. Geheel anders was blijkbaar de indruk bij Nietzsche want toen deze van de plannen tussen Lou en Rée hoorde gebeurde het ‘noch Unerwartere’ dat hij ‘sich zum Dritten im Bunde machte’. Lou laat er dus geen twijfel over waar het initiatief lag. Ook in een brief aan Hendrik Gillot laat zij duidelijk uitkomen dat er wat haar betrof enkel sprake was van een – nooit voor een huwelijksband bedoelde – relatie met Paul Rée: ‘Das Wesentliche ist menschlich für mich nur Rée’ (de onderstrepingen zijn van haar zelf). Ironisch gaat dan ook de tekst door dat Nietzsche in zijn voortvarendheid zelfs (Sogar) de plaats waar de ‘Drieëenheid’ – de term waar zoveel verwarring door zou komen – zou zetelen reeds bepaalde: Parijs. Hij wilde daar colleges lopen en Rée had er contact met Iwan Tourgenjew. (Malwida intussen maakte veel bezwaar en had met het drietal liefst onder toezicht gesteld van de moeder van Rée en de zus van Nietzsche. Die laatste zal zich er later inderdaad mee gaan bemoeien.)
Wat haar ook niet aan Nietzsche beviel waren zijn voortdurende aanvallen – hij was toen doorlopend ziek – en zijn ongewone opgewondenheid tijdens heel deze omgang met Lou doet sterk denken aan exaltatie over Cosima Wagner vijf jaar later.
Men blijft niet lang te Rome – de preciese datum van vertrek kennen we niet – en de terugreis gaat ter wille van de zedigheid in twee groepjes: Lou met haar moeder en Nietzsche met Rée. Nog maar een paar keer ontmoet men elkaar, zoals bij Ortha waar Nietzsche en Lou een wandelingetje op de Monte Sacro maken, dat later aanleiding zal geven tot de meest fantastische verdachtmakingen.

De foto met het zweepje

Daarna reist Nietzsche door naar Basel, heeft er een gesprek met zijn meest vertrouwlijke vrienden het echtpaar Overbeck, en ziet tenslotte Lou en Rée nog eens door met ze af te spreken in de leeuwentuin te Luzern. Daar wordt dan de fameuze foto gemaakt.

Lou laat er geen twijfel over bestaan dat die foto volledig het initiatief is van Nietzsche, die zich persoonlijk en ijverig met alles, zelfs kleinigheden als de strikjes aan het zweepje, bezighield. Rée stribbelde heftig tegen en vond het afschuwelijk; Lou vond het kitsch. Daarna gaan de beiden en de eenzame uiteen. Lou gaat met een omweg naar Rée op zijn Pruisische landgoed, en ze gaan daarna samen naar de Bayreuther Festspiele – waar de Parsifal in première gaat en Nietzsche natuurlijk niet verschijnt -.

[De foto komt nog terug in de Fröhliche Wissenschaft (daar dubbelzinnig) en in Zarathustra, Das andere Tanzlied. Zeker in die laatste context heeft de vrouw in kwestie het voor het zeggen: zij is het Leven zelf, met wie Zarathustra een pas de deux danst op leven en dood.]

De breuk

Na Bayreuth ontmoeten ze elkaar voor een tiental dagen te Tautenburg, en wel onder toezicht van zus Elisabeth. Die had voordien de sfeer al vrij grondig door ruzietjes en kletspraatjes verpest, maar het wordt bijgelegd en er volgt een gelukkige, maar korte, tijd. Lou gaat terug naar Paul Rée – ze zullen vijf jaren bij elkaar blijven – en samen zien ze Nietzsche voor de laatste maal in oktober te Leipzig. De sfeer is dan door het gekonkel van Elisabeth al verregaand bedorven. Men gaat uiteen om elkaar nooit meer te zien. Het schijnt dat zelfs latere, sporadische brieven van Nietzsche aan Lou haar nooit bereikt hebben, omdat die door Rée onderschept werden. (en hij die voor haar verborg uit want Nietzsche bleef modder gooien, DW)
Nietzsche schaamde zich – later – volgens Lou zeer voor het gepasseerde en wel zo erg dat hij jaren later nog tegen hun gemeenschappelijke kennis Heinrich von Stein de mogelijkheid van reconciliatie uitsloot met de – door Lou onderstreepte woorden -: ‘Was ich getan, das kann man nicht verzeihen.’ Of het vergeven werd? Vergeten wellicht eerder, want Lou paste ‘de methode van Paul Rée’ op de hele affaire met Nietzsche toe: alles zo ver mogelijk van je af zetten en nergens meer op ingaan. En inderdaad, wat er ook van de zijde van de door zus Elisabeth op poten gezette officiële traditie, de sacrosancte interpretatie van de filosoof (werken plus leven) geleverd door het Nietzsche Archiv te Weimar mocht worden beweerd of gelogen: Lou zweeg. Pas in 1951 verschenen zoals gezegd haar memoires.

De wraak van Elisabeth N.

Wat gebeurde er in de tussentijd? De wraak van Elisabeth. En hoewel zo langzamerhand vrij algemeen bekend is hoezeer Nietzsches zus zijn beeld vervalst heeft, moet toch opgemerkt worden dat op vele punten – en zeker op het onze, de verhouding met Lou – dat valse beeld nog kaarsrecht overeind staat. Omdat Nietzsche krankzinnig was geworden, Lou en de Overbecks zwegen – niet van zins zich met de lage laster van Elisabeth te bevuilen – en Paul Rée in oktober 1901 stierf (hij verongelukte op een smal bergpad en het hoort tot de mythe met stelligheid te weten dat dit zelfmoord was). Omdat er geen weerwoord was kon Elisabeth rustig haar gang gaan. Zij schreef de officiële biografie van haar broer, waarin zij zichzelf voor congeniaal verklaarde en alle tegenstanders op smerige wijze te lijf ging.

Over Lou

… Over Lou Salomé (dl. II) schrijft Elisabeth, dat zij is ‘eine jener jungen Russinnen, die ins Ausland gehen, um sich berühmten Leuten zu nähern, von ihrem Ruhm zu profitieren und vielleicht auch allerhand kleine Abenteur zu haben.’ Een verachtelijke parasiet, een lage profiteur dus.

Over de 10 dagen in Tautenburg

Over hun 10-daags samen optrekken in Tautenburg: Hierover zijn gelukkig enkele aantekeningen van zowel van Lou, als van Nietzsche voor Lou bekend. De aantekeningen van Lou geven de indruk, die ook bevestigd wordt in haar boek (Rückblick), dat er vooral over het religieuze gesproken werd. De aantekeningen van Nietzsche uit die enkele dagen van Augustus ’82 zijn echt Nietzscheaans en staan ver af van de problematiek waar Lou mee worstelde. Al is het onderwerp soms hetzelfde, de gedachten komen uit verschillende werelden. Als voorbeeld twee opmerkingen uit een half afgescheurd papiertje (Nietzsche-Dokumente p. 211):

Menschen, die nach Grösse streben, sind gewöhnlich böse Menschen; es ist ihre einzige Art, sich zu ertragen.
Wer das Grosse nicht mehr in Gott findet, findet es überhaupt nicht vor und muss es entweder leugnen oder – schaffen (schaffen helfen).

Andere aantekeningen gaan over de schrijfstijl – blijkbaar geschreven naar het onderschrift: ‘Eine guten Morgen, meine liebe Lou!’ – en, uiteraard, ‘Vom Weibe’.

Lou is ook in haar Lebensrückblick erg enthousiast over die paar weken. Samen spraken ze wel tien uur per dag en het waren de meest opwindende gesprekken. En dat tijdens lange wandelingen; soms met zus Elisabeth erbij – Nietzsche wandelend tussen deze twee vrouwen! – maar meestal met zijn tweetjes. ‘Wir haben stets die Gemsenstiegen gewählt, und wenn uns Jemand zugehört hätte, er würde geglaubt haben, zwei Teufel unterhielten sich.’

Over de breuk / ruzie

En tenslotte de ruzie waarmee de ‘Tautenburgse Idylle’ was begonnen? Inderdaad, die had plaatsgehad. Ze begon zelfs al eerder, namelijk in de treincoupé op de heenreis, waar Elisabeth en Lou elkaar troffen en binnen de kortste keren – hoe kan dat ook anders – hoogoplopende ruzie kregen. Op het perron van Tautenburg moest Nietzsche de beide dames sussen en verzoenen.

In het boek Friedrich NietzschePaul RéeLou von Salomé: Die Dokumente ihrer Begegnung (1971) lezen we (p. 230), een brief die Nietzsche ongeveer 15 september 1882 aan Paul Rée schreef. Daarin schrijft hij

‘Meine Schwester hat inzwischen die Feindseligkeit ihrer Natur, die sie gewöhnlich gegen ihre Mutter auslässt, mit aller Kraft gegen mich gekehrt und sich förmlich von mir gelöst, in einem Briefe an meine Mutter, aus Abscheu vor meiner Philosophie, und “weil ich das Böse liebe, sie aber das Gute” und dergleichen Tollheit. Mich selber hat sie mit Spott und Hohn überschüttet.’

En als slot van die brief:

Morgen schreibte ich an unsere liebe Lou, meine Schwester’.

Van het onderstreepte meine loopt een lijntje naar de verklaring ervan:

‘nachdem ich die natürliche Schwester verloren habe, muss mir schon eine übernatürliche Schwester geschenkt werden.’

Dit is geen barst in het beeld dat Elisabeth schetst…
maar een volledige omkering ervan.

Hoezeer Elisabeth verontrust was kunnen we nog eens heet van de naald lezen in een pas in 1971 gepubliceerde brief van haar aan Clara Gelzer. De brief is nog in Tautenburg begonnen op 24 september en werd beëindigd op 2 oktober, toen ze terug was bij haar moeder in Naumburg. Het is een lang en opgewonden schrijven. De latere mildheid is er nog niet in te bespeuren. Reeds de aanhef plonst ons midden in de kwestie.

Meine geliebte Clara
Lies die Bücher meines Bruders nicht, sie sind für uns zu schrecklich, unsere Herzen wollen höher hinaus…

(etc.) En dan:

denn ach, meine liebe liebe Clara, sage es Niemand ich habe hier eine entsetzliche Zeit erlebt, ich musste es erkennen Fritz ist anders geworden er ist so wie seine Bücher.

‘s Avonds als Nietzsche reeds in zijn eigen huis naar bed was gegaan terwijl Elisabeth en Lou elders in het dorp sliepen ‘brach sie (Elisabeth) nun noch einmal in einem Sturm über Fritz los und würde geradezu haarsträubend unanständig’. Vooral toen ze opmerkte totaal niet verliefd op Nietzsche te zijn en rustig met hem op een kamer kon slapen zonder zelfs een opwindende gedachte.

Lou over Nietzsche (1894)

Tenslotte: Friedrich Nietzsche in seinem Werken wordt door Lou Salomé uitgegeven in 1894. Elisabeth kan er niet anders inzien dan (p. 177) ‘ein Racheakt verletzter weiblicher Eitelkeit gegen den armen Kranken, der sich nicht wehren konnte.’ Maar het boek is van het hoogste belang en nog steeds een belangrijk boek over Nietzsche. Niet in het minst belangrijk omdat het een boek over Nietzsche is van iemand die hem persoonlijk gekend heeft. Meer nog. Het boek is wel pas in 1894 uitgegeven, maar al veel eerder bestonden er voorstudies van. Sommige daarvan zijn zelfs nog met Nietzsche zelf doorgesproken en door hem verbeterd. Het hele boek gaat uit van drie perioden in Nietzsches denken, waarvan op bladzijde 4 al uitdrukkelijk opgemerkt wordt dat deze indeling van Nietzsche zelf stamt.

Lou von Salomé begrijpt Nietzsche helemaal als religieus denker. Dat is in overeenstemming zowel met wat ons rest van hun gesprekken destijds als met wat Lou in haar Lebensrückblick (p. 84) nog zegt over ‘die tiefe Bewegung des Gottsuchers Nietzsche, der von Religion herkam und auf Religionsprophetie zuging.’ Zo begrijpt ze hem ook in haar boek over hem. Daar lees ik bijvoorbeeld, en grotendeels door haar gespatieerd, op bladzijde 38 – en zie ook p. 213 – het oordeel: ‘Die Möglichkeit, einen Ersatz für den verlorenen Gott in den verschiedensten Formen der Selbstvergottung zu finden, das ist die Geschichte, seiner Werke, seiner Erkrankung.’

Hoewel ze er in brieven uit de tijd van het verblijf in Tautenburg duidelijk voor uitkomt dat Nietzsche en zij elkaar toch nooit geheel zullen begrijpen – ‘weltenfern vor einander’ – is ze een van de zeer weinigen geweest die begreep dat de leer van de eeuwige wederkeer het kernpunt van Nietzsches filosofie was. En van haar valt nog steeds te leren – want weerklank heeft dat nog niet zoveel gehad – dat deze leer niet allereerst een theoretische gedachte is geweest, maar een persoonlijke ervaring.

Unvergesslich sind mir die Stunden, in denen er ihn mir zuerst, als ein Geheimnis, als Etwas, vor dessen Bewahrheitung… ihm unsagbar graue, anvertraut hat: nur mit leiser Stimme und mit allen Zeichen des tiefsten Entsetzens sprach er davon. Und er litt in der Tat so tief am Leben, dass die Gewissheit der ewigen Lebenswiederkehr für ihn etwas Grauenvolles haben musste. Die Quintessenz der Wiederkunftslehre, die strahlende Lebens-apotheose, welche Nietzsche nachmals aufstellte, bildet einen so tiefen Gegensatz zu seiner eigenen qualvollen Lebensempfindung, dass sie uns anmutet wie eine unheimliche Maske.
(p. 222)

Het is een voortreffelijk boek dat naar mijn smaak veel te weinig geraadpleegd wordt en dat helaas zelfs nooit aan een tweede druk toegekomen is. Het kon niet op tegen de officiële door het Nietzsche-Archiv gepropageerde Nietzsche-interpretatie. En die zag dus weinig in het boek van Lou von Salomé. Heel merkwaardig – merkwaardig omdat het tegendeel zo zeer op haarzelf van betrekking is en hier de zaken zozeer op hun kop worden gezet – is het oordeel van Elisabeth (p. 199): ‘was hat sie alles in diesem Buche erfunden! Gespräche, die nie stattgefunden. Mitteilungen aus Briefen, die nie existiert haben, und Tatsachen, die nie geschehen sind!’ Je moet maar lef hebben!

Nietzsche over Lou

Tenslotte moeten we het woord geven aan Nietzsche zelf. Eerst over Lou. Er bestaan aantekeningen van Nietzsche over haar die waarschijnlijk stammen uit de tijd vlak na Tautenburg en waarvan Elisabeth in haar biografie alleen dreigend zegt dat ze bestaan maar dat ze dermate negatief over Lou zijn dat het onfatsoenlijk zou zijn ze af te drukken. Ze zijn dan ook nooit ergens afgedrukt en pas voor het eerst te vinden in de Nietzsche-Documente pp. 262-263. Men leze ze wel niet met de ogen van de moralistische Elisabeth, maar met die van haar broer die juist de Genealogie der Moral en het Jenseits Gut und Böse had geschreven.

Nun hat Lou das Gerede in Umlauf gesetzt durch Frau Gelzer und meine Schwester
gerade Lou!
Das ist eine Grausamkeit des Schicksals Mitleid Hölle Ertragen von Schmerz; – Selbstüberwindung
ungeheuer
‘ein Gehirn mit einem Antlitz von Seele’
Charakter der Katze – des Raubthiers, das sich als Haustier stellt
das Edle als Reminiszens an dem Umgang mit edlen M(enschen) ein starker Wille, aber ohne grosses Objekt
ohne Fleiss u Reinlichkeit ohne bürgerliche Rechtschaffenheid grausam versetzte Sinnlichkeit
rückständige Kinder – in Folge einer geschlechtlichen Verkümmerung und Verspätung
Der Begeisterung fähig ohne Liebe zu M(enschen), doch Liebe zu Gott
Bedürfnis der Expansion
schlau und voll Selbstbeherrschung in Bezug auf die Sinnlichkeit der Männer
ohne Gemüth und unfähig der Liebe
im Affekt immer krankhaft und dem Irrsinn nahe
ohne Dankbarkeit, ohne Scham gegen den Wohlthäter
untreu und jede Person im Verkehr met jeder andern preisgebend
unfähig der Höflichkeit dez Herzens
abgeneigt gegen die Reinheit und Reinlichkeit der Seele ohne Scham im Denken immer entblösst gegen sich selber gewaltsam im Einzelnen
unzuverlässig
nicht ‘brav’
grob in Ehrendingen’

Wat Nietzsches eigen gevolgtrekking uit deze karaktereigenschappen is wil ik belichten vanuit een brief van dezelfde tijd aan Ida Overbeck (Dokumente p. 338) waar hij schrijft (over Lou):

Mir fehlt sie, selbst noch mit ihren schlechten Eigenschaften: wir waren verschieden genug, dass aus unsern Gesprächen immer etwas nützliches herauskommen musste, ich habe Niemanden so vorurtheilsfrei, so gescheut und so vorbereitet für meine Art von Problemen gefunden.

Nietzsche over zus Elisabeth

En dan Nietzsche over zijn zuster. Daar bestaan een aantal documenten over die tijdens haar leven – ze stierf in 1935 – nooit bekend zijn geworden. Aantekeningen als die te Nizza voorjaar 1884 geschreven

‘Ich bin Deine unbescheidene Moralschwätzerei gründlich müde’ …
‘Ich habe noch niemand gehasst, Dich ausgenommen!’

zijn ook niet zo passend in het beeld van congenialiteit tussen broer en zus. Een van de onthullendste documenten acht ik het ontwerp voor een brief die nooit verzonden werd – of misschien ook wel, maar dan later toch weer ‘kwijtgeraakt’ – van Nietzsche aan zijn moeder. Ze stamt uit Nizza, februari 1884.

‘Het domste is, dat een onbegrensd absurde liefde van mijn zus mij noodzaakt mijn al te vergoelijkende houding t.o.v. haar op te geven… Ik mag wel zeggen dat mijn zus een ongeluksbode is; het is haar nu al zes keer in twee jaar tijd gelukt mij midden in mijn hoogste en zaligste gevoelens – gevoelens zoals ze op de wereld zo zelden aanwezig zijn – een brief op mijn dak te sturen die al te zeer de laag-bij-de-grondse smaak van het al-te-menselijke met zichdroeg… Ook in Rome en in Naumburg was ik er verbaasd over hoe zelden ze iets zegt dat mij niet in het verkeerde keelgat schiet… Na elke brief van haar ben ik verstomd geweest over de vunzige, achterbakse manier waarop ze over juffrouw Salomé praat… Op een brief zoals die laatste van mijn zus is het enigst juiste antwoord eigenlijk enkel een paar fikse oorvijgen. Ik heb me al jaren tegen Liesbeth verweert als een wanhopig dier, maar ze scheidt maar niet uit me te treiteren en vervolgen.
Lieden zoals mijn zus er een is moeten onverzoenlijke vijanden zijn van mijn manier van denken en van mijn filosofie. Dat ligt nu eenmaal zo in de aard der zaken besloten.
Ik ben nu al enkele jaren als een dodelijk getroffen beest op de vlucht voor mijn zus; ik heb haar gesmeekt me met rust te laten, maar geen moment heeft ze haar prooi losgelaten. Ik was bang de vorige herfst naar Naumburg te komen omdat ik me dan aan haar vergrepen had; ben daarom raad wezen vragen bij Overbeck. En nu stelt zij zich aan alsof ze helemaal nergens schuld aan heeft.
Je mag tegen dat meisje (Lou dus) bezwaren aanvoeren, welke je wilt – maar wel andere dan die van mijn zuster – maar ondanks dat blijft ze wel het meest begaafde en tot nadenken gezinde wezen dat ik ooit ontmoet heb. En hoewel we in onze meningen geenszins overeenstemden – net zo min als dat met Rée het geval was – waren we toch elk half uurtje dat we samen waren gelukkig over het vele dat we van elkaar konden opsteken. En het is niet zo maar dat ik in de laatste twaalf maanden de hoogste prestatie geleverd heb. Gewaarschuwd waren we allebei voldoende voor elkaar, en hoewel we niet op elkaar verliefd waren was het toch ook niet nodig deze band die voor ons en voor anderen zo nuttig was, op te geven.

Literatuur

Lou Andreas-Salomé: Lebensrücklich, Frankfurt aM 1977 (3) (thans ook vertaald in de serie Privé-Domein)
Lou Andreas-Salomé: Friedrich Nietzsche in seinen Werken, Wien 1984
Carl Albrecht Bernoulli: Franz Overbeck und Friedrich NietzscheEine Freundschaft, 2 Bd., Jena 1908
Rudolph Binion: Frau LouNietzsches wayward disciple, Princetown, 1968
Ivo Frenzel: Nietzsche, Hamburg 1973 (8)
C.P. Janz: Nietzsche, Band II, Frankfurt aM 1978
Elisabeth Förster-Nietzsche: Der einsame Nietzsche, Leipzig 1914 (2)
Friedrich Nietzsche Paul Rée Lou von Salomé.
Die Dokumente ihrer Begegnung
, Frankfurt aM 1971
H.F. Peters: Lou Saloméhaar leven en haar vriendschap met Nietzsche Rilke Freud, Rotterdam 1968
(vert. v. My SysterMy Spose, New York 1962)
Erich F. Podach: Ein Blick in Notizbücher Nietzsches, Heidelberg 1963
Erich F. Podach: Friedrich Nietzsche und Lou Salomé. Ihre Begegnung 1882, Zürich u. Leipzig 1937
Karl Schlechta: Nietzsche Chronik, Munchen Wien 1975

der ‘tolle’ Mensch – zot? dwaas? uitzinnig?

Wat betekent ‘toll’ in de tolle Mensch (Fröhliche Wissentchaft, nr. 125) en hoe vertaal je dat dan in het Nederlands?

overweging n.a.v. van het vertaalproject ‘De vrolijke wetenschap’ (verblijdend inzicht). Daar ook de tekst (Duits-Nederlands).

De vertaling ‘dolle mens’ (Pé Hawinkels, 1976/Hans Driessen, 1999) voldoet niet. De substitutie ervan door ‘de krankzinnige man’ (Hans Driessen, 2018) is gewoon fout: krankzinnig in het Duits is irre, verrückt. Wie een historisch woordenboek Duits (bijv. Grimm) opslaat, ziet al snel dat het bij ‘toll‘, ‘Tollheit‘ vooral gaat over emotionele buitensporigheid, uitzinnigheid. In het Nederlands kennen we dat enkel nog in de combi: hondsdolheid , en in de kunstgeschiedenis bij Brueghel’s Dulle Griet. Verder: oppassen met het hedendaags Duits, want Nietzsche is een 19de eeuwer (en dan in z’n taalgevoel ook nog al klassiek). ‘Das ist toll‘ is tegenwoordig een positieve uitspraak! (Wauw!), maar in de late 19de eeuw nog niet echt (zie onder). Een Vlaming zou het kunnen wagen met ‘een zot, die met een zaklamp zoekt naar God’. Je kunt ook denken aan de ‘idioot’, zoals die vereeuwigd is door Dostojewski. En natuurlijk Diogenes. Nietzsche-kenner prof. em. Paul van Tongeren zou het liefst vertalen met ‘Dwaas’, maar dan mis je naar mijn aanvoelen de ‘uitzinnige’ kant, het woedende. Enfin: Serieus nu, of beter: vrolijk.

Zarathoestra en Diogenes als voorvaders

– In een voorstadium van deze parabel (want dat is het literaire genre) heeft Nietzsche het niet over ‘der tolle Mensch’, maar over ‘Z’. = Zarathoestra.
– Wie op klaarlichte dag met een lamp op zoek gaat naar God, heeft de kunst afgekeken van Diogenes (uweetwel, die wijsgeer in de ton, de ‘kynicus’), van wie vertelt wordt dat hij dat ook deed, d.w.z. op zoek gaan, maar niet naar God, maar naar ‘een mens’. Veelzeggende context.
Beide elementen moeten m.i. meegewogen worden bij de vertaling van ‘der tolle Mensch’. Dat impliceert dat er zeker een positief betekenis aspect hoorbaar moet blijven: Zarathoestra en Diogenes zijn voor de auteur twee voorbeeldige figuren, leermeesters.

Woordenboekbetekenis ‘toll’

Als je Grimm (1854) raadpeegt, dan zie je dat het een redelijk courant woord was, en wel in de – inmiddels verouderde – betekenis, waarbij het emotionele uitbarstende kenmerkend is. Het wordt gebruikt voor onstuimig, mateloos, overdadig gedrag, niet noodzakelijk dom, maar onbeheerst.

Voorbeelden van de connotatie (19e eeuw):

  • in Tollheit verfallen = uitzinnig gedrag vertonen. Dit kan negatief zijn (waanzin), maar ook romantisch-subliem (uitbarsting van gevoel, Sturm-und-Drang).

Conclusie: een uitzinnige, een zot

De ‘tolle Mensch’. Hoe vertalen?
1. De klassieke klankvertaling ‘de dolle mens‘ (Hawinkels, Driessen) is enkel verdedigbaar omdat klank voor Nietzsche betekenisvol is, en ‘dolheid’ en ‘gekte’, ‘razernij’ in het Nederlands nog herkend zou kunnen worden: Hondsdolheid. Maar dit bevredigt niet.
2. Een ‘gek’? In het Engels is het vaak een ‘mad man‘, maar ‘mad’ in het Engels is toch net iets anders dan ‘gek’ in het Nederlands. There is method in his madness. Ik ken geen vertaling in het Nederlands die hiervoor kiest.
3. De meest recente vertaling (Driessen 2018) vervangt ‘de dolle mens’ door ‘een krankzinnig man‘. Dat is zoals al gezegd m.i. geen gelukkige oplossing. Het kan verdedigd worden als je dit woord ook hoort in Nietzsche’s tijd (historische context) : de late 19de eeuw. Psychiatrie bestaat nog niet. Laat staan een diagnostisch handboek DSM xx. En ‘raar, vreemd gedrag’ werd toen zonder meer als ‘krank’ van ‘zinnen’ (zenuwziek) gedefinieerd.
4. Mijns inziens (of beter: mijns aanvoelens) is de vertaling ‘een uitzinnige‘ of ‘een zot‘ verdedigbaar. De emotionele component (woede) moet mee kunnen klinken. Ook het in de parabel beschreven gedrag roept daarom (hij roept , hij spring in hun midden, hij kijkt hen met een doorborende ogen aan, hij gedraagt zich aberrant).

Wie is hier eigenlijk aan het woord ?

Ook de vraag in welk opzicht of vanuit welk perspectief wordt deze mens ‘een zot’ genoemd: vanuit zijn eigen perspectief? Vanuit dat van de “atheïsten” (ja, wat zijn dat nu weer?) die zich op de markt hebben verzameld? Of vanuit de verteller? Of de auteur? (En is dat dezelfde?).


Nietzsche – Bülow (brieven 1872)

Nietzsche stuurt na het horen van de Tristan (Wagner) o.l.v. Hans von Bülow aan de dirigent samen met zijn dankwoord een kopie van zijn Manfred-Meditation, met de vraag om een eerlijk oordeel. Nou, dat komt, en is ronduit negatief. Von Bülow hoopt dat het een ‘parodie op de toekomstmuziek’ is, maar vreest dat het gewoon ‘slechte anti-muziek’ is. Het duurt wel even voor Nietzsche het verwerkt heeft (3 maanden om precies te zijn), maar dan schrijft hij Von Bülow een brief terug… om hem te bedanken. Hieronder de correspondentie in z’n geheel. Hier alvast een belangrijk fragment uit deze (tweede) brief van Nietzsche, in vertaling:

“Wees ervan overtuigd dat ik het nooit gewaagd zou hebben — zelfs niet voor de grap — u te vragen mijn “muziek” eens te bekijken, als ik ook maar het flauwste vermoeden zou hebben gehad van haar volstrekte waardeloosheid ! Helaas heeft tot dusver niemand mij wakker geschud uit mijn onschuldige waan, namelijk dat ik mij inbeeldde dat ik muziek kon maken (d.w.z. componeren), amateuristische en groteske, zeker, maar die voor mijzelf hoogst “natuurlijk” aanvoelde… U hebt mij zeer geholpen — het is een bekentenis, die ik nog steeds niet zonder enige pijn doe. 1

Ik zal mij, schrijft Nietzsche in een kladversie van deze brief (kort voor 29 oktober 1872) – bij wijze van ‘muzikale gezondheidskuur’ – wijden aan het studeren van de Beethoven-sonates, die u hebt uitgegeven. Leerzaam.

In een brief aan zijn vriend Erwin Rohde citeert hij Von Bülow’s brief en schrijft: “Der Brief Bülows ist für mich unschätzbar in seiner Ehrlichkeit, lies ihn, lache mich aus und glaube mir, daß ich vor mir selbst in einen solchen Schrecken geraten bin, um seitdem kein Klavier anrühren zu können.” Dat laatste is gelukkig ook weer overgegaan (zonder piano in de buurt kon hij niet leven), maar hij is wel – voor langere tijd – gestopt met het componeren.

nietzsche buigt voor Van Bülow
Friedrich Nietzsche wordt de muzikale les gespeld door Hans von Bülow (Nietzsche’s schaduwbeeld is AI, Bülow’s is een echte Böhler)

Nietzsche aan Von Bülow (nr. 240) – 20 juli 1872

An Hans von Bülow in München

Basel 20 Juli 1872.

Verehrter Herr,

wie gerne mochte ich Ihnen noch einmal aussprechen, mit welcher Bewunderung und Dankbarkeit ich Ihrer immer eingedenk bin. Sie haben mir den Zugang zu dem erhabensten Kunsteindruck meines Lebens erschlossen; und wenn ich auser Stande war Ihnen sofort nach den beiden Aufführungen zu danken, so rechnen Sie dies auf den Zustand ganzlicher Erschütterung, in dem der Mensch nicht spricht, nicht dankt, sondern sich verkriecht. Wir Alle sind aber mit dem tiefsten Gefühle persönlicher Verpflichtung von Ihnen und von Munchen geschieden; und auser Stande Ihnen dies deutlicher und beredter auszudrücken gerieth ich auf den Einfall, Ihnen durch Ubersendung einer Composition, in der freilich durftigen, aber nothwendigen Form einer Widmung intra parietes, meinen Wunsch zu verrathen, Ihnen recht dankbar mich erweisen zu konnen. Ein so guter Wunsch! Und eine so zweifelhafte Musik! Lachen Sie mich aus, ich verdiene es.

Nun höre ich, aus den Zeitungen, das Sie noch einmal, am 8 t. August, den Tristan aufführen werden. Wahrscheinlich bin ich wieder zugegen. Auch mein Freund Gersdorff will wieder zur rechten Zeit in Munchen sein. – Von Hr von Senger wurde ich in diesen Tagen durch einen Brief erfreut. Haben Sie R W<agner>’s Sendschreiben uber klassische Philologie gelesen? Meine Fachgenossen sind in einer angenehmen Erbitterung. Ein Berliner Pamphlet gegen meine Schrift – unter dem Titel ≫Zukunftsphilologie!≪ – befleisigt sich, mich zu vernichten, und eine wie ich hore, bald erscheinende Gegenschrift des Prof. Rohde in Kiel hat wiederum die Absicht, den Pamphletisten zu vernichten. Ich selbst bin mit der Conception einer neuen, leider wieder ≫zukunftsphilologischen≪ Schrift beschäftigt und wunsche jedem Pamphletisten eine ahnliche Beschaftigung. Mitten darin, mochte ich aber wieder die heilende Kraft des Tristan erfahren: dann kehre ich, erneuert und gereinigt, zu den Griechen zurück. Dadurch aber, das Sie uber dies Zaubermittel verfügen, sind Sie mein Arzt: und wenn Sie finden werden, das Ihr Patient entsetzliche Musik macht, so wissen Sie das pythagoreische Kunstgeheimnis, ihn durch ≫gute≪ Musik zu kuriren. Damit aber retten Sie ihn der Philologie: während er, ohne gute Musik, sich selbst uberlassen, mitunter musikalisch zu stöhnen beginnt, wie die Kater auf den Dächern.

Bleiben Sie, verehrter Herr, von meiner Neigung und Ergebenheit überzeugt!

Friedrich Nietzsche.

Von Bülow aan Nietzsche (nr. 347) – 24 juli 1872

Hans von Bülow an Nietzsche in Basel

München, 24 Juli 1872
Hochgeehrter Herr Professor,

Ihre gütige Mittheilung und Sendung hat mich in eine Verlegenheit gesetzt, deren Unbehaglichkeit ich selten in derartigen Fällen so lebhaft empfunden habe. Ich frage mich, soll ich schweigen, oder eine civilisirte Banalität zur Erwiderung geben – oder – frei mit der Sprache herausrücken? Zu letzterem gehört ein bis zur Verwegenheit gesteigerter Muth: um ihn zu fassen, muß ich vorausschicken, erstlich, daß ich hoffe, Sie seien von der Verehrung, die ich Ihnen als genialschöpferischem Vertreter der Wissenschaft zolle, festüberzeugt – ferner muß ich mich auf zwei Privilegien stützen, zu denen ich begreiflicher Weise höchst ungern recurrire; das eine, überdieß trauriger Natur: die zwei oder drei Lustren die ich mehr zähle als Sie, das andere: meine Profession als Musiker. Als letzterer bin ich gewohnt gleich Hansemann, bei dem »in Geldsachen die Gemüthlichkeit aufhört« den Grundsatz zu praktiziren: in materia musices hört die Höflichkeit auf.

Doch zur Sache: Ihre Manfred-Meditation ist das Extremste von phantastischer Extravaganz, das Unerquicklichste und Antimusikalischeste was mir seit lange von Aufzeichnungen auf Notenpapier zu Gesicht gekommen ist. Mehrmals mußte ich mich fragen: ist das Ganze ein Scherz, haben Sie vielleicht eine Parodie der sogenannten Zukunftsmusik beabsichtigt? Ist es mit Bewußtsein, daß Sie allen Regeln der Tonverbindung, von der höheren Syntax bis zur gewöhnlichen Rechtschreibung ununterbrochen Hohn sprechen? Abgesehen vom psychologischen Interesse – denn in Ihrem musikalischen Fieberprodukte ist ein ungewöhnlicher, bei aller Verirrung distinguirter Geist zu spüren – hat Ihre Meditation vom musikalischen Standpunkte aus nur den Werth eines Verbrechens in der moralischen Welt. Vom apollinischen Elemente habe ich keine Spur entdecken können und das dionysische anlangend habe ich, offen gestanden, mehr an den lendemain eines Bacchanals als an dieses selbst denken müssen. Haben Sie wirklich einen leidenschaftlichen Drang, sich in der Tonsprache zu äußern, so ist es unerläßlich, die ersten Elemente dieser Sprache sich anzueignen: eine in Erinnerungsschwelgerei an Wagnersche Klänge taumelnde Phantasie ist keine Produktionsbasis. Die unerhörtesten Wagnerschen Kühnheiten, abgesehen davon, daß sie im dramatischen durch das Wort gerechtfertigten Gewebe wurzeln (in rein instrumentalen Sätzen enthält er sich wohlweislich ähnlicher Ungeheuerlichkeiten) sind außerdem stets als sprachlich correkt zu erkennen – und zwar bis auf das kleinste Detail der Notation; wenn die Einsicht eines immerhin gebildeten Musikverständigen wie Herr Dr. Hanslick hierzu nicht hinreicht, so erhellt hieraus nur, daß man um Wagner als Musiker richtig zu würdigen, musicien et demi sein muß. Sollten Sie, hochverehrter Herr Professor, Ihre Aberration ins Componirgebiet, wirklich ernst gemeint haben, woran ich noch immer zweifeln muss – so componiren Sie doch wenigstens nur Vokalmusik – und lassen Sie das Wort in dem Nachen, der Sie auf dem wilden Tonmeere herumtreibt, das Steuer führen.

Nochmals – nichts für ungut – Sie haben übrigens selbst Ihre Musik als »entsetzlich« bezeichnet – sie ists in der That, entsetzlicher als Sie vermeinen, zwar nicht gemeinschädlich, aber schlimmer als das, schädlich für Sie selbst, der Sie sogar etwaigen Ueberfluß an Muße nicht schlechter todtschlagen können, als in ähnlicher Weise Euterpe zu nothzüchtigen.

Ich kann nicht widersprechen, wenn Sie mir sagen, daß ich die äusserste Grenzlinie der civilite puerile überschritten habe: »erblicken Sie in meiner rücksichtslosen Offenheit (Grobheit) ein Zeichen ebenso aufrichtiger Hochachtung« diese Banalität will ich nicht nachhinken lassen. Ich habe nur einfach meiner Empörung über dergleichen musikfeindliche Tonexperimente freien Lauf lassen müssen: vielleicht sollte ich einen Theil derselben gegen mich kehren, insofern ich den Tristan wieder zur Aufführung ermöglicht habe, und somit indirekt schuldig bin, einen so hohen und erleuchteten Geist, wie den Ihrigen, verehrter Herr Professor, in so bedauerliche Klavierkrämpfe gestürzt zu haben.

Nun vielleicht curirt Sie der »Lohengrin« am 30sten, der | übrigens leider nicht unter meiner Direktion sondern unter der des regelmäßig functionirenden Hofkapellmeisters Wüllner gegeben wird (einstudiert hatte ich ihn im Jahre 1867) – für Holländer und Tristan sind die Daten noch nicht bestimmt – man spricht vom 3 und 6 August – Andre sagen 5 und 10 August. Etwas Offizielles bin ich außer Stande Ihnen darüber mitzutheilen, da bis zum Sonntag von Sr. Excellenz ab bis zum letzten Sänger Alle die Ferienzeit auf dem Lande genießen.

Ich bin wiederum in derselben Verlegenheit wie, als ich die Feder in die Hand nahm. Seien Sie mir nicht zu böse, verehrter Herr und erinnern Sie Sich meiner gütigst nur als des durch Ihr prachtvolles Buch – dem hoffentlich ähnliche Werke bald nachfolgen werden – wahrhaft erbauten und belehrten und deßhalb Ihnen in vorzüglichster Hochachtung dankergebensten

H v Bülow

Nietzsche aan Von Bülow – (nr. 268, kladversie van 269)

An Hans von Bülow in München (Entwurf )

<Basel, waarschijnlijk op of kort voor 29 oktober 1872, de datum van de uitgegane brief>

Nun Gott sei Dank das ich das und gerade das von Ihnen hören muss. Ich weiss schon einen wie unbehaglichen Moment ich Ihnen gemacht habe dafür sage ich Ihnen, wie sehr Sie mir genutzt haben. Denken Sie das mir, in meiner musikal. Selbstzucht, allmählich jede Zucht abhanden gekommen ist, das ich nie von einem Musiker ein Urtheil uber meine Musik horte und das ich wahrhaft glücklich, auf eine so einfache Art uber das Wesen meiner allerletzten Compositionsperiode aufgekrt zu werden. Denn leider muss ich es gestehn – mache ich Musik eigner Fabrik von Kindheit an, besitze die Theorie durch Studium Albrechtberger‘s, habe Fugen en masse geschrieben und bin des reinen Stils – bis zu einem gewissen Grad der Reinheit fahig.  Dagegen überkam mich mitunter ein so barbarisch-excessives Gelust, eine Mischung von Trotz und Ironie das ich – ebenso wenig wie Sie scharf empfinden kann, was in der letzten Musik als Ernst als Karikatur als Hohn gemeint. Meinem nächsten Hausgenossen (o der Arme!) habe ich es als Pamphlet auf die Programmmusik zum Besten gegeben. Und die ursprüngliche Charakterbezeichnung der Stimmung war cannibalido. Dabei ist mir nun leider klar, das das Ganze sammt dieser Mischung von Pathos und Bosheit, einer wirklichen Stimmung absolut entsprach und das ich an der Niederschrift ein Vergnugen empfand, wie bei nichts Früherem. Es steht demnach recht traurig um meine Musik und noch mehr um meine Stimmungen. Wie bezeichnet man einen Zustand, in dem Lust Verachtung Übermuth Erhabenheit durch einander gerathen sind? – Hier und da verfalle ich in dies gefährliche mondsüchtige Gebiet. – Dabei bin ich – das glauben Sie mir – unendlich weit entfernt, von dieser halb psychiatrischen Musikerregung aus, Wagnersche Musik zu beurtheilen und zu verehren. Von meiner Musik weiss ich nur eins das ich damit Herr über eine Stimmung werde, die, ungestillt, vielleicht schädlicher ist. An jener verehre ich gerade diese höchste Nothwendigkeit – und wo ich sie als mangelhafter Musiker nicht begreife setze ich sie gläubig voraus. Was mir aber an der letzten Musik besonders vergnüglich war, das war gerade, bei dem tollsten Überschwang eine gewisse Karikatur jener Nothwendigkeit. Und gerade diese verzweifelte Contrapunktik muss mein Gefuhl in dem Grade verwirrt haben das ich absolut urtheilslos geworden war. Und in dieser Noth dachte ich mitunter selbst besser von dieser Musik – ein höchst bedauerlicher Zustand, aus dem Sie mich jetzt gerettet haben. Haben Sie Dank! Das ist also keine Musik? Da bin ich recht glücklich daran, da brauche ich mich gar nicht mehr mit dieser Art des otium cum odio, mit dieser recht odiosen Art meines Zeitvertreibs abzugeben. Mir liegt an der Wahrheit: Sie wissen es ist angenehmer sie zu hören als sie zu sagen. Da bin ich also doppelt wieder in Ihrer Schuld. – Aber ich bitte Sie nur um eins, machen Sie fur meine Sunde nicht den Tristan verantwortlich. Nach dem Anhören des Tristan hatte ich gewiss solche Musik nicht mehr concipirt – er heilt mich für lange Zeit von meiner Musik. Das ich ihn wieder hören konnte!

Dann will ich aber doch einen Versuch machen, eine musikal[ische] Gesundcur vorzunehmen: und viell[eicht] bleibe ich wenn ich in Ihrer Ausgabe Beethoven Sonaten studiere, unter ihrer geistigen Aufsicht und Leitung. Im Übrigen ist mir das Ganze eine höchst belehrende Erfahrung – die  E r z i e h u n g s frage, die mich auf anderen Gebieten beschäftigt, wird für mich einmal, im Bereich der Kunst, mit bes<onderer> Stärke aufgeworfen. Welchen grässlichen Verirrungen ist jetzt der Vereinzelte ausgesetzt!

Nietzsche aan Von Bülow (nr. 269) – 29 oktober 1872

An Hans von Bülow in München

Basel den 29 Okt. 1872
Verehrter Herr,

nicht wahr, ich habe mir Zeit gelassen, die Mahnungen Ihres Schreibens zu beherzigen und Ihnen für dieselben zu danken? Seien Sie überzeugt, daß ich nie gewagt haben würde, auch nur im Scherze, Sie um die Durchsicht meiner »Musik« zu ersuchen, wenn ich nur eine Ahnung von deren absolutem Unwerthe gehabt hätte! Leider hat mich bis jetzt Niemand aus meiner harmlosen Einbildung aufgerüttelt, aus der Einbildung, eine recht laienhaft groteske, aber für mich höchst »natürliche« Musik machen zu können – nun erkenne ich erst, wenn auch von Ferne, von Ihrem Briefe auf mein Notenpapier zurückblickend, welchen Gefahren der U n n a t u r ich mich durch dies Gewährenlassen ausgesetzt habe. Dabei glaube ich auch jetzt noch, daß Sie um einen Grad günstiger – um einen geringen Grad
natürlich – geurtheilt haben würden, wenn ich Ihnen jene Unmusik in meiner Art, schlecht doch ausdrucksvoll, vorgespielt hätte: mancherlei ist wahrscheinlich durch technisches Ungeschick so querbeinig auf’s Papier gekommen, daß jedes Anstands- und einlichkeitsgefühl eines wahren Musikers dadurch beleidigt sein muß.

Denken Sie, daß ich bis jetzt, seit meiner f r ü h s t e n Jugend, somit in der tollsten Illusion gelebt und s e h r v i e l Freude an meiner Musik gehabt habe! Sie sehen, wie es mit der »Erleuchtung meines Verstandes« steht, von dem Sie eine so gute Meinung zu haben scheinen. Ein Problem blieb es mir immer, woher diese Freude stamme? Sie hatte so etwas Irrationelles an sich, ich konnte in dieser Beziehung weder rechts noch links sehen, die Freude blieb. Gerade bei dieser Manfredmusik hatte ich eine so grimmig, ja höhnisch pathetische Empfindung, es war ein Vergnügen, wie bei einer teuflischen Ironie! Meine andre »Musik« ist, was Sie mir glauben müssen, menschlicher, sanfter und auch reinlicher. Selbst der Titel war ironisch – denn ich vermag mir bei dem Byronschen Manfred, den ich als Knabe fast als Lieblingsgedicht anstaunte, kaum mehr etwas Anderes zu denken, als daß es ein toll-formloses und monotones Unding sei. –

Nun aber schweige ich davon und weiß, daß ich, seit ich das Bessere, durch Sie weiß, thun werde was sich geziemt. Sie haben mir s e h r g e h o l f e n – es ist ein Geständniß, das ich immer noch mit einigem Schmerze mache. –

Macht Ihnen vielleicht die mitfolgende Schrift des Prof. Rohde einiges Vergnügen? Der Begriff des »Wagnerschen Philologen« ist doch neu – Sie sehen, es sind ihrer nun schon z w e i.

Gedenken Sie meiner, verehrtester Herr, freundlich und vergessen Sie, zu meinen Gunsten, die musikalische und menschliche Qual, die ich Ihnen durch meine unbesonnene Zusendung bereitet habe: während ich Ihren Brief und Ihre Rathschläge gewiß nie vergessen werde. Ich sage, wie die Kinder sagen, wenn sie etwas Dummes gemacht haben »ich will’s gewiß nicht wieder thun« und verharre in der Ihnen bekannten Neigung und Hochschätzung

als Ihr stets ergebener
Friedrich Nietzsche.


  1. Seien Sie überzeugt, daß ich nie gewagt haben würde, auch nur im Scherze, Sie um die Durchsicht meiner »Musik« zu ersuchen, wenn ich nur eine Ahnung von deren absolutem Unwerthe gehabt hätte! Leider hat mich bis jetzt Niemand aus meiner harmlosen Einbildung aufgerüttelt, aus der Einbildung, eine recht laienhaft groteske, aber für mich höchst »natürliche« Musik machen zu können… Sie haben mir sehr geholfen – es ist ein Geständniß, das ich immer noch mit einigem Schmerze mache.

Nietzsche’s muziek

Hij schreef muziek – zeker, maar een componist was hij niet…

Zonder muziek kon Nietzsche niet leven. En dat mag je letterlijk nemen. Met de piano kon hij gelukkig prima uit de voeten (handen), en dat al bijna van kindsbeen aan. Improviseren deed hij graag. Zo kon hij z’n sterk gevoelde emoties uiten en ‘een plaats geven’ door ze om te zetten in klank (hier citeer ik NIetzsche bijna letterlijk). En ja, hij schreef z’n invallen en ideeën soms ook op en werkte ze uit, maar een componist was hij niet, hoewel hij zelf lange tijd dacht van wel. Dat heeft hij tot z’n eigen teleurstelling, verdriet, moeten vaststellen, toen hij in de zomer van 1872 de vermetelheid had een compositie waar hij zelf tevreden over was (de Manfred-Meditation, naar een tekst van Byron) aan de grote en door hem bewonderde dirigent Hans von Bülow op te sturen. Het antwoord dat hij kreeg loog er niet om: Von Bülow hoopte dat wat hij ontvangen had een ‘parodie’ was op de veel besproken ‘muziek van de toekomst’ (Wagner, weet u wel, met wie Nietzsche toen nog dweepte). Ware het geen parodie, dan was het onverkwikkelijke anti-muziek… Een flard uit die brief:

Maar ter zake: uw Manfred-meditation is het meest extreme voorbeeld van fantastische extravagantie, het alleronaangenamste en antimuzikaalste dat ik sinds lange tijd op notatiepapier onder ogen heb gehad. Meerdere malen kon ik niet anders dan mezelf afvragen: is dit wel serieus bedoeld, zou het geen grap zijn: had u misschien het voornemen een parodie op de zogenaamde toekomstmuziek te maken?…1

Auwch. Drie maanden later (29 oktober 1872) – hij moest wel even bijkomen van de klap – schrijft Nietzsche een brief aan Von Bülow – om hem te bedanken voor het eerlijke antwoord: het heeft hem de ogen geopend, ookal doet deze waarheid hem nog steeds pijn. Hij is muzikaal, kan zonder muziek niet leven, maar is geen componist. Dat hij zich in 1887 toch weer aan het componeren waagt (en in Ecce homo zijn Hymnus an das Leben de hemel in prijst (met correctie van de slotnoot van de klarinet: de ‘c’ moet een ‘cis’ zijn, briljant), doet daaraan niets af, of beter: bevestigt dat juist.

In 1976 verscheen een kritische uitgave van Nietzsche’s muzikale oeuvre (ed. Curt Paul Janz, Nietzsche-biograaf en musicus). Egon Voss (Wagner-kenner) schreef een bespreking voor ‘Die Musikforschung’ (jg. 32/3) . Lovend over de uitgave, maar – net als Von Bülow – vernietigend over de muziek. Na een paar CD’s te hebben beluisterd, moet ik zeggen dat dit een ‘zutreffende’ evaluatie is, vandaar dat ik hieronder de alinea uit die boekbespreking overschrijf, met daaronder een vertaling in het Nederlands.

Egon Voss over Friedrich Nietzsche, Der Musikalische Nachlass.

[…] Man begegnet einem Komponisten, der sein Handwerk nicht gründlich beherrschte. Daß so viele Stücke Fragmente geblieben sind, hat wohl vor allem damit zu tun. Dabei komponierte Nietzsche durchaus nicht nur konventionell trivial, sondern mit Fantasie. Der Ausdruckswille war jedoch nicht in der Lage, sich die entsprechenden Ausdrucksmittel zu verschaffen. Was wie Kühnheit aussieht, ist doch nur Ungeschicklichkeit im Umgang mit der musikalischen Satztechnik; die unorthodoxe Handhabung traditioneller Regeln scheint weder bewußt noch konsequent angewendet. Es fehlt die Integration in einen eigenen Stil oder zumindest in den Stil einer Komposition. Wegen dieses Mangels an Integration reißt der musikalische Faden so häufig ab, entstehen Löcher in den Melodien. Auch die fertigen Kompositionen machen den Eindruck von Fragmenten. Nietzsche war jedoch nicht ahnungslos-naiv. Mit dem ironischen Titel Fragment an sich über einem nach wenigen Takten abbrechenden Klavierstück gab er seinem gesamten kompositorischen Schaffen das Motto.”


🇳🇱 Nederlandse vertaling

[…] Men ontmoet hier een componist die zijn ambacht niet grondig beheerste. Dat zoveel stukken fragmentarisch zijn gebleven, zal daar ook wel iets mee te maken hebben. Toch componeerde Nietzsche niet enkel conventioneel-triviaal, maar ook met verbeelding. Zijn drang tot expressie ontbeert echter de bijpassende expressie-middelen. Wat stoutmoedig lijkt, is in werkelijkheid slechts onbeholpenheid in de omgang met de regels van de muzikale toonkunst; de onorthodoxe behandeling van traditionele regels lijkt noch bewust noch consequent toegepast. Er vindt geen integratie in een eigen stijl plaats, zelfs niet binnen één compositie. Door dit gebrek aan integratie knapt de muzikale draad geregeld, en vallen er gaten in de melodieën. Zelfs de voltooide composities maken de indruk van fragmenten. Nietzsche was op dit punt echter geenszins onwetend-naïef: Met de ironische titel Fragment an sich boven een pianostuk dat na enkele maten afbreekt (en repetitief wordt, voorzag hij zijn gehele compositorische werk van een passend motto.

Das Fragment an sich

Hieronder het genoemde Fragment an sich (1871): De ‘enkele maten’ die Egon Voss noemt zijn er 22, waarna men ‘melancholisch opnieuw moet beginnen’ (con malinconia), eeuwige wederkeer avant la lettre.


🇬🇧 English translation

[…] One encounters a composer who did not thoroughly master his craft. The fact that so many pieces remained fragments is probably due above all to this. Yet Nietzsche did not compose merely in a conventional or trivial manner, but with imagination. His urge for expression, however, was unable to secure for itself the corresponding means of expression. What appears as audacity is in fact mere clumsiness in handling musical composition; the unorthodox treatment of traditional rules seems neither deliberate nor consistent. There is a lack of integration into a personal style, or at least into the style of a coherent composition. Because of this lack of integration, the musical thread repeatedly breaks off, creating gaps in the melodies. Even the completed compositions give the impression of being fragments. Nietzsche, however, was by no means ignorant or naïve. With the ironic title Fragment an sich above a piano piece that breaks off after only a few bars, he effectively gave his entire compositional oeuvre its motto.

13 oktober 2025, Dick Wursten


  1. in ‘t Duits: Ihre Manfred-Meditation ist das Extremste von phantastischer Extravaganz, das Unerquicklichste und Antimusikalischeste was mir seit lange von Aufzeichnungen auf Notenpapier zu Gesicht gekommen ist. Mehrmals mußte ich mich fragen: ist das Ganze ein Scherz, haben Sie vielleicht eine Parodie der sogenannten Zukunftsmusik beabsichtigt?. De hele brief leest u hier