Heerlijk verschenen is de dag

Tekst en melodie van dit paaslied zijn afkomstig uit: Nikolaus Herman: „Die Sontags Euangelia / und von den fürnemsten Festen uber das gantze Jar“ (Wittenberg, 1561). Dit werk was bedoeld voor christelijke gezinnen (en hun kinderen), om wat te zingen te hebben thuis, als de kerk gedaan was. Nikolaus Herman (1500–1561) werkte in stad Sankt Joachimstal als leraar aan de Latijnse school en was tevens cantor. Belangrijk voor het ontstaan van dit lied is de stichting van de meisjesschool. Aan hen (en hun Matron, Catharina Heldin) droeg Herman deze liederen op. De wisselwerking tussen kerk en school was cruciaal voor de verspreiding van de nieuwe leer, waarbij het lied als medium een centrale rol speelde. Religieuze inhoud werd ingebed in gedicht/lied, niet enkel om beter te kunnen memoriseren maar ook om zich het Evangelie te kunnen toeëigenen.

Wilt u het een beproeven? Hier een zetting van 40 jaar later (de officiële liedboeken hebben de versieringen eruit gehaald (de achtsten). Jammer, die geven het lied juist z’n feeststemming).

https://www.cpdl.org/wiki/index.php/Erschienen_ist_der_herrlich_Tag_(Gotthard_Erythr%C3%A4us)

Het hele lied (14 strofen): Bijbelse Paascatechese

„Erschienen ist der herrlich Tag“ is een lied voor paaszondag en telde oorspronkelijk veertien strofen. Moderne liedboeken laten allemaal de strofen weg die het paasgebeuren aan de hand van oudtestamentische motieven navertellen/uitleggen (het didactische luik). Van de 14 strofen vertellen er 4 (3-6) het Paasverhaal. De rest kadert, en duidt. De inkorting in onze gezangboeken kills this song. Dus hier het complete lied, al was het alleen maar als retro-actieve catechese (begrijpen hoe men toen de bijbel begreep. Vanaf couplet 7 een volledige opsomming van alle ‘voorafschaduwingen’ van Pasen in het Oude Testament: creatieve hermeneutisch lezing: typologie) — kort aangeduid onder de coupletten.

Duits (Origineel)Nederlands (niet zingbaar)
1) Erschienen ist der herrlich Tag,
dran sich niemand gnug freuen mag;
Christ, unser Herr, heut triumphiert,
all seine Feind gefangen führt.
Halleluja!
1) verschenen is de heerlijk dag,
waarover je je nooit teveel kunt verheugen;
Christus, de Heer, triomfeert nu,
Hij voert de vijand gevangen mee.
Halleluja!
Psalm 68,19, via Efeze 4:8
2) Die alte Schlang, die Sünd und Tod,
die Höll, all Jammer, Angst und Not
hat überwunden Jesus Christ,
der heut vom Tod erstanden ist.
Halleluja!
2) De oude slang, de zonde, dood,
de hel, alle angst en bange nood
heeft Jezus Christus overwonnen,
die nu uit de dood is opgestaan.
Halleluja!
Genesis 3:15 – de moederbelofte
3) Am Sabbat früh mit Spezerei
kamen zum Grab der Weiber drei,
dass sie salbten Marien Sohn,
der vom Tod war erstanden schon.
Halleluja!
3) Vroeg op de sabbat met specerij
kwamen drie vrouwen naderbij,
om te zalven Maria’s Zoon,
die reeds was opgestaan uit de dood.
Halleluja!
4) Wen sucht ihr da? Der Engel sprach,
Christ ist erstanden, der hie lag;
hie sehet ihr die Schweißtüchlein,
geht hin, sagts bald den Jüngern sein.
Halleluja!
4) “Wie zoekt gij hier?” sprak de engel,
“Hij is verrezen, die hier lag;
hier ziet gij de zweetdoeken,
ga, en zeg het meteen aan al z’n volgers .”
Halleluja!
5) Der Jünger Furcht und Herzeleid
wird heut verkerhrt in eitel Freud;
sobald sie nur den Herren sahn,
verschwand ihr Trauren, Furcht und Zagn.
Halleluja!
5) Hun angst en hun verdriet
wordt nu veranderd in enkel vreugd;
zodra zij de Heer zagen,
verdween hun vrees en al hun klagen.
Halleluja!
6) Der Herr hielt ein sehr freundlich G’spräch
mit zweien Jüngern auf dem Weg;
vor Freud das Herz in Leib ihn brannt,
im Brotbrechen ward er erkannt.
Halleluja!
6) De Heer sprak heel vriend’lijk
met twee van hen, onderweg;
In hen brandde het hart van vreugde
bij ‘t breken van het brood werd hij herkend.
Halleluja!
7) Unser Simson, der treue Held
Christus, den starken Löwen fällt,
der Höllen Pforten er hinträgt,
dem Teufel all Gewalt erlegt.
Halleluja!
7) Onze Simson, de sterke held,
Christus, die leeuwen nedervelt,
die de poorten van de hel wegdraagt,
die de duivel zijn macht ontneemt
Halleluja!
Richteren 16 (poorten van gaza) en 14 (leeuw)
8) Jonas im Walfisch war drei Tag,
so lang Christus im Grab auch lag,
denn länger ihn der Tod kein Stund
in seim Rachen behalten kunnt.
Halleluja!
8) Zoals Jona drie dagen in de walvis was,
zo lang lag Christus in het graf,
want geen uurtje langer kon de dood
Hem houden in zijn bek (muil).
Halleluja!
Jona (reeds in NT als voor-beeld genoemd)
9) Sein Raub der Tod musst geben her,
das Leben siegt und ward sein Herr,
zerstört ist nun all seine Macht,
Christ hat das Leben wiederbracht.
Halleluja!
9) De dood moest zijn buit afgeven,
Het leven overwint en is zijn heer,
verwoest is nu al zijn macht,
Christus heeft het leven weer gebracht.
Halleluja!
10) Heut gehen wir aus Ägyptenland,
wo Pharao in Dienst uns band,
wir essen heut im Brot und Wein.
das rechte Passalämmlein fein.
Halleluja!
10) Heden trekken wij uit Egypteland,
waar Farao ons tot slaaf maakte,
wij eten nu in brood en wijn,
het ware Paaslam.
Halleluja!
klassieker: Pesach/Pascha > Pasen (Exodus)
11) Auch essen wir die süßen Brot,
die Moses Gottes Volk gebot;
kein Sauerteig soll bei uns sein,
dass wir von Sünden leben rein.
Halleluja!
11) Wij eten ook de zoete broden,
die Mozes Gods volk gebood (te eten);
geen zuurdesem zal bij ons zijn,
opdat wij leven, van zonden rein.
Halleluja!
uitleg bij Paulus: 1 Kor 5:7-8
12) Der Würgengel vorüber geht,
kein Erstgeburt er bei uns schlägt;
unsre Türschwell hat Christi Blut
bestrichen, das hält uns in Hut.
Halleluja!
12) De wurgengel gaat aan ons voorbij,
geen eerstgeborene treft hij;
onze deurposten zijn met Christus’ bloed
bestreken, dat houdt ons in zijn hoede.
Halleluja!
Exodus 12:23 (laatste plaag)
13) Die Sonn, die Erd, all Kreatur
und was betrübet war zuvor,
das freut sich heut an diesem Tag,
da der Welt Fürst darnieder lag.
Halleluja!
13) De zon, de aard’, elk schepsel
en wat tevoren bedroefd was ,
verheugt zich op deze dag,
nu de “vorst der wereld” verslagen terneerligt.
Halleluja!
14) Drum wir auch billig fröhlich sein,
singen das Halleluja fein
und loben dich, Herr Jesu Christ,
zu Trost du uns erstanden bist.
Halleluja!
14) Daarom zetten wij ook blij van zin,
een passend hallelujah in,
Wij loven u, Christus, onze Heer,
om ons moed te geven zijt gij verrezen.
Halleluja!


Looft God gij christnen, maakt hem groot

Een kerstlied voor de kinderen in Joachimstal

Van dit prachtige kinderlied voor Kerst (en wie is er met Kerst geen kind?) hieronder alle acht coupletten. In hedendaagse zangbundels (kerk en privaat) vindt u maximaal 6 coupletten. Jammer, stelde ik vast, toen ik de ontbrekende opzocht. Vandaar de volledige tekst met vertaling hieronder. De verdwenen verzen zijn de coupletten 4 en 5. Tekst en melodie is van cantor-schoolmeester Nicolaus Herman (ca. 1550) uit St-Joachimstal (nu Jáchymov – Tsjechië). Dit Duitse ‘Weihnachtslied’ is tot in Frankrijk bekend en geliefd: noel allemand… (zoek daar maar eens naar samen met ‘Corrette’ …)

tekst

Duits (ca. 1550)
Nikolaus Herman

oudste tekstversie (incl. spelling)
Nederlandse vertaling

1. Lobt Gott, ir Christen, alle gleich,
In seinem höchsten thron,
Der heut schleust auff sein Himelreich,
Und schenckt uns seinen Son,
Und schenckt uns seinen Son.
Looft God, gij christnen, maakt hem groot
in zijn verheven troon,
die nu zijn rijk voor ons ontsloot,
en schenkt aan ons zijn zoon,
en schenkt aan ons zijn zoon.
2. Er kömpt aus seines Vaters schos
Und wird ein Kindlein klein,
Er leit dort elend, nackt und blos
In einem Krippelein,
In einem Krippelein.
Hij daalt uit ‘s Vaders schoot terneer
op aard’ om kind te zijn,
een kindje arm en naakt en teer,
al in een kribje klein,
al in een kribje klein.
3. Er eussert sich all seiner gewalt,
Wird nidrig und gering
und nimpt an sich eins knechts gestalt,
Der Schöpffer aller ding,
Der Schöpffer aller ding.
Verzakende zijn macht en recht
verkoos hij zich een stal,
neemt de gestalt’ aan van een knecht,
de schepper van ‘t al’,
de schepper van ‘t al’.
4. Er leit an seiner Mutter brust,
Ir milch, die ist sein speis,
An dem die Engel sehn irn lust,
Denn er ist Davids reis,
Denn er ist Davids reis,
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,
de engelen zien hem en zijn blij,
want David’s loot is hij,

want David’s loot is hij,
5. Das aus sein stamm entspriessen solt
In dieser letzten zeit,
Durch welchen Gott auffrichten wolt
Sein Reich, die Christenheit,
Sein Reich, die Christenheit.
die uit zijn stam ontspruiten zou
in deze laatste tijd,
zodat op aarde bloeien zal
Gods heerlijk koninkrijk
,
Gods heerlijk koninkrijk.
6. Er wechselt mit uns wunderlich,
Fleisch und Blut nimpt er an
und gibt uns inn seins Vatern reich
die klare Gottheit dran,
die klare Gottheit dran.
Hij ruilt met ons zo wonderbaar,
neemt aan ons vlees en bloed.
Nu straalt ons uit het hemelrijk
Gods glorie tegemoet,
Gods glorie tegemoet.
7. Er wird ein Knecht und ich ein Herr,
das mag ein Wechsel sein,
Wie könnd er doch sein freundlicher,
Das herze Jhesulein,
Das herze Jhesulein.
Hij wordt een knecht en ik een heer,
wat win ik veel daarbij!
Waar vind men zoveel gulheid weer,
als Jezus heeft voor mij,
als Jezus heeft voor mij.
8. Heut schleust er wider auff die thür,
zum schönen Paradeis,
der Cherub steht nicht mehr darfür.
Gott sey lob, ehr und preis,
Gott sey lob, ehr und preis.
En nu ontsluit Hij weer de poort
naar ‘t schone paradijs.
De cherub staat er niet meer voor.
God zij lof, eer en prijs!
God zij lof, eer en prijs!

mengeling van
1 2 3 : J.J. Thomson, 1938
7 8: C.B. Burger, 1973
4 5 6 : Dick Wursten, 2025

4de en 5de couplet

In ‘verlichte’ tijden vond men het vierde couplet nogal primitief — of aanstootgevend:
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,

Pudeur. ‘t Zal wel in de 19de eeuw geweest zijn. Toen moest alles wat met geloven te maken hebben geestelijk en verheven zijn. Tsja, het leven is dat ook niet. De kracht van het lied ligt juist in de geslaagde aansluiting (sentiment en strekking) bij het Kerstfeest met z’n heel basale concrete emotionaliteit (‘t kindeke in de kribbe, Maria, de stal, ocharme), terwijl het tegelijk de betekenis hiervan verwoordt zonder te gaan preken. God werd ècht mens, en het is precies dàt wat ons redt. Alleen zo komen mens en God samen. Geen theorie, geen theologie, maar gezongen exegese. Er zijn maar weinig (kerst)liederen die daarin slagen (Komt verwondert u hier mensen…misschien?). Onder de afbeelding van de eerste druk, nog wat toelichting. Vervolgens iets over de dichter (Nicolaus Herman) en de plaats van ontstaan (de dorpsschool van het mijnstadje Joachimstal).

titelpagina van de eerste versie van dit lied (ongedateerd, 1550-1554), het eerste van 3 kerstliederen ‘voor de kinderen in Joachimstal’

Toelichting op de tekst

Hoe eenvoudig dit lied ook is, toch is het een en al Heilige Schrift wat u hoort (met een Luther’s accent, m.n. in 6 en 7: ‘De vrolijke ruil’). De ‘incarnatie’, daar gaat het om, maar dan niet abstract-theoretisch, speculatief, maar concreet: God wordt mens, en niet een beetje, halfslachtig, neen: ècht, waarachtig mens. En daar mag je God wel voor danken, want alleen zo komen die twee bij elkaar : Looft God, gij christenen…
– In couplet 1 wordt de toon gezet: Door de komst van Jezus (de zoon) gaat de poort van het hemelrijk open. NB: ‘schleusst auf’ het hemelrijk, in het laatste couplet opnieuw ‘schleusst auf’ maar dan de poort van het paradijs.
– In de coupletten 2-4 wordt dit plastisch beschreven en geduid (zonder schoolmeesterachtig te worden, knap!) door de armoe en naaktheid te koppelen aan Filippenzen 2:5-11 (Christus, die zijn goddelijke macht aflegt en mens wordt, inclusief de kwetsbaarheid, de pijn.)

– In couplet 3 wordt deze tekst bijna letterlijk geciteerd (d.w.z. voor schriftgetrouwe lezers geëvoceerd, opgeroepen), in werkwoord en beeld: Entäussern, Gestalt, Knechtes, niedrig. Christus legt zijn god-zijn af, ziet af van zijn privileges: ontlediging (‘kenosis’ in het Grieks) en wordt een mensenkind, hij neemt de knechtsgestalte aan, wordt mens. Uniek christelijk gedachtengoed, zich zó “god” denken.
– In couplet 4 komt Maria in beeld, en de profetie uit Jesaja: de afgehouwen tronk van Jesse (Isaï, David’s vader) moet weer gaan bloeien. Een kerstklassieker (uweetwel met de ‘Reis‘ en de ‘Roos‘ die ontsprongen is uit Jesse’s stam). NB: dat kerstlied waaraan u nu denkt, bestond toen nog niet, maar de symbolische uitleg al wel (virga Jesse floruit – Maria bloeit open in een zoon).
– in couplet 5 wordt dit ontvouwd (expliciet), waarna
– in couplet 6 de ‘wonderlijke of vrolijke ruil’ van Luther het overneemt. Hij wordt mens, opdat ik vergoddelijkt wordt, zo zegt Luther het niet helemaal, maar wel zoiets. Herman gaat hierin wel ver: wij krijgen de ‘”klare Gottheit” in de plaats. Het lied zit goed in elkaar. Want dit is inhoudelijk (Filippenzen 2) en aanschouwelijk voorbereid (couplet 2-4).
– In couplet 7 kan de conclusie getrokken worden: Innig en liefdevol zijn zo mens en God (via Jezus, vriend) met elkaar verbonden. Onderschat de emotieve kracht van het volkse Kerstfeest niet.
– In couplet 8 kan de jubel dan losbarsten : Paradise regained: Het lied is ook rond. De poort van de hemel is open, en dus ook die van het Paradijs. De engel die na Eva/Adam’s val de mensenkinderen verhindert daarbinnen te geraken… is weg.

Vierstemmige zetting van J.H. Schein (youtube)

Hier een mooie uitvoering van dit lied, met de toonzetting van J.H. Schein inclusief het vierde couplet (dat uit de gezangboeken is verdwenen). Ze zingen 1, 2, 4, 8. Anderhalve minuut meer en het hele lied had erop gestaan.

Achtergrond: Niclas Herman in (Sankt-)Joachimstal.

Nog iets over de dichter-componist : Nicolaus (of Niclas) Herman (1500-1561). We weten weinig private dingen over deze man, behalve dat hij in de buurt van Nürnberg geboren is, en dat hij op 18 jarige leeftijd in St-Joachimstal is, en wel als leraar aan de Latijnse school. Op zich niet zo bijzonder, ware het niet dat hij dat z’n hele leven zou blijven èn Joachimstal toen nog maar 2 jaar bestond. in 1516 was een rijke zilverader ontdekt (of beter: een bijna verlaten mijn opnieuw in gebruik genomen, met plots succes) en de ontginning was aangevat door graaf Stephan Schlick. Het daarrond ontstane mijnwerkersdorp (als snel industriestadje, met keizerlijke vrijheidsrechten) werd toegewijd aan St. Joachim. Het was het Klondike van de 16de eeuw.

Nu Jáchymov, op de grens van tsjechië en Duitsland. Landstreek: Bohemen.

De adellijke familie von Schlick (voluit: zu Bassano und Weißkirchen) was de eigenaar van de grond en 10 jaar later een van de rijkste families in Bohemen, tot Ferdinand (koning van Bohemen, later keizer…) zich ermee begon te moeien. Graaf Stephan Schlick was in dezen het meest actief. Zijn wapenschild staat ook vaak op de zilveren munten die uit het erts geslagen werd: de munt uit Joachimsthal, de Joachimsthaler. Hieronder een afbeelding van de tweede reeks Joachimthalers. Het is een Guldengroschen “Joachimsthaler” uit 1525.

centraal: S I – Sant Joachim. Daaronder diverse wapens. / keerzijde de leeuw van Bassano
in de rand (de afkortingen voluit – begin te lezen bovenaan rechts):
links: Arma Dominorum Slickorum Stefani Et Fratrum Comitum De Bassano
rechts: Ludovicus Primus Dei Gratia Rex Bohemiae.
bron: https://nl.numista.com/86643

Hij vertrouwde de ontginning van de mijn toe aan een ‘mijn-hoofdman’ (BergHauptmann; in het Duits is Bergwerk=Mijnbouw). Heinrich von Könneritz, tevens muntmeester, die naast regelgevend werk, en opzicht, ook het metallurgisch onderzoek bevorderde (o.a. door samenwerking met Georg Bauer – de lokale arts – beter bekend als Agricola, de ‘vader van de moderne mineralogie’). Zijn vrouw Barbara von Breitenbach was dan weer zeer actief bij de constructie van het sociale weefsel van deze nieuwe ‘samenleving’. Könneritz leidde de exploitatie in goede banen en binnen 20 jaar groeide Joachimstal uit tot de tweede stad van Bohemen en telde meer dan 20.000 inwoners. Alle genoemden waren bekend met Luther en zijn gedachten en het genoemde echtpaar was zelfs goed met hem bevriend (hun zonen studeerden in Wittenberg), en hield — gezien een bemoedigende brief van Luther uit 1524 aan Nicolaus Herman — in moeilijke tijden ook de cantor-schoolmeester Nicolaus Herman de hand boven het hoofd. Luthers vader was zelf trouwens… mijnbouwer.

Silver medal commemorating Stephan von Schlick, the founder of Joachimsthal, no year (after 1526), unsigned by Wolf Milicz. Dedicated by Stephan’s widow in commemoration of her husband’s death in the Battle of Mohács of 1526. Probably the second specimen on the market. Extremely fine. Estimate: 15,000 euros. From Künker auction 418 (29 January 2025), No. 413.
Zilveren penning uit Joachimstal ter herinnering aan Stephan von Schlick (na 1526). Vervaardigd in opdracht van Stephans weduwe ter gedachtenis aan de dood van haar echtgenoot in de Slag bij Mohács in 1526. https://new.coinsweekly.com/coins-medals-more/joachimsthal-and-the-reformation/

Zilveren penning uit Joachimstal (1531) toegeschreven aan Hieronymus Magdeburger, die ook talrijke ‘evangelische munten’ graveerde, de numismatische evenknie van Niclas Herman.
Links het (bijna)offer van Isaac door zijn vader, rechts het voltrokken offer van Christus door zijn Vader. Een van die — eigenlijk nogal schokkende — standaard christelijke typologieën. Op deze pagina – tevens de bron – vindt u meer uitleg en voorbeelden (English)

De daalder

De Schlicks hadden ook een eigen muntrecht, en de door hen geslagen zilveren munten werden de ‘gouden standaard’ in het hele (Habsburgse) Rijk: de Joachimsthaler, al snel afgekort tot ‘Thaler‘ (een volle thaler: ca. 25g zilver). Je mag dit ook letterlijk nemen: Deze in zilver geslagen munt vervangt als courant betaalmiddel de ‘gulden’.1 In onze contreien heeft zo’n Thaler de waarde van 30 stuivers, dat is 1,5 gulden, de daalder (nu enkel nog spreekwoordelijk: Op de markt is uw gulden een daalder waard…netzoveel trouwens als de eerste slag). Later komt er ook nog een upgrade tot 50 stuivers: de rijksdaalder 2,5 gulden. Op dat ‘Rijk’ hadden de Hollanders het niet zo, want dat was het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie (Karel V, Filips II etc.) en als ze overzee hun goederen verhandelden, sloegen zij hun eigen daalders, zonder ‘kop’, maar met een leeuw erop: de leeuwendaalder… Engelsen konden daalder of thaler niet goed uitspreken en maakten er dan maar dollar van. Gelooft u het niet: Lieven Scheire zegt het ook: (Joachimstaler > Thaler > Daalder > Dollar. facebook). Het kan trouwens nog korter: in het Tsjechisch is een thaler een tolar, tot 2007 de munteenheid van Slovenië.

Back to business: Belangrijk in dit alles is, dat in deze ‘nieuwe samenleving’ in Bohemen (dus toch al niet zo ‘rooms-gezind’) zowel de politieke, economische als ambachtelijke leidinggevenden van meet aan op z’n minst sympathiseren met de Lutherse Reformatie. De eerste kerk wordt nog wel (net als het dorp) toegewijd aan St Joachim, maar in 1522 wordt er al een “Evangelische Kerkorde” ingevoerd, de eerste in Bohemen. Van de bisschop is er geen spoor meer te bekennen. De machthebbers (m.n. graaf Stephan Schlick en de Berghauptmann Könnewitz) slaan de handen ineen en nemen zelf — met intellectuele, morele en personele ondersteuning vanuit Wittenberg — de organisatie ter hand. Ze waken over de inrichting van de eredienst, nemen de verantwoordelijkheid over voor de andere maatschappelijke functies die de roomse kerk (of orden) vervulden: school, armenzorg, ziekenverpleging.

De school

Jongens konden dus naar de Latijnse school gaan, naar meester Herman. Toelatingsvoorwaarde: kunnen lezen, schrijven. Dat kon je zelf leren (thuis) of op de Duitse school. Beide stedelijke en kerkelijke instellingen ineen. Instroom in de Latijnse school was zo ongeveer vanaf 7 jaar. Logisch: de hersenen ontwikkelden zich toen netzo als nu. Op die school werden de jongens opgeleid voor hogere studies of een baan in de publieke sector (de slimmen waren tegen hun 12de al klaar, maar het kon ook 16-17 worden. Dan konden ze naar de universiteit). Cantor Nicolaus Herman is z’n leven lang schoolmeester geweest van de ‘onderbouw’ op de Latijnse school (net als Bach!). Hij heeft die school waarschijnlijk zelf mee uit de grond gestampt, en mogen werken met twee briljante en ondernemende rectors (die de bovenbouw voor hun rekening namen) : Eerst Stephan Roth, een goede vriend van Luther, afkomstig uit Zwickau, waar hij ook weer heen terugkeert. Hij wordt daar stadssecretaris, en de stuwende kracht om de Hervorming daar ‘deftig’ in te voeren. Een strijd tussen radicale protestanten en behoudsgezinde katholieken kan worden vermeden. De tweede is Johann Mathesius, student van en bevriend met Luther. Hij heeft bij hem ingewoond en gestudeerd, bekend ook als uitgever van diens preken en vooral de ‘Tischreden’. Eerst is hij rector, later wordt hij Pfarr-herr (Pfarrer) van Joachimstal. Het stadje kent een pijlsnelle economische en demografische groei.

Zilvermijn in Joachimstal, 1548 (Duitse fototheek, wiki). De titel verwijst naar de vrijheidsrechten die deze nieuwe stad ook had verworven.

liederen voor de kinderen van Joachimstal

Niclas Herman is een fan van Luther, en helemaal als hij diens publicatie “AAN DE RAADSLEDEN VAN ALLE STEDEN VAN DUITSLAND DAT ZIJ CHRISTELIJKE SCHOLEN MOETEN OPRICHTEN EN IN STAND HOUDEN” uit 1524 leest. 2 Iedereen moet onderwijs worden aangeboden, zegt Luther, jongens èn meisjes, en de ouders moeten worden aangespoord (bijna verplicht) om van dat aanbod gebruik te maken: onderwijs als mensenrecht. Goede ouders (en dus: de overheid) volstaan toch ook niet met enkel lichamelijk voedsel aan hun kinderen te geven. Die voorzien ook geestelijke (op)voeding. Daarbij moet de overheid haar verantwoordelijkheid nemen en scholen oprichten. En zij moet er ook op toe zien dat alle kinderen daar naar toegaan (naartoe kùnnen gaan), jongens èn meisjes. In 1518 is er dus al een Lateinschule (jongens) in Joachimstal, en even later ook een meisjesschool, met een vrouwelijke directrice: Magaretha Heldin. Niclas Herman prijst haar in het voorwoord van zijn verzamelbundel. Daar onthult hij ook dat hij met name voor haar en haar leerlingen zijn liederen heeft geschreven. Hun bijbelkennis en zang had grote indruk op hem gemaakt (De tekst van die passage uit dat voorwoord kunt u hier lezen. Kortom: Leren lezen, leren rekenen (mathematica) èn muziek. Iedereen moet dat kunnen/kennen. Een leraar moet dus ook kunnen zingen (muziek maken), vindt Luther. En de jongens onder hen moeten met de polyfonie vertrouwd gemaakt worden, want zij vormen de ‘Cantorey’ (dat is dus in Bach’s tijd nog steeds zo: de Thomasschool). Zij moeten Latijnse motetten en (later) Duitse composities kunnen zingen, tijdens de vieringen op school, maar ook in de kerk (doordeweeks en zeker op zondag). Herman blijkt trouwens een vooruitstrevende leraar te zijn. Hij is ervan overtuigd dat de mensen willen leren. Hij hekelt lijfstraffen, pleit voor een motiveringspedagogiek, en stelt – zeker wat het godsdienstonderwijs betreft – een zingend curriculum voor. Hij biedt het zelfs aan. Alle bijbelverhalen op tekst en muziek gezet: Die SontagsEvangelia über das gantze Jahr in Gesänge gefasst für die Kinder und christlichen Hausväter

Hier een editie uit 1561 van dit lied. (uit de bundel met liederen bij de evangelieverhalen) Nog steeds staat eronder, wat ook in de eerste druk (als ‘flyer’ met 3 kerstliederen, z.b.) op de titelpagina stond: für die Kinder im Jo(a)chimstal

Bekendste liederen

En zeker rond de grote feesten, moet er wat te zingen zijn:

  • met Kerst dus: Drey Geistliche Weinacht Lieder, vom Newgebornen kindlein Jhesu, für die kinder im Joachimstal is waarschijnlijk zijn eerste publicatie (de zetter heeft wel een potje gemaakt van de teksten). Ons lied is hier het eerste (Liedboek, gezang 147).
  • En met Pasen: “Erschienen ist der herrlich Tag” (gezang 200) – prachtige melodie en ook een zeer leerrijke tekst (helaas ook niet meer aanwezig in de huidige gezangboeken). Voor meer info klik op de melodie:
  • En ‘s ochtends en s’avonds: Die helle Sonn leucht’ jetzt herfür” (gezang 373), “Hinunter ist der Sonnen Schein” (384)en “Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ” (gezang 316).
  • En als je op sterven ligt (want de kinderen werden niet oud, nemen de liederen mee naar huis): “Wenn mein Stündlein vorhanden ist” (gezang 270). Het laatste couplet is ook vaak apart geciteerd en op muziek gezet (“Weil du vom Tod erstanden bist…” – Schütz musicalische exequien). Het koraal is nog getoonzet door Schumann, in z’n laatste levensjaar, toen hij opgenomen was in de kliniek. De laatste maand was hij bezig met de bijbel en het liedboek. Meer info: klik hier

Herman’s teksten en melodieën zijn eenvoudig, maar niet simplistisch. Een goed voorbeeld is het onderwerp van deze pagina, maar dat geldt ook voor de andere genoemde liederen. Over de berijming van de bijbelverhalen kun je twisten, maar dat was dan ook puur onderwijsmateriaal, 4 of 7 regels, met een lijst met melodieën die geschikt zijn. Deze bijbelse-verhalende-liederen heeft hij tegen het eind van zijn leven gemaakt en gebundeld, toen hij ziek thuis zat (geplaagd door hevige en zeer pijnlijke jicht). Het voorwoord tekent hij met Niclas Herman, der alte cantor…. Ze zijn na zijn dood uitgegeven en talloze malen herdrukt. Even terzijde: dus niet bestemd voor de kerkdienst (liturgie), maar voor alle vormen van ‘godsdienstoefening’ daarbuiten.

portret

Hier een portret, gemaakt in zijn laatste levensjaar (1560: corpus vexabat podagra… staat er in het gedicht: zijn lichaam gekweld door de jicht. Je kunt het ‘m aanzien). Hij houdt een lied van zijn hand in de hand:

De muziekrol bevat de eerste regel van zijn berijming van de brief aan de Corinthiërs, waarin hij (met Paulus) de neiging tot afscheuring, sectarisme bestrijdt. Het eerste couplet:

Sant Paulus die Corinthier
hat unterweist in rechter lehr,
sobaldt er aber von in kam,
da fingen sich vil seckten an.

Boven zijn hoofd staat: Vox amici vox Dei: de stem van een vriend is de stem van God…

Dick Wursten (Kerst 2025)

P.S. Ad den Besten over Herman

Vertaler en liedboekdichter Ad den Besten schrijft aan het eind van zijn biografische notitie in het Compendium bij het Liedboek, over Nicolaus Herman:

Na Luther is Nikolaus Herman veruit de meest gezongen dichter van geestelijke liederen uit de 16de eeuw geweest. De heldere eenvoud van zijn teksten, hun kinderlijke, maar nergens kinderachtige toon, hun menselijke warmte, hebben gemaakt, dat zij een veel algemener betekenis kregen dan Nikolaus Herman zelf ooit heeft verwacht. Hij was met andere woorden een veel beter dichter en componist dan hij zelf heeft geweten.

Nietzsche’s hymne op het leven

tekst : Lou Salome (1881), goede vriendin en klankbord in zijn Vrolijke Wetenschap-tijd (1882). Nietzsche noemde haar zijn ‘Gehirnschwester’ (breinzus). Na afgewezen huwelijksaanzoek en hevige vlagen van jaloezie, zodanig gebrouilleerd dat er geen contact meer (mogelijk) was. Zij publiceerde nochtans in 1894 een zeer positief boek over Nietzsche.
muziek : Friedrich Nietzsche (1882 ‘compositie’, 1887 publicatie; de oorspronkelijke compositie gaat echter terug tot 1872 en was toen gekoppeld aan een Hymne an die Freundschaft, een compositie voor piano-vierhandig, opgedragen aan muzikale vriend en collega in Bazel: Franz Overbeck.

De koorzetting is eigenlijk helemaal niet van Nietzsche, maar van . Alles over de muzikale wording van deze compositie, vindt op deze pagina van mijn Nietzsche website (in het Duits en het Engels).

De tekst

In Ecce homo (1888) staat Nietzsche erop Lou Salome expliciet te noemen (en te prijzen) als auteur van de tekst. Met name de slotzin sprak hem erg aan, schrijft hij:

Hast du kein Glück mehr übrig mir zu geben,
wohlan ! noch hast du deine Pein.

In haar Lebensrückblick (eerste uitgave 1951, postuum, verzorgd door Ernst Pfeiffer) citeert Lou het gedicht ook, d.w.z. het oorspronkelijke. Ze heeft het – zo meldt ze daar – geschreven na een intense periode in Rusland, uitlopend op haar vertrek uit de ‘Heimat’ naar Zürich. Zij noemt het Lebensgebet. Het is nìet voor Nietzsche geschreven, en dus ook niet de verklanking van hun vriendschap/liefde. Het slotcouplet is ook iets anders:

Jahrtausende zu sein ! zu denken !
Schließ mich in beide Arme ein
Hast du kein Glück mehr mir zu schenken —
Wohlan — noch hast du deine Pein.

Nietzsche had hier nog al fors ingegrepen, zie ik nu. Ook de eerste en tweede regel heeft hij gewijzigd:
Jahrtausende zu denken und zu leben.
Wirf deinen Inhalt voll hinein!

Hast du kein Glück mehr übrig mir zu geben,
wohlan ! noch hast du deine Pein.

De ‘vol ingeworpen inhoud’ in de tweede regel is wel heel bot, zeker vergeleken met het tedere ‘sluit me in de armen’. Ze voegt droogjes toe: Nachdem ich es Nietzsche gelegentlich aus dem Gedächtnis niedergeschrieben und er es darauf in Musik gesetzt hat, lief es feierlicher auf etwas verlängerten Versfüßen. Hier het originele gedicht (met kortere versvoet, d.w.z. de regels met vrouwelijk rijm blijven jambisch):

Lebensgebet

Gewiß, so liebt ein Freund den Freund,
Wie ich Dich liebe, Rätselleben –
Ob ich in Dir gejauchzt, geweint,
Ob Du mir Glück, ob Schmerz gegeben.

Ich liebe Dich samt Deinem Harme;
Und wenn Du mich vernichten mußt,
Entreiße ich mich Deinem Arme
Wie Freund sich reißt von Freundesbrust.

Mit ganzer Kraft umfaß ich Dich!
Laß Deine Flammen mich entzünden,
Laß noch in Glut des Kampfes mich
Dein Rätsel tiefer nur ergründen.

Jahrtausende zu sein! zu denken!
Schließ mich in beide Arme ein:
Hast Du kein Glück mehr mir zu schenken –
Wohlan – noch hast Du Deine Pein.

In haar roman Im Kampf um Gott (gepubliceerd onder het pseudoniem Henri Lou, 1885) heeft ze dit gedicht ook opgenomen, maar dan in Nietzsche’s versie – zo lees ik, maar bij nader inzien is dat niet helemaal waar: De versvoet uitbreiding neemt ze over, maar in de laatste strofe kiest ze toch voor haar eigen — oorspronkelijke — rijmwoorden en voorlaatste zin, (de versvoet verlengen doet ze in de eerste regel dan maar zelf… ). Ik vind dit de beste versie:

Jahrtausende zu leben um zu denken,
Schließ mich in beide Arme ein
Hast du kein Glück mehr mir zu schenken —
Wohlan, — noch hast du deine Pein.

Hier de drie versies naast elkaar (click to enlarge – a text version here)

Lou Salome — zo weet Ernst Pfeiffer nog te berichten in een voetnoot, gebaseerd op zijn gesprekken met haar als oude dame (jaren 1930) — vond later het gedicht eigenlijk wel wat bombastisch, en noteert dat de slotzin voor haar en voor Nietzsche niet hetzelfde zei: Voor haar wilde die zin zeggen dat zij ook het berooide leven dat er overbleef na God ‘verloren’ te hebben nog voluit wil blijven omaremen. Even terzijde: God is bij Lou Salome zowel ‘God’ als sluitsteen van een betekenisvol wereldbeeld (= thema van het boek Im Kamp um Gott, waar zij dit gedicht opneemt), als zijn incarnatie in de dominee/man, Hendrik Gillot, die in Sint-Petersburg enerzijds haar geest heeft doen openbloeien middels lectuur, en gezamenlijke studie, en een niet geconsumeerde intense liefdesrelatie). Ook na de breuk en een zware periode van ziekte, wil ze het leven nog voluit omarmen. Voor Nietzsche verwoordt deze slotzin zijn amor fati (Rückblik, p. 224-5, noot 40. Het originele gedicht staat op p. 40)

Tenslotte: Nietzsche had de boodschap van von Bülow, dat hij geen componist is blijkbaar eerst wèl aanvaard (met pijn en moeite), maar hij kon het toch niet laten om in zijn laatste bewuste levensjaar de uitgegeven partituur naar hem op te sturen… (zo van: u had gelijk toen, maar kijk dit ligt er dan nu toch maar. Bülow heeft er wijselijk het zwijgen toe gedaan). Als je Ecce homo leest, dan zie je hoe de officiële muziekuitgave hem blij en trots maakte. Wel hoor ik in de formulering over de muziek die hij schreef toch enige terughoudendheid (die opvalt in dat boek dat verder bepaald niet zuinig is met superlatieven als het over hemzelf gaat): Na Lou’s slotzin te hebben geprezen besluit hij de passage namelijk met

Vielleicht hat auch meine Musik an dieser Stelle Grösse

En hier de drie versies naast elkaar

De fictie van Nietzsches Wille zur Macht

Het meest bekende en invloedrijke boek van Nietzsche “Der Wille zur Macht” is helemaal geen boek, en is ook niet van Nietzsche.

Wat is er aan de hand?

Friedrichs zus (Elisabeth Förster-Nietzsche ) heeft postuum een boek gecompileerd (samengesteld) uit aantekeningen in Schriftjes, notitieblokjes, losse vellen papier uit de periode 1885-1888 (in de verzamelde uitgave 2 delen, ca. 1000 bladzijden), met de titel Der Wille zur Macht. Selectiecriterium en ordeningsprincipe zijn in zo’n geval allesbepalend. Cf. Who frames the question determines the answer… Beide zijn bepaald door zijn zus (en enkele anderen, m.n. Heinrich Köselitz, alias Peter Gast, een toegewijde vriend van Nietzsche). Zij hebben het resultaat van hun werk vervolgens in de markt gezet als Nietzsche’s Unvollendete , zijn hoofdwerk: Dat wat hij eigenlijk had willen zeggen, maar waar hij jammer genoeg nooit aan toegekomen is, maar dat wij nu…. Wonderlijk genoeg is deze gang van zaken eigenlijk al bekend sinds de publicatie van de eerste (later verworpen) editie in 1901. Toen had Elisabeth namelijk een eerste selectie (483 aforismen) laten bundelen, redigeren, en uitgegeven. Maar ze was niet tevreden met het resultaat en brak met de ‘redactor’ (Fritz Kögel), die haar sinds 1894 had bijgestaan bij de uitgave van Nietzsche’s verzamelde werken. Er waren al 12 delen verschenen. 8 delen met gepubliceerde werken en 4 met nagelaten werken en Der Wille zur Macht. Die laatste vier werden ingetrokken. De uitgave viel stil. Er werden nieuwe redacteuren aangetrokken (o.a. de gebroeders Horneffer; dr. Otto Weiss kreeg de wetenschappelijke eindverantwoordelijkheid). Tussen 1906 en 1911 verscheen dan de ‘definitieve’ uitgave, zowel van de nagelaten werken (en fragmenten) en Der Wille zur Macht (versie 2: gegroeid tot 1067 aforismen, een aanzienlijke uitbreiding, herschikking, maar ook weglating).

Alleen deze ontstaans- en uitgavegeschiedenis zou tot terughoudendheid hebben moeten leiden bij de lezers en interpreten van Nietzsche, zeker qua acceptatie van de autoriteit van Der Wille zur Macht (4 delen), als boek. Toch heeft men deze compilatie vrij snel als Nietzsche’s hoofdwerk aanvaard en is men – en dat zelfs tot op vandaag – geneigd langs dit fictieve spoor Nietzsche te benaderen. Men interpreteert (propageert/bestrijdt) Nietzsche als de filosoof van de ‘Wil tot macht’ die achter, onder, in alles zit, een imago dat mede door dit boek is opgeroepen. En als het al een kern van waarheid bevat – en dat doet het – dan is die door dit boek buiten proportie opgeblazen.

De echte stem van Nietzsche is hierdoor onnodig lang overstemd, gesmoord.

Sinds de publicatie van de volledige nagelaten aantekeningen inclusief degenen die Elisabeth eruit had gehaald om het fictieve boek mee samen te stellen (50 jaar geleden in het Duits, recentelijk ook in het Nederlands vertaald), is het zonneklaar dat Nietzsche wel heel wat – onderling nogal verschillende – schema’s heeft ontworpen voor een nieuw groot werk, en dat in een bepaalde periode de titel ‘Der Wille zur Macht‘ door z’n hoofd speelde (maar altijd naast andere, en met wisselende ondertitels, en gevolgd door heel verscheiden indelingsschema’s). Nu al die aantekeningen weer bij elkaar staan, chronologisch geordend, wordt duidelijk dat er gewoon geen selectiecriterium is, dat kan beslissen over inclusie/exclusie van een opmerking, een fantasievolle gedachte, een complexe gedachtenoefening, in een omvattend systematisch werk. Willekeur was dat dus, bepaald door een ulterior motive. Temeer daar uit de aantekeningen ook duidelijk blijkt dat Nietzsche aan het eind van de zomer van 1888 terugkomt van zijn idee om een omvattend werk samen te stellen. Der Wille zur Macht als titel is al eerder gedropt, maar nu verdwijnt ook de idee van het alomvattend boek naar de achtergrond. Als er al ‘indexen’ verschijnen hebben zo vaker Umwerthung aller Werthe als titel, of – laatste poging: Magnum in parvo: Eine Philosophie im Auszug (Het grote in het kleine. Een uittreksel als filosofie). Als je de bijbehorende hoofdstukindeling bekijkt, dan zie je dat hier eigenlijk al teruggeplooid wordt op een veel kleiner werk, en als puntje bij paaltje komt is dit een combinatie van Götzendämmerung en Der Antichrist 3 In z’n laatste actieve periode heeft Nietzsche al z’n energie gestoken in de samenstelling (het schrijven, componeren) van concrete publicaties: Götzendämmerung, Antichrist noemde ik al. Daarnaast Der Fall Wagner, en de Dionysos-dithyramben… en niet te vergeten: zijn auto-mythobiografie Ecce homo. Dat is – heel precies – de output van zijn laatste manische periode. De rest zijn… nagelaten aantekeningen. Geen systematisch werk.

Wilt u meer weten (preciezer), lees dan verder.

Als u genoeg weet, dan kan ik u adviseren om gewoon Nietzsche te gaan lezen, en eens te horen wat hij te zeggen heeft, los van zijn fictionel imago. Bijv. een selectie vertaalde gedachtenoefeningen uit de Vrolijke Wetenschap.

Vervolg: Nagelaten fragmenten

Alle losse aantekeningen die Nietzsche heeft nagelaten zijn in de Kritische Gesamtausgabe gebundeld in een 7 delen met de titel : Nachgelasse Fragmente | Nagelaten fragmenten. De twee delen 4 die de periode 1885-1888 beslaan, bevatten alle tekst uit 22 handgeschreven bronnen (15 grote schriften, 3 notitieboeken en 4 mappen met losse vellen).5 Het is een volledige en manuscript-getrouwe weergave van alle fragmenten, ontwerpen, plannen en titels die zijn bewaard, vanaf herfst 1885 tot aan het einde van Nietzsches scheppende leven begin 1889. Alles, d.w.z. ze bevatten dus ook al het materiaal dat eruit verwijderd was om het Der Wille zur Macht | De wil tot macht samen te stellen. Dat zijn (nu dus: waren) immers communicerende vaten: Wat in WzM werd opgenomen, was weggeplukt uit de Nachlass. Daarom moest bij een dikkere verse van WzM de Nachlass dunner worden (en dus opnieuw geredigeerd en uitgegeven, — dit verklaart de breuk in de eerst grote uitgave van Nietzsches Werke, de zogeheten Grossoktavausgabe.

In chronologische opeenvolging gelezen bieden de fragmenten een zeer precies en bijna ononderbroken beeld van wat er zoal in Nietzsche’s hoofd speelde, en wat zijn literaire intenties waren tussen de herfst 1885 tot begin januari 1889 (het moment van zijn collaps). Hij speelde inderdaad met het plan een groot verzamelwerk uit te geven. Allerlei titels en indelingen passeren de revue. Een compilatie onder de titel Der Wille zur Macht komt naar voren, maar eigenlijk is de titel Umwertung aller Werte minstens zo opvallend (dat is de ondertitel geworden). Niet alleen de titel, maar ook het concert wordt diverse keren gewijzigd, en verdwijnt in september 1888 uit beeld. In plaats daarvan zet hij zich tot de samenstelling van nieuwe thematische bundelingen: Zur Genealogie der Moral, Götzendämmerung, der Antichrist, der Fall Wagner en zijn automythografie: Ecce homo.

Een cruciale datum: 26 augustus 1888

Nietzsche noteert nog maar eens een reeks hoofdstuktitels onder de titel Der Wille zur Macht. Dit is zijn “letzter Plan” (consensus onder Nietzsche vorsers). Na deze laatste schets – en dit is belangrijk – komt de titel ‘Der Wille zur Macht’ niet meer voor in zijn aantekeningen. De ondertitel ‘Umwerthung aller Werthe‘ wel, maar nu met nieuwe rubrieken. Daar wordt bijv. de ‘Antichrist’ genoemd als eerste deel. Ook verschijnt Magnum in parvo als een fragmentarisch filosofische werk ten tonele (zie boven). En er zijn plots notities met allerlei variaties op ‘Götzendämmerung‘ (titels en subtitels, de een al inventiever dan de ander). Nietzsche is op zoek naar een titel voor een nieuw werk dat hij wil uitgeven. En inderdaad: Laatstgenoemd boekje is kort nadien persklaar (“ins Reine” geschreven). Het is een uittreksel uit zijn filosofie in fragmenten, niet het begin van een systematisch omvangrijk werk… zoals het door zus en vriend uit allerlei niet afgewerkte notities samengesteld fictieve (fake) boek. Ook de ‘Antichrist’ wordt nog door Nietzsche afgewerkt, maar pas veel later gepubliceerd. Ook dit is geen systematisch filosofisch werk, maar … een fel pamflet. Nietzsche blijft zichzelf trouw, ook in zijn laatste fase: Zijn denken kent geen einde….

Graftdijk 1992

Het is dan ook volkomen onbegrijpelijk dat in 1992 Thomas Graftdijk een latere versie van dat niet bestaande werk heeft vertaald en dat uitgeverij Boom dit in zijn Nietzsche-collectie heeft opgenomen – daarbij de hoofdtitel en de ondertitel omdraaiend.6 Had er nu een degelijk inleiding bij gestaan, dan was het tot daaraantoe, maar er is geen inleiding, enkel een zeer kort nawoord/verantwoording. De vertaler noemt daar wel de naam van de tekstbezorger van zijn bron ‘Friedrich Würzburg’, maar vergeet te vermelden dat deze dit boek in 1940 publiceerde èn niet om de nazistische lezing een stok in het wiel te steken, wel in tegendeel.** In het Nederlandse taalgebied wordt zo de suggestie versterkt dat Nietzsche zo’n werk toch wel ongeveer voor ogen moet hebben gehad. Quod non.


NOTEN

Gaudete ! Steeleye Span en de musicologen

Hoe een middeleeuwse deuntje een hit werd

Iedereen die in een koor zingt of gezongen heeft kent het vast wel (en anders van ‘horen zingen’) : het Latijnse kerstlied Gaudete … Het klinkt zo heerlijk middeleeuws en mystiek, temeer omdat je niet verstaat wat je zingt. Toch altijd weer een surprise dat de a-capella versie van Steeleye Span het meer dan 50 jaar geleden tot nr. 14 van de Engelse hitparade heeft geschopt (december1973):

https://youtu.be/cEPmGq0Ii2o?si=9l5lRY_rXGOj_yVj

Minder bekend is dat de tekst en melodie van dit lied (m.n. van de 4 coupletten) de 20ste eeuwse uitvoerders voor een probleem plaatsen, want in de oudste bekende druk (1582, Piae Cantiones) staan mooi de vier stemmen van het refrein genoteerd, maar bij de vier coupletten staan geen muzieknoten:

Dat heeft aanleiding gegeven voor een stroom aan suggesties, improvisaties, al dan niet gestaafd door bronnenonderzoek. Daarover straks nog wat.

Het lied begint aan zijn tweede leven (revival) in 1910 als de Anglicaanse priester/musicus James Woodward de Piae Cantiones (selectie) opnieuw uitgeeft (in een ‘fijne authentiek aandoende renaissancistische’ druk):

Zijn bedoeling was dat ze gezongen zouden worden (in kerk en school), dus moest hij ook een melodie voorzien voor de coupletten. Hij doet een voorstel (de melodie van Good king Wenceslas, trouwens) maar dat wordt geen succes. De doorbraak van dit lied komt er als de Clerkes of Oxenford (o.l.v. David Wulstan) in 1966 een KerstLP uitbrengen met o.a. dit lied (kant B, nr. 6).

Dit is ongetwijfeld de meest bekende versie. Wulstan gebruikte een andere melodie dan Woodward had voorgesteld, en vergat te vermelden wat, waarom en hoe. Pas later werd duidelijk dat hij wel degelijk echt musicologisch speurwerk had gedaan. De melodie die hij liet zingen was afkomstig uit een Praags handschrift waar ze genoteerd staat bij een lied waarvan het 1ste couplet gelijk was aan het 3de van Gaudete. (het couplet over de poort van Ezechiel, zie onder). Een aardig détail is dat Steeleye Span, toen zij het lied ook wilden proberen, natuurlijk eerst grepen naar Wulstan’s versie, maar het begin en het eind hen blijkbaar niet goed beviel (of lag) en het hebben aangepast. Vandaar dat hun versie op de webpagina van Elam Rotem (Early Music Sources) netjes is getranscribeerd en naast Spangenberg (een oude versie van de melodie) en Wulstan is opgenomen :

Nieuwsgierig geworden naar het hele verhaal: kijk/luister dan naar de glasheldere uiteenzetting over dit lied van Elam Rotem op het Youtubekanaal van Early Music History. Leert u tegelijk heel wat bij over musica ficta (want de charme van het refrein, Gaudete, is dat die ontbreekt. Snapt u niet wat ik bedoel, kijk dan zeker naar de video). De 20ste eeuw begint daar bij 10:19.

https://youtu.be/Aab7TvfDEKE?si=RSqJCX_gm2gTefAx

Tekst

Gaudete (1582) Letterlijk English (2016) – zingbaar
Gaudete, gaudete!
Christus est natus
Ex Maria virgine,

gaudete!
Verheugt u!
Christus is geboren
uit de maagd Maria,
verheugt u!
Be joyful! Sing with joy!
Born is the Savior
from the Virgin Mary’s womb:

Be joyful!
Tempus adest gratiae,
hoc quod optabamus,
Carmina laeticiae
devote reddamus.
De genadetijd is er,
waar we zo naar uitkeken;
Laten we blijde liedjes
aanheffen, toegewijd.
At this time of holy grace,
for which we were yearning,
In devotion let us sing,
hymns of joy returning.
Deus homo factus est
Natura mirante,
Mundus renovatus est
a Christo regnante.
God is mens geworden,
de natuur stond versteld,
De wereld is vernieuwd
door Christus die regeert.
God is made a man today;
Nature lies in wonder.
Christ the King renews the world
that was put asunder.
Ezechielis porta
clausa pertransitur,*
Unde lux est orta,
salus invenitur.

Er is door de gesloten poort
van Ezechiël * gegaan,
vanwaar het licht opgaat,
en het heil wordt gevonden

vrijer:
Ezechiels poort is dicht,
maar hij ging erdoor,
waar het licht opgaat,
daar laat het heil zich vinden.

Fastened was Ezekiel’s gate,
yet he entered through it;
So the light the world has found,
bringing mercy to it.

Ergo nostra concio
psallat iam in lustro,
Benedicat Domino,
salus Regi nostro.
Laten wij dus samen
psalmzingen op dit feest,
Geprezen zij de Heer,
Heil aan onze koning!
Therefore let us all rejoice,
singing to acclaim Him
Here we greet and bless the Lord,
and our King we name Him.
Dick Wursten Carol Anne Perry Lagemann
(CC BY SA 4.0)

* de ‘gesloten poort van Ezechiel’ is een klassieker uit de Marialogie rondom Christus’ geboorte. Een typisch voorbeeld van allegorische uitleg (annexatie) van de Hebreeuwse bijbel voor christelijke doeleinden: De profeet Ezechiël heeft (zoals Johannes in de apocalyps) een visioen van wat er aan het einde der tijden zal gebeuren. Hij ziet God komen en zijn huis (de tempel) binnengaan door de Oostelijke Poort (‘waar het licht opgaat’, de orient. Daarom krijgt Ezechiël te horen (vers 2 van hoofdstuk 44): En de HEER zei tot mij: Deze poort zal gesloten blijven; zij zal niet geopend worden en niemand mag daardoor binnengaan, want de HEER, de God van Israël, is daardoor binnengegaan; daarom moet zij gesloten blijven. Weet u meteen waar de tekstschrijver van Monteverdi (Maria vespers) de mosterd vandaan haalde voor zijn echo aria: Porta orientalis.

  • de tempel = Maria’s moederschoot
  • de Heer die binnengaat = de conceptie, incarnatie
  • de poort die gesloten blijft = altijd maagd (ook post partum)

Zo ziet u maar dat de Schrift – mits handig uitgelegd – de meest wonderlijke dogma’s kan bewijzen.

Advent 2025, Dick Wursten


NOG WAT KERSTMUZIEK

der ‘tolle’ Mensch – zot? dwaas? uitzinnig?

Wat betekent ‘toll’ in de tolle Mensch (Fröhliche Wissentchaft, nr. 125) en hoe vertaal je dat dan in het Nederlands?

overweging n.a.v. van het vertaalproject ‘De vrolijke wetenschap’ (verblijdend inzicht). Daar ook de tekst (Duits-Nederlands).

De vertaling ‘dolle mens’ (Pé Hawinkels, 1976/Hans Driessen, 1999) voldoet niet. De substitutie ervan door ‘de krankzinnige man’ (Hans Driessen, 2018) is gewoon fout: krankzinnig in het Duits is irre, verrückt. Wie een historisch woordenboek Duits (bijv. Grimm) opslaat, ziet al snel dat het bij ‘toll‘, ‘Tollheit‘ vooral gaat over emotionele buitensporigheid, uitzinnigheid. In het Nederlands kennen we dat enkel nog in de combi: hondsdolheid , en in de kunstgeschiedenis bij Brueghel’s Dulle Griet. Verder: oppassen met het hedendaags Duits, want Nietzsche is een 19de eeuwer (en dan in z’n taalgevoel ook nog al klassiek). ‘Das ist toll‘ is tegenwoordig een positieve uitspraak! (Wauw!), maar in de late 19de eeuw nog niet echt (zie onder). Een Vlaming zou het kunnen wagen met ‘een zot, die met een zaklamp zoekt naar God’. Je kunt ook denken aan de ‘idioot’, zoals die vereeuwigd is door Dostojewski. En natuurlijk Diogenes. Nietzsche-kenner prof. em. Paul van Tongeren zou het liefst vertalen met ‘Dwaas’, maar dan mis je naar mijn aanvoelen de ‘uitzinnige’ kant, het woedende. Enfin: Serieus nu, of beter: vrolijk.

Zarathoestra en Diogenes als voorvaders

– In een voorstadium van deze parabel (want dat is het literaire genre) heeft Nietzsche het niet over ‘der tolle Mensch’, maar over ‘Z’. = Zarathoestra.
– Wie op klaarlichte dag met een lamp op zoek gaat naar God, heeft de kunst afgekeken van Diogenes (uweetwel, die wijsgeer in de ton, de ‘kynicus’), van wie vertelt wordt dat hij dat ook deed, d.w.z. op zoek gaan, maar niet naar God, maar naar ‘een mens’. Veelzeggende con-text.
Beide elementen moeten m.i. meegewogen worden bij de vertaling van ‘der tolle Mensch’. Dat impliceert dat er zeker een positief betekenis aspect hoorbaar moet blijven: Zarathoestra en Diogenes zijn voor de auteur twee voorbeeldige figuren, leermeesters.

Woordenboekbetekenis ‘toll’

Als je Grimm (1854) raadpeegt, dan zie je dat het een redelijk courant woord was, en wel in de – inmiddels verouderde – betekenis, waarbij het emotionele uitbarstende kenmerkend is. Het wordt gebruikt voor onstuimig, mateloos, overdadig gedrag, niet noodzakelijk dom, maar onbeheerst.

Voorbeelden van de connotatie (19e eeuw):

  • in Tollheit verfallen = uitzinnig gedrag vertonen. Dit kan negatief zijn (waanzin), maar ook romantisch-subliem (uitbarsting van gevoel, Sturm-und-Drang).

Conclusie: een uitzinnige, een zot

De ‘tolle Mensch’. Hoe vertalen?
1. De klassieke klankvertaling ‘de dolle mens‘ (Hawinkels, Driessen) is enkel verdedigbaar omdat klank voor Nietzsche betekenisvol is, en ‘dolheid’ en ‘gekte’, ‘razernij’ in het Nederlands nog herkend zou kunnen worden: Hondsdolheid. Maar dit bevredigt niet.
2. Een ‘gek’? In het Engels is het vaak een ‘mad man‘, maar ‘mad’ in het Engels is toch net iets anders dan ‘gek’ in het Nederlands. There is method in his madness. Ik ken geen vertaling in het Nederlands die hiervoor kiest.
3. De meest recente vertaling (Driessen 2018) vervangt ‘de dolle mens’ door ‘een krankzinnig man‘. Dat is zoals al gezegd m.i. geen gelukkige oplossing. Het kan verdedigd worden als je dit woord ook hoort in Nietzsche’s tijd (historische context) : de late 19de eeuw. Psychiatrie bestaat nog niet. Laat staan een diagnostisch handboek DSM xx. En ‘raar, vreemd gedrag’ werd toen zonder meer als ‘krank’ van ‘zinnen’ (zenuwziek) gedefinieerd.
4. Mijns inziens (of beter: mijns aanvoelens) is de vertaling ‘een uitzinnige‘ of ‘een zot‘ verdedigbaar. De emotionele component (woede) moet mee kunnen klinken. Ook het in de parabel beschreven gedrag roept daarom (hij roept , hij spring in hun midden, hij kijkt hen met een doorborende ogen aan, hij gedraagt zich aberrant).

Wie is hier eigenlijk aan het woord ?

Ook de vraag in welk opzicht of vanuit welk perspectief wordt deze mens ‘een zot’ genoemd: vanuit zijn eigen perspectief? Vanuit dat van de “atheïsten” (ja, wat zijn dat nu weer?) die zich op de markt hebben verzameld? Of vanuit de verteller? Of de auteur? (En is dat dezelfde?).


Nietzsche – Bülow (brieven 1872)

Nietzsche stuurt na het horen van de Tristan (Wagner) o.l.v. Hans von Bülow aan de dirigent samen met zijn dankwoord een kopie van zijn Manfred-Meditation, met de vraag om een eerlijk oordeel. Nou, dat komt, en is ronduit negatief. Von Bülow hoopt dat het een ‘parodie op de toekomstmuziek’ is, maar vreest dat het gewoon ‘slechte anti-muziek’ is. Het duurt wel even voor Nietzsche het verwerkt heeft (3 maanden om precies te zijn), maar dan schrijft hij Von Bülow een brief terug… om hem te bedanken. Hieronder de correspondentie in z’n geheel. Hier alvast een belangrijk fragment uit deze (tweede) brief van Nietzsche, in vertaling:

“Wees ervan overtuigd dat ik het nooit gewaagd zou hebben — zelfs niet voor de grap — u te vragen mijn “muziek” eens te bekijken, als ik ook maar het flauwste vermoeden zou hebben gehad van haar volstrekte waardeloosheid ! Helaas heeft tot dusver niemand mij wakker geschud uit mijn onschuldige waan, namelijk dat ik mij inbeeldde dat ik muziek kon maken (d.w.z. componeren), amateuristische en groteske, zeker, maar die voor mijzelf hoogst “natuurlijk” aanvoelde… U hebt mij zeer geholpen — het is een bekentenis, die ik nog steeds niet zonder enige pijn doe. 1

Ik zal mij, schrijft Nietzsche in een kladversie van deze brief (kort voor 29 oktober 1872) – bij wijze van ‘muzikale gezondheidskuur’ – wijden aan het studeren van de Beethoven-sonates, die u hebt uitgegeven. Leerzaam. In een brief aan zijn vriend Erwin Rohde citeert hij Von Bülow’s brief en schrijft: “Der Brief Bülows ist für mich unschätzbar in seiner Ehrlichkeit, lies ihn, lache mich aus und glaube mir, daß ich vor mir selbst in einen solchen Schrecken geraten bin, um seitdem kein Klavier anrühren zu können.” Dat laatste is gelukkig ook weer overgegaan (zonder piano in de buurt kon hij niet leven), maar hij is wel – voor langere tijd – gestopt met het componeren.

nietzsche buigt voor Van Bülow
Friedrich Nietzsche wordt de muzikale les gespeld door Hans von Bülow (Nietzsche’s schaduwbeeld is AI, Bülow’s is een echte Böhler)

Nietzsche aan Von Bülow (nr. 240) – 20 juli 1872

An Hans von Bülow in München

Basel 20 Juli 1872.

Verehrter Herr,

wie gerne mochte ich Ihnen noch einmal aussprechen, mit welcher Bewunderung und Dankbarkeit ich Ihrer immer eingedenk bin. Sie haben mir den Zugang zu dem erhabensten Kunsteindruck meines Lebens erschlossen; und wenn ich auser Stande war Ihnen sofort nach den beiden Aufführungen zu danken, so rechnen Sie dies auf den Zustand ganzlicher Erschütterung, in dem der Mensch nicht spricht, nicht dankt, sondern sich verkriecht. Wir Alle sind aber mit dem tiefsten Gefühle persönlicher Verpflichtung von Ihnen und von Munchen geschieden; und auser Stande Ihnen dies deutlicher und beredter auszudrücken gerieth ich auf den Einfall, Ihnen durch Ubersendung einer Composition, in der freilich durftigen, aber nothwendigen Form einer Widmung intra parietes, meinen Wunsch zu verrathen, Ihnen recht dankbar mich erweisen zu konnen. Ein so guter Wunsch! Und eine so zweifelhafte Musik! Lachen Sie mich aus, ich verdiene es.

Nun höre ich, aus den Zeitungen, das Sie noch einmal, am 8 t. August, den Tristan aufführen werden. Wahrscheinlich bin ich wieder zugegen. Auch mein Freund Gersdorff will wieder zur rechten Zeit in Munchen sein. – Von Hr von Senger wurde ich in diesen Tagen durch einen Brief erfreut. Haben Sie R W<agner>’s Sendschreiben uber klassische Philologie gelesen? Meine Fachgenossen sind in einer angenehmen Erbitterung. Ein Berliner Pamphlet gegen meine Schrift – unter dem Titel ≫Zukunftsphilologie!≪ – befleisigt sich, mich zu vernichten, und eine wie ich hore, bald erscheinende Gegenschrift des Prof. Rohde in Kiel hat wiederum die Absicht, den Pamphletisten zu vernichten. Ich selbst bin mit der Conception einer neuen, leider wieder ≫zukunftsphilologischen≪ Schrift beschäftigt und wunsche jedem Pamphletisten eine ahnliche Beschaftigung. Mitten darin, mochte ich aber wieder die heilende Kraft des Tristan erfahren: dann kehre ich, erneuert und gereinigt, zu den Griechen zurück. Dadurch aber, das Sie uber dies Zaubermittel verfügen, sind Sie mein Arzt: und wenn Sie finden werden, das Ihr Patient entsetzliche Musik macht, so wissen Sie das pythagoreische Kunstgeheimnis, ihn durch ≫gute≪ Musik zu kuriren. Damit aber retten Sie ihn der Philologie: während er, ohne gute Musik, sich selbst uberlassen, mitunter musikalisch zu stöhnen beginnt, wie die Kater auf den Dächern.

Bleiben Sie, verehrter Herr, von meiner Neigung und Ergebenheit überzeugt!

Friedrich Nietzsche.

Von Bülow aan Nietzsche (nr. 347) – 24 juli 1872

Hans von Bülow an Nietzsche in Basel

München, 24 Juli 1872
Hochgeehrter Herr Professor,

Ihre gütige Mittheilung und Sendung hat mich in eine Verlegenheit gesetzt, deren Unbehaglichkeit ich selten in derartigen Fällen so lebhaft empfunden habe. Ich frage mich, soll ich schweigen, oder eine civilisirte Banalität zur Erwiderung geben – oder – frei mit der Sprache herausrücken? Zu letzterem gehört ein bis zur Verwegenheit gesteigerter Muth: um ihn zu fassen, muß ich vorausschicken, erstlich, daß ich hoffe, Sie seien von der Verehrung, die ich Ihnen als genialschöpferischem Vertreter der Wissenschaft zolle, festüberzeugt – ferner muß ich mich auf zwei Privilegien stützen, zu denen ich begreiflicher Weise höchst ungern recurrire; das eine, überdieß trauriger Natur: die zwei oder drei Lustren die ich mehr zähle als Sie, das andere: meine Profession als Musiker. Als letzterer bin ich gewohnt gleich Hansemann, bei dem »in Geldsachen die Gemüthlichkeit aufhört« den Grundsatz zu praktiziren: in materia musices hört die Höflichkeit auf.

Doch zur Sache: Ihre Manfred-Meditation ist das Extremste von phantastischer Extravaganz, das Unerquicklichste und Antimusikalischeste was mir seit lange von Aufzeichnungen auf Notenpapier zu Gesicht gekommen ist. Mehrmals mußte ich mich fragen: ist das Ganze ein Scherz, haben Sie vielleicht eine Parodie der sogenannten Zukunftsmusik beabsichtigt? Ist es mit Bewußtsein, daß Sie allen Regeln der Tonverbindung, von der höheren Syntax bis zur gewöhnlichen Rechtschreibung ununterbrochen Hohn sprechen? Abgesehen vom psychologischen Interesse – denn in Ihrem musikalischen Fieberprodukte ist ein ungewöhnlicher, bei aller Verirrung distinguirter Geist zu spüren – hat Ihre Meditation vom musikalischen Standpunkte aus nur den Werth eines Verbrechens in der moralischen Welt. Vom apollinischen Elemente habe ich keine Spur entdecken können und das dionysische anlangend habe ich, offen gestanden, mehr an den lendemain eines Bacchanals als an dieses selbst denken müssen. Haben Sie wirklich einen leidenschaftlichen Drang, sich in der Tonsprache zu äußern, so ist es unerläßlich, die ersten Elemente dieser Sprache sich anzueignen: eine in Erinnerungsschwelgerei an Wagnersche Klänge taumelnde Phantasie ist keine Produktionsbasis. Die unerhörtesten Wagnerschen Kühnheiten, abgesehen davon, daß sie im dramatischen durch das Wort gerechtfertigten Gewebe wurzeln (in rein instrumentalen Sätzen enthält er sich wohlweislich ähnlicher Ungeheuerlichkeiten) sind außerdem stets als sprachlich correkt zu erkennen – und zwar bis auf das kleinste Detail der Notation; wenn die Einsicht eines immerhin gebildeten Musikverständigen wie Herr Dr. Hanslick hierzu nicht hinreicht, so erhellt hieraus nur, daß man um Wagner als Musiker richtig zu würdigen, musicien et demi sein muß. Sollten Sie, hochverehrter Herr Professor, Ihre Aberration ins Componirgebiet, wirklich ernst gemeint haben, woran ich noch immer zweifeln muss – so componiren Sie doch wenigstens nur Vokalmusik – und lassen Sie das Wort in dem Nachen, der Sie auf dem wilden Tonmeere herumtreibt, das Steuer führen.

Nochmals – nichts für ungut – Sie haben übrigens selbst Ihre Musik als »entsetzlich« bezeichnet – sie ists in der That, entsetzlicher als Sie vermeinen, zwar nicht gemeinschädlich, aber schlimmer als das, schädlich für Sie selbst, der Sie sogar etwaigen Ueberfluß an Muße nicht schlechter todtschlagen können, als in ähnlicher Weise Euterpe zu nothzüchtigen.

Ich kann nicht widersprechen, wenn Sie mir sagen, daß ich die äusserste Grenzlinie der civilite puerile überschritten habe: »erblicken Sie in meiner rücksichtslosen Offenheit (Grobheit) ein Zeichen ebenso aufrichtiger Hochachtung« diese Banalität will ich nicht nachhinken lassen. Ich habe nur einfach meiner Empörung über dergleichen musikfeindliche Tonexperimente freien Lauf lassen müssen: vielleicht sollte ich einen Theil derselben gegen mich kehren, insofern ich den Tristan wieder zur Aufführung ermöglicht habe, und somit indirekt schuldig bin, einen so hohen und erleuchteten Geist, wie den Ihrigen, verehrter Herr Professor, in so bedauerliche Klavierkrämpfe gestürzt zu haben.

Nun vielleicht curirt Sie der »Lohengrin« am 30sten, der | übrigens leider nicht unter meiner Direktion sondern unter der des regelmäßig functionirenden Hofkapellmeisters Wüllner gegeben wird (einstudiert hatte ich ihn im Jahre 1867) – für Holländer und Tristan sind die Daten noch nicht bestimmt – man spricht vom 3 und 6 August – Andre sagen 5 und 10 August. Etwas Offizielles bin ich außer Stande Ihnen darüber mitzutheilen, da bis zum Sonntag von Sr. Excellenz ab bis zum letzten Sänger Alle die Ferienzeit auf dem Lande genießen.

Ich bin wiederum in derselben Verlegenheit wie, als ich die Feder in die Hand nahm. Seien Sie mir nicht zu böse, verehrter Herr und erinnern Sie Sich meiner gütigst nur als des durch Ihr prachtvolles Buch – dem hoffentlich ähnliche Werke bald nachfolgen werden – wahrhaft erbauten und belehrten und deßhalb Ihnen in vorzüglichster Hochachtung dankergebensten

H v Bülow

Nietzsche aan Von Bülow – (nr. 268, kladversie van 269)

An Hans von Bülow in München (Entwurf )

<Basel, waarschijnlijk op of kort voor 29 oktober 1872, de datum van de uitgegane brief>

Nun Gott sei Dank das ich das und gerade das von Ihnen hören muss. Ich weiss schon einen wie unbehaglichen Moment ich Ihnen gemacht habe dafür sage ich Ihnen, wie sehr Sie mir genutzt haben. Denken Sie das mir, in meiner musikal. Selbstzucht, allmählich jede Zucht abhanden gekommen ist, das ich nie von einem Musiker ein Urtheil uber meine Musik horte und das ich wahrhaft glücklich, auf eine so einfache Art uber das Wesen meiner allerletzten Compositionsperiode aufgekrt zu werden. Denn leider muss ich es gestehn – mache ich Musik eigner Fabrik von Kindheit an, besitze die Theorie durch Studium Albrechtberger‘s, habe Fugen en masse geschrieben und bin des reinen Stils – bis zu einem gewissen Grad der Reinheit fahig.  Dagegen überkam mich mitunter ein so barbarisch-excessives Gelust, eine Mischung von Trotz und Ironie das ich – ebenso wenig wie Sie scharf empfinden kann, was in der letzten Musik als Ernst als Karikatur als Hohn gemeint. Meinem nächsten Hausgenossen (o der Arme!) habe ich es als Pamphlet auf die Programmmusik zum Besten gegeben. Und die ursprüngliche Charakterbezeichnung der Stimmung war cannibalido. Dabei ist mir nun leider klar, das das Ganze sammt dieser Mischung von Pathos und Bosheit, einer wirklichen Stimmung absolut entsprach und das ich an der Niederschrift ein Vergnugen empfand, wie bei nichts Früherem. Es steht demnach recht traurig um meine Musik und noch mehr um meine Stimmungen. Wie bezeichnet man einen Zustand, in dem Lust Verachtung Übermuth Erhabenheit durch einander gerathen sind? – Hier und da verfalle ich in dies gefährliche mondsüchtige Gebiet. – Dabei bin ich – das glauben Sie mir – unendlich weit entfernt, von dieser halb psychiatrischen Musikerregung aus, Wagnersche Musik zu beurtheilen und zu verehren. Von meiner Musik weiss ich nur eins das ich damit Herr über eine Stimmung werde, die, ungestillt, vielleicht schädlicher ist. An jener verehre ich gerade diese höchste Nothwendigkeit – und wo ich sie als mangelhafter Musiker nicht begreife setze ich sie gläubig voraus. Was mir aber an der letzten Musik besonders vergnüglich war, das war gerade, bei dem tollsten Überschwang eine gewisse Karikatur jener Nothwendigkeit. Und gerade diese verzweifelte Contrapunktik muss mein Gefuhl in dem Grade verwirrt haben das ich absolut urtheilslos geworden war. Und in dieser Noth dachte ich mitunter selbst besser von dieser Musik – ein höchst bedauerlicher Zustand, aus dem Sie mich jetzt gerettet haben. Haben Sie Dank! Das ist also keine Musik? Da bin ich recht glücklich daran, da brauche ich mich gar nicht mehr mit dieser Art des otium cum odio, mit dieser recht odiosen Art meines Zeitvertreibs abzugeben. Mir liegt an der Wahrheit: Sie wissen es ist angenehmer sie zu hören als sie zu sagen. Da bin ich also doppelt wieder in Ihrer Schuld. – Aber ich bitte Sie nur um eins, machen Sie fur meine Sunde nicht den Tristan verantwortlich. Nach dem Anhören des Tristan hatte ich gewiss solche Musik nicht mehr concipirt – er heilt mich für lange Zeit von meiner Musik. Das ich ihn wieder hören konnte!

Dann will ich aber doch einen Versuch machen, eine musikal[ische] Gesundcur vorzunehmen: und viell[eicht] bleibe ich wenn ich in Ihrer Ausgabe Beethoven Sonaten studiere, unter ihrer geistigen Aufsicht und Leitung. Im Übrigen ist mir das Ganze eine höchst belehrende Erfahrung – die  E r z i e h u n g s frage, die mich auf anderen Gebieten beschäftigt, wird für mich einmal, im Bereich der Kunst, mit bes<onderer> Stärke aufgeworfen. Welchen grässlichen Verirrungen ist jetzt der Vereinzelte ausgesetzt!

Nietzsche aan Von Bülow (nr. 269) – 29 oktober 1872

An Hans von Bülow in München

Basel den 29 Okt. 1872
Verehrter Herr,

nicht wahr, ich habe mir Zeit gelassen, die Mahnungen Ihres Schreibens zu beherzigen und Ihnen für dieselben zu danken? Seien Sie überzeugt, daß ich nie gewagt haben würde, auch nur im Scherze, Sie um die Durchsicht meiner »Musik« zu ersuchen, wenn ich nur eine Ahnung von deren absolutem Unwerthe gehabt hätte! Leider hat mich bis jetzt Niemand aus meiner harmlosen Einbildung aufgerüttelt, aus der Einbildung, eine recht laienhaft groteske, aber für mich höchst »natürliche« Musik machen zu können – nun erkenne ich erst, wenn auch von Ferne, von Ihrem Briefe auf mein Notenpapier zurückblickend, welchen Gefahren der U n n a t u r ich mich durch dies Gewährenlassen ausgesetzt habe. Dabei glaube ich auch jetzt noch, daß Sie um einen Grad günstiger – um einen geringen Grad
natürlich – geurtheilt haben würden, wenn ich Ihnen jene Unmusik in meiner Art, schlecht doch ausdrucksvoll, vorgespielt hätte: mancherlei ist wahrscheinlich durch technisches Ungeschick so querbeinig auf’s Papier gekommen, daß jedes Anstands- und einlichkeitsgefühl eines wahren Musikers dadurch beleidigt sein muß.

Denken Sie, daß ich bis jetzt, seit meiner f r ü h s t e n Jugend, somit in der tollsten Illusion gelebt und s e h r v i e l Freude an meiner Musik gehabt habe! Sie sehen, wie es mit der »Erleuchtung meines Verstandes« steht, von dem Sie eine so gute Meinung zu haben scheinen. Ein Problem blieb es mir immer, woher diese Freude stamme? Sie hatte so etwas Irrationelles an sich, ich konnte in dieser Beziehung weder rechts noch links sehen, die Freude blieb. Gerade bei dieser Manfredmusik hatte ich eine so grimmig, ja höhnisch pathetische Empfindung, es war ein Vergnügen, wie bei einer teuflischen Ironie! Meine andre »Musik« ist, was Sie mir glauben müssen, menschlicher, sanfter und auch reinlicher. Selbst der Titel war ironisch – denn ich vermag mir bei dem Byronschen Manfred, den ich als Knabe fast als Lieblingsgedicht anstaunte, kaum mehr etwas Anderes zu denken, als daß es ein toll-formloses und monotones Unding sei. –

Nun aber schweige ich davon und weiß, daß ich, seit ich das Bessere, durch Sie weiß, thun werde was sich geziemt. Sie haben mir s e h r g e h o l f e n – es ist ein Geständniß, das ich immer noch mit einigem Schmerze mache. –

Macht Ihnen vielleicht die mitfolgende Schrift des Prof. Rohde einiges Vergnügen? Der Begriff des »Wagnerschen Philologen« ist doch neu – Sie sehen, es sind ihrer nun schon z w e i.

Gedenken Sie meiner, verehrtester Herr, freundlich und vergessen Sie, zu meinen Gunsten, die musikalische und menschliche Qual, die ich Ihnen durch meine unbesonnene Zusendung bereitet habe: während ich Ihren Brief und Ihre Rathschläge gewiß nie vergessen werde. Ich sage, wie die Kinder sagen, wenn sie etwas Dummes gemacht haben »ich will’s gewiß nicht wieder thun« und verharre in der Ihnen bekannten Neigung und Hochschätzung

als Ihr stets ergebener
Friedrich Nietzsche.


  1. Seien Sie überzeugt, daß ich nie gewagt haben würde, auch nur im Scherze, Sie um die Durchsicht meiner »Musik« zu ersuchen, wenn ich nur eine Ahnung von deren absolutem Unwerthe gehabt hätte! Leider hat mich bis jetzt Niemand aus meiner harmlosen Einbildung aufgerüttelt, aus der Einbildung, eine recht laienhaft groteske, aber für mich höchst »natürliche« Musik machen zu können… Sie haben mir sehr geholfen – es ist ein Geständniß, das ich immer noch mit einigem Schmerze mache.

Nietzsche’s muziek

Hij schreef muziek – zeker, maar een componist was hij niet…

Zonder muziek kon Nietzsche niet leven. En dat mag je letterlijk nemen. Met de piano kon hij gelukkig prima uit de voeten (handen), en dat al bijna van kindsbeen aan. Improviseren deed hij graag. Zo kon hij z’n sterk gevoelde emoties uiten en ‘een plaats geven’ door ze om te zetten in klank (hier citeer ik NIetzsche bijna letterlijk). En ja, hij schreef z’n invallen en ideeën soms ook op en werkte ze uit, maar een componist was hij niet, hoewel hij zelf lange tijd dacht van wel. Dat heeft hij tot z’n eigen teleurstelling, verdriet, moeten vaststellen, toen hij in de zomer van 1872 de vermetelheid had een compositie waar hij zelf tevreden over was (de Manfred-Meditation, naar een tekst van Byron) aan de grote en door hem bewonderde dirigent Hans von Bülow op te sturen. Het antwoord dat hij kreeg loog er niet om: Von Bülow hoopte dat wat hij ontvangen had een ‘parodie’ was op de veel besproken ‘muziek van de toekomst’ (Wagner, weet u wel, met wie Nietzsche toen nog dweepte). Ware het geen parodie, dan was het onverkwikkelijke anti-muziek… Een flard uit die brief:

Maar ter zake: uw Manfred-meditation is het meest extreme voorbeeld van fantastische extravagantie, het alleronaangenamste en antimuzikaalste dat ik sinds lange tijd op notatiepapier onder ogen heb gehad. Meerdere malen kon ik niet anders dan mezelf afvragen: is dit wel serieus bedoeld, zou het geen grap zijn: had u misschien het voornemen een parodie op de zogenaamde toekomstmuziek te maken?…1

Auwch. Drie maanden later (29 oktober 1872) – hij moest wel even bijkomen van de klap – schrijft Nietzsche een brief aan Von Bülow – om hem te bedanken voor het eerlijke antwoord: het heeft hem de ogen geopend, ookal doet deze waarheid hem nog steeds pijn. Hij is muzikaal, kan zonder muziek niet leven, maar is geen componist. Dat hij zich in 1887 toch weer aan het componeren waagt (en in Ecce homo zijn Hymnus an das Leben de hemel in prijst (met correctie van de slotnoot van de klarinet: de ‘c’ moet een ‘cis’ zijn, briljant), doet daaraan niets af, of beter: bevestigt dat juist.

In 1976 verscheen een kritische uitgave van Nietzsche’s muzikale oeuvre (ed. Curt Paul Janz, Nietzsche-biograaf en musicus). Egon Voss (Wagner-kenner) schreef een bespreking voor ‘Die Musikforschung’ (jg. 32/3) . Lovend over de uitgave, maar – net als Von Bülow – vernietigend over de muziek. Na een paar CD’s te hebben beluisterd, moet ik zeggen dat dit een ‘zutreffende’ evaluatie is, vandaar dat ik hieronder de alinea uit die boekbespreking overschrijf, met daaronder een vertaling in het Nederlands.

Egon Voss over Friedrich Nietzsche, Der Musikalische Nachlass.

[…] Man begegnet einem Komponisten, der sein Handwerk nicht gründlich beherrschte. Daß so viele Stücke Fragmente geblieben sind, hat wohl vor allem damit zu tun. Dabei komponierte Nietzsche durchaus nicht nur konventionell trivial, sondern mit Fantasie. Der Ausdruckswille war jedoch nicht in der Lage, sich die entsprechenden Ausdrucksmittel zu verschaffen. Was wie Kühnheit aussieht, ist doch nur Ungeschicklichkeit im Umgang mit der musikalischen Satztechnik; die unorthodoxe Handhabung traditioneller Regeln scheint weder bewußt noch konsequent angewendet. Es fehlt die Integration in einen eigenen Stil oder zumindest in den Stil einer Komposition. Wegen dieses Mangels an Integration reißt der musikalische Faden so häufig ab, entstehen Löcher in den Melodien. Auch die fertigen Kompositionen machen den Eindruck von Fragmenten. Nietzsche war jedoch nicht ahnungslos-naiv. Mit dem ironischen Titel Fragment an sich über einem nach wenigen Takten abbrechenden Klavierstück gab er seinem gesamten kompositorischen Schaffen das Motto.”


🇳🇱 Nederlandse vertaling

[…] Men ontmoet hier een componist die zijn ambacht niet grondig beheerste. Dat zoveel stukken fragmentarisch zijn gebleven, zal daar ook wel iets mee te maken hebben. Toch componeerde Nietzsche niet enkel conventioneel-triviaal, maar ook met verbeelding. Zijn drang tot expressie ontbeert echter de bijpassende expressie-middelen. Wat stoutmoedig lijkt, is in werkelijkheid slechts onbeholpenheid in de omgang met de regels van de muzikale toonkunst; de onorthodoxe behandeling van traditionele regels lijkt noch bewust noch consequent toegepast. Er vindt geen integratie in een eigen stijl plaats, zelfs niet binnen één compositie. Door dit gebrek aan integratie knapt de muzikale draad geregeld, en vallen er gaten in de melodieën. Zelfs de voltooide composities maken de indruk van fragmenten. Nietzsche was op dit punt echter geenszins onwetend-naïef: Met de ironische titel Fragment an sich boven een pianostuk dat na enkele maten afbreekt (en repetitief wordt, voorzag hij zijn gehele compositorische werk van een passend motto.

Das Fragment an sich

Hieronder het genoemde Fragment an sich (1871): De ‘enkele maten’ die Egon Voss noemt zijn er 22, waarna men ‘melancholisch opnieuw moet beginnen’ (con malinconia), eeuwige wederkeer avant la lettre.


🇬🇧 English translation

[…] One encounters a composer who did not thoroughly master his craft. The fact that so many pieces remained fragments is probably due above all to this. Yet Nietzsche did not compose merely in a conventional or trivial manner, but with imagination. His urge for expression, however, was unable to secure for itself the corresponding means of expression. What appears as audacity is in fact mere clumsiness in handling musical composition; the unorthodox treatment of traditional rules seems neither deliberate nor consistent. There is a lack of integration into a personal style, or at least into the style of a coherent composition. Because of this lack of integration, the musical thread repeatedly breaks off, creating gaps in the melodies. Even the completed compositions give the impression of being fragments. Nietzsche, however, was by no means ignorant or naïve. With the ironic title Fragment an sich above a piano piece that breaks off after only a few bars, he effectively gave his entire compositional oeuvre its motto.

13 oktober 2025, Dick Wursten


  1. in ‘t Duits: Ihre Manfred-Meditation ist das Extremste von phantastischer Extravaganz, das Unerquicklichste und Antimusikalischeste was mir seit lange von Aufzeichnungen auf Notenpapier zu Gesicht gekommen ist. Mehrmals mußte ich mich fragen: ist das Ganze ein Scherz, haben Sie vielleicht eine Parodie der sogenannten Zukunftsmusik beabsichtigt?. De hele brief leest u hier

Nietzsche: ‘De waarheid’ is een vals begrip

Ger Groot [Streven, februari 1982, p. 395-405] – ingekort door Dick Wursten (2025)

In het bovengenoemde artikel, dat u hier in z’n geheel kunt nalezen bespreekt Ger Groot eerst de ‘stand van het Nietzsche onderzoek in Nederland in 1982. Dat is historisch interessant maar niet echt meer van belang voor vandaag. Het gaat over A. Vloemans en F. de Graaff. Voor de liefhebbers heb ik het aan het eind – ingekort – nog opgenomen, als een nostalgisch P.S. Van belang is dit artikel omwille van de poging die Ger Groot doet om enkele grond-intuïties en hoofdlijnen in Nietzsche’s denken aan te duiden. Hij doet dat vanuit Roland Duhamel: Kerngedachten van Friedrich Nietzsche. 7
…. Aanbevolen.

Nuchter, kritisch (Roland Duhamel)

Niet de ‘mythische’ Nietzsche staat hier centraal, maar de criticus, de omverwerper van alle waarheden en waarden die de metafysische traditie tot dan toe hadden gekenmerkt. En dat betekent niets minder dan een aanval op het centrale begrip ‘waarheid’ zelf. ‘De waarheid als schijn te ontmaskeren en de schijn tot eigenlijk hoogste waarheid te verheffen en te doen aanvaarden, daarin zag Nietzsche zijn historische taak’, zegt Duhamel (p. 9), en wij zijn geneigd hem daarin volmondig bij te vallen. Consequent werkt Duhamel deze thematiek, die met recht de kerngedachte van Nietzsche genoemd mag worden, verder uit aan de hand van diens kritiek op de taal en de schijnwereld die deze voortbrengt en als ware wereld (als zijnswereld) poneert, de rehabilitatie van het Worden als (onveilige) grondslag van de wereld en de ‘dialectiek van het nihilisme’, die tenslotte als ‘artiestenmetafysica’ positief geformuleerd wordt. Bij Duhamel zijn nauwelijks mythische categorieën te vinden; waar ze nog wél ter sprake komen, worden ze consequent en duidelijk geïnterpreteerd als instanties binnen dit kentheoretisch-metafysisch perspectief, dat tot aan het einde toe nuchter en verhelderend blijft (al gaat de suggestie dat Nietzsche een voorloper van de moderne mathematische esthetica zou zijn geweest, misschien wat ver). 

Mét Duhamel zijn wij van mening dat de betekenis van Nietzsches denken voor de huidige tijd vooral gezocht moet worden in zijn kritiek op het traditionele waarheidsbegrip. Welke vorm deze kritiek precies aannam, langs welke lijnen zij verliep en wat daarvan de implicaties waren, zal aan de orde komen in het tweede deel van dit artikel, waarin we ons direct op de geschriften van Nietzsche zelf zullen oriënteren.

Een reconstructie (grondlijnen)

Wanneer we hier de grondlijnen van Nietzsches filosofie trachten na te trekken, doen we dat niet volgens een biografische of chronologische orde. De fundamentele inzichten en aanduidingen daarvan liggen over heel Nietzsches oeuvre verspreid en komen slechts zelden thematisch aan de orde. Wat hieronder volgt is dan ook veeleer een reconstructie van de denkbeelden die aan Nietzsches filosoferen richting gaven, maar vrijwel steeds op de achtergrond bleven. We gaan daarbij te werk volgens een indeling in fasen, die evenmin chronologisch moet worden verstaan, maar dient om de interne logica (of liever consequentie) van de gedachtengang duidelijk te maken. We bewegen ons daarbij vrijelijk door het oeuvre heen, waarbij we ons vooral op de meer ‘kritische’ geschriften baseren, m.n. Ueber Wahrheit und Lüge im aussermoralischen Sinn, Die Fröhliche Wissenschaft, Jenseits von Gut und Böse en de Nachlass.

Zoals elk denken berust ook de filosofie van Nietzsche op een oorspronkelijk inzicht, waarachter niet meer terug te vragen valt. Het is een a-priori, dat zich voor de denker zelf meestal als een plotseling oplichten van de waarheid, als een openbaring voordoet en vervolgens in zijn denken de rol van axioma vervult.

Voor Nietzsche lag dat oorspronkelijk inzicht in het wordings-karakter van heel de werkelijkheid. Alles in de werkelijkheid, zo denkt Nietzsche de presocratische filosoof Herakleitos na, is beweging, verandering, is rusteloos stromen en transformatie.

De werkelijkheid is als een patroon van kleuren dat steeds verandert, vlekken die in elkaar overgaan en nooit duidelijk zijn af te bakenen of te isoleren, want op het moment dat je ernaar grijpt zijn ze al weer anders, vervloeid in het geheel van steeds wisselende vormen en patronen.Het is moeilijk deze grondintuïtie helder aan te duiden; ze onttrekt zich juist bij uitstek aan formulering in de taal, zoals we nog zullen zien. Men moet zich de wereld voorstellen zonder daarop categorieën toe te passen, zonder de objecten namen te geven of te classificeren. Wat blijft er dan over? Een neutraal en zinloos geheel van verandering; niet van zelfstandige objecten, want evenmin als de kleurvlekken van hierboven zouden we afzonderlijke objecten kunnen onderscheiden. Het is een zinloos geheel, want evenmin als er classificatie is, kan er betekenis zijn. Iets kan alleen betekenis hebben ten opzichte van iets anders, maar er is geen duidelijk te onderscheiden iets. De enige relatie die valt aan te wijzen, is er een van lineair ontstaan en vergaan, zonder doel of oorsprong. Er is niets, er voltrekt zich alleen een transformatieproces dat alles omvat en waarin alles oplost.

Dat het ons hier zo moeilijk valt dit inzicht te verwoorden en duidelijk te maken is niet verwonderlijk. Het denken (dat altijd een denken in categorieën is) en de taal (waarin men zich altijd van begrippen bedient) vormen precies de tegenpool van deze eeuwig vloeiende, nooit eenduidig aan te vatten werkelijkheid. Er bestaat, zegt Nietzsche, een tegenspraak tussen het absoluut vloeiende en het kennen. De taal, en daarmee het denken, fixeert, ze deelt de wereld in objecten in. Over de werkelijkheid wordt in het spreken en het gearticuleerde denken een raster gelegd, een coördinatenstelsel. Het vloeiende wordt in hokjes gevangen; wat onverdeeld was en ononderscheiden, wordt nu kunstmatig op lijntjes gebracht. ‘In het begin was alles samen; toen kwam het verstand en schiep orde’, zegt Nietzsche. De werkelijkheid wordt in het keurslijf van de taal geperst om haar hanteerbaar te maken. De taal selecteert en legt verbanden; ze maakt de wereld letterlijk be-grijpelijk: voor het begrip én voor het handelen te vatten. Maar een stromende werkelijkheid laat zich niet vangen. Ze glipt tussen de mazen van de coördinatensystemen van taal en denken en tussen de tralies van de grammatica door. Heel duidelijk formuleert Nietzsche dat in de Nachlass: ‘Ons intellect is niet op het begrijpen van het Worden ingericht; het probeert de algemene starheid aan te tonen, omdat het uit beelden is ontstaan. Alle filosofen hebben het doel gehad het bewijs te leveren van de eeuwige standvastigheid, omdat het intellect daarin zijn eigen vorm en werking voelt’. Deze machtsgreep is echter geen willekeurige. Er is geen keuze; hoe tragisch-afhankelijk de mens in zijn bestaan is van deze bedriegelijke grammatica, zullen we verderop nog zien. Nu gaat het er allereerst om te zien dat er van een tegenspraak tussen denken (taal) en werkelijkheid sprake is. Door Nietzsche fraai geformuleerd in de paradoxale uitspraak: ‘Gesteld dat alles Worden is, dan is kennis alleen maar mogelijk op grond van het geloof aan het Zijn’. Alleen waar de wordende werkelijkheid ‘bevroren’ is tot een verstard geheel, dat niet meer stroomt, maar is, en waarin dientengevolge duidelijk omschreven en afgebakende objecten te onderscheiden zijn, heeft het denken houvast en kan het daadwerkelijk een aanvang nemen.

Illusie als noodzaak

Het denken baseert zich op een schijnwereld, een drogbeeld dat het zelf heeft voortgebracht en dat voortaan voor de ware wereld wordt aangezien. ‘De waarheid van het denken is een illusie, waarvan men het illusoire karakter vergeten is’, zegt Nietzsche. De taal, de logica en later ook de wetenschap brengen zo een eigen universum voort, een ‘tweede wereld’, die als een net boven de werkelijkheid van het eeuwige veranderen en dooreenvloeien wordt gespannen. Het is een wereld met een vastliggende structuur, overzichtelijk en vrij van verandering en wordt door Nietzsche meestal aangeduid met de termen ‘leugen’, ‘vergissing’ e.d. Maar in het gewone denken gaat ze door voor de ‘ware’ wereld, want dit is de wereld waarop het denken vat heeft en waarin de logica haar plaats en toepassing vindt. Het is deze kunstmatige wereld die haar voltooiing vindt in alle metafysische stelsels, van Plato tot en met Hegel. De ‘ziekte der woorden’ is zo diep ingekankerd, dat zuiver verbale en logische schijnconstructies (nog vluchtiger dan het misleide denken van alledag) tot hoogste waarheid worden uitgeroepen. Het is de apotheose van het zelfbedrog. Deze denkwijze, die we de metafysische denkwijze zullen noemen, moet echter vroeg of laat vanzelf haar eigen ondergang teweegbrengen. Een denken immers dat zich uitsluitend in een waanwereld ophoudt, moet ooit tot de ontdekking komen dat het op drijfzand is gebouwd en letterlijk nergens over gaat. Nietzsche is het erom te doen, dit moment te verhaasten, twijfel te zaaien aan het dogmatische westerse denken door dit aan zijn wortels aan te vallen. Een wanneer de eerste twijfel eenmaal is binnengedrongen, loopt de wereld van de metafysica als een luchtballon leeg: een vacuüm ontstaat.De innerlijke tendens van het metafysische denken tot zelfvernietiging is het nihilisme dat Nietzsche overal in de westerse wereld ontwaart. Nihilisme: want het westers denken is op nietsgebaseerd. Maar ook nihilisme, omdat de steriele denkconstructies van wetenschap en metafysische filosofie vreemd, zelfs vijandig zijn aan de eigenlijke, de ware wereld die daaronder ligt: de wereld van het leven, de impulsen en, mits men voorzichtig met deze term omspringt, de Wil tot Macht. Na de fase van inzicht in het wordings-karakter van de werkelijkheid gaat het er in deze ‘tweede’ fase om, de metafysische denkwijze als illusie en leugen te ontmaskeren. Twee fasen die elkaar impliceren en vooral tot doel hebben de oorspronkelijke eenheid van de wereld opnieuw te benadrukken. Een eenheid die in de verrukking van de ‘romantische’metafysica over haar eigen drogbeelden zozeer vergeten was, dat alleen de meest radicale kritiek deze weer present kan stellen. Het vernietigend optreden van Nietzsche tegen alles wat deze ‘leugen’ van de verdubbelde wereld mogelijk maakt, moet dan ook uitdrukkelijk in dit perspectief worden verstaan.Pas als deze eerste twee fasen zijn voltooid en de illegitimiteit van elk (‘metafysisch’) denken onontkoombaar is vastgesteld, kan de beslissende wending naar de volgende fase worden gemaakt: de constatering dat de mens niet anders met de wereld om kan gaan dan juist in de vervorming daarvan. De fixatie en de schijn zijn voorwaardenvoor het menselijk bestaan en, zoals we gezien hebben, precies de eigenlijke grond van de ‘verdubbeling’ van de wereld. Want, zegt Nietzsche, stel je de mens eens voor ‘die ertoe veroordeeld zou zijn overal een Worden te zien; zo iemand gelooft niet meer aan zijn eigen zijn, gelooft niet meer aan zichzelf, ziet alles in bewegende punten uiteenvloeien en verliest zichzelf in deze stroom van Wording’.Het is dus niet de vervorming, de fixatie van de wereld, zelf die Nietzsche in het metafysische denken aanvalt, ook al heeft het daar, om didactische redenen, aanvankelijk wel de schijn van. De negatie van het worden en de fixatie van de eeuwig vloeiende beweging, zodat er een vaste, begrijpbare wereld ontstaat, is noodzakelijk voor het leven. Pas op grond van deze negatie, deze Irrtum, is de wereld ‘betekenisvol, diep, prachtig, draagt ze geluk en ongeluk in haar schoot’ en kan er iets ‘werkelijk menselijks’ ontstaan. Nietzsche zoekt niet een denken dat zelf tot in de wortels vloeiend is, want zo’n denken zou zich nooit kunnen articuleren. Hij zoekt een denken dat zich bewust is van het geweld dat het de werkelijkheid aandoet, aan moet doen terwille van de mogelijkheid tot leven. Het subject, dat in werkelijkheid een vloeiend conglomeraat van driften is, moet zich substantiveren om in de machtsstrijd met de omgeving staande te kunnen blijven. Nietzsche erkent dus de noodzaak van de fixatie, maar alléén in zoverre deze voor het leven noodzakelijk is. De kritiek vangt aan dààr waar de metafysische drift zijn grenzen overschrijdt, waar deze vergeet dat zij slechts op drijfzand en schijn is gebouwd en de pretentie van ‘waarheid’ gaat koesteren. Dààr wordt de metafysica tot leugen in de volle zin van het woord, waar ze haar schamele afkomst vergeet en zichzelf verheft tot aeterna veritas, eeuwige waarheid.

Een ‘vrolijke wetenschap’

De illusie is een eeuwig fenomeen, waaraan men nooit ontsnapt. Het kan er dus, voor Nietzsche, niet om gaan deze illusie te bestrijden in naam van een andere waarheid. Integendeel, wanneer men eenmaal inzicht heeft gekregen in het hachelijke, ongefundeerde karakter van het denken zelf, is de enige legitieme keuze die men nog kan maken, deze bewust te aanvaarden: ‘Men moet zelfs de illusie willen – daarin ligt het tragische’.

Tragisch, want dat betekent een radicale demystificatie van ons eigen denken en bestaan en de afbraak van heel wat hoge zuilen waarop wij onszelf hebben geplaatst. Het vergeten van het ongefundeerd karakter van ons denken is immers niet zonder reden. Het denken van het eeuwige worden van de wereld is, zoals we al gezien hebben, een onthutsende en bedreigende zaak. Men ziet de wereld in haar werkelijkheid, maar daarin verliest men zich ook, opgaande in de indifferente stroom van verandering. Daarom slaat het intellect, uit lijfsbehoud, een breuk in deze wereld, en trekt het zich veilig op zichzelf terug. Het stelt zich absoluut, omdat het zijn eigen eindigheid niet durft te denken; omdat het slechts moed heeft te bestaan in een wereld waarin het zelf eeuwig is.Nietzsche wil een heroïscher houding. Hij wil een mens die weliswaar nog steeds gedwongen is ‘vals’ te denken, maar die dat weet en zich daarvan bewust blijft, en zodoende de eenheid van al het bestaande vasthoudt. Deze mens aanvaardt de wereld en haar onzekerheid zoals zij is; hij aanvaardt zelfs zijn eigen ondergang, omdat die nu eenmaal tot het rad van het Worden behoort. En hij aanvaardt deze tragische situatie lachend en vreugdevol. Het is de dionysische houding die voortkomt uit het beamen van en verlangen naar ‘vernietiging, naar verandering, naar het nieuwe, naar de toekomst, naar het worden’, en staat in radicale tegenstelling tot het, uit levensarmoede voortkomende, ideaal van de romantiek en het 19e-eeuwse pessimisme: ‘het verlangen naar star-maken, vereeuwigen, naar Zijn’. Daarmee is de laatste fase van het ‘therapeutisch’ proces voltrokken. Is dit de Uebermensch die Nietzsche voor ogen stond? Ontdaan van alle, op haar beurt weer hoogst romantische, retoriek die Nietzsche rond deze persoon geweven heeft, lijkt het daar wel op neer te komen. Dit is de mens die bewust leeft met zijn noodzakelijke illusies en die, om het illusoire karakter daarvan niet te vergeten, speelt met alle waarheden; die waarheid schept en vernietigt en weet dat er geen verschil is tussen ‘zijn’ en ‘schijn’. Nietzsche zoekt naar een denken dat de overgeleverde categorieën van de westerse metafysica overstijgt en vernietigt, om te komen tot dit inzicht waarin er geen waarheid meer bestaat en alles vloeit. Maar hij voert die guerrilla van binnen uit. Hij maakt zich afwisselend sterk voor de afzonderlijke polen van dit denken, om uiteindelijk heel het metafysisch bouwsel aan interne spanningen ten onder te doen gaan en plaats te maken voor een wereldconceptie waarin het worden als gerechtvaardigd verschijnt. De waarheid is menselijk maaksel, dat staat inmiddels vast. Maar het oude denken is taai. Het lijkt erop dat Nietzsche zichzelf vermaant, wanneer hij schrijft: ‘Wat is dat voor een clown, die zou menen dat het voldoende is op de oorsprong en nevelsluier van deze waan te wijzen, om de als essentieel geldende wereld, de zogenaamde “werkelijkheid” te vernietigen! Alleen scheppend kunnen wij vernietigen’. De schepping van een nieuwe filosofie op de fundamenten van deze verwoesting is noodzakelijk om de eeuwige drift tot ‘metafysisch’ denken blijvend weerstand te kunnen bieden. Dat is de functie van Nietzsches leer van de Eeuwige Terugkeer: een denken in circulariteit komt wellicht nog het dichtst in de buurt van de eeuwige realiteit van het worden. Wij laten deze ‘nieuwe metafysica’ (die veeleer een parodie op de metafysica is) hier voor wat ze is. Sterker nog dan al hetgeen tot nu toe is gezegd, is ze vatbaar voor de vraag hoe het, wanneer alle waarheid wordt ontkend, dan wel staat met de waarheid van hetgeen Nietzsche zélf proclameert. Ook hier, ook in al het voorgaande, is immers ongemerkt sprake van een bevestiging: ‘zo is het’, een waarheid die zichzelf absoluut wil.Nietzsche was zichzelf daarvan ook zeer wel bewust. In de tragische keuze tussen een spreken waarin hij zijn eigen inzichten steeds weer half verraden zou, en een definitief zwijgen, koos hij voor het eerste. Omdat de mens die zich van zijn eigen ‘vals’ spreken bewust is, dit ook blijmoedig op zich neemt, juist omdat hij daarin tegelijk ontkent wat hij beweert. Als er dan toch gesproken moet worden, dàn bewust in een spel van scheppen en vernietigen; een spel, een lichtheid die Nietzsche vooral in de kunst verwerkelijkt zag. Méér dan in de pathetische Uebermensch-dromen en de onbezonnen lof op een schendende Wil tot Macht, vindt Nietzsches filosofie hier, in deze ‘artiestenmetafysica’, zoals ook Duhamel terecht zegt, zijn werkelijke voltooiing. De filosoof wordt opnieuw, zoals ooit de Grieken, ‘oppervlakkig – uit diepte!’; de filosofie een lichtvoetige kunst, een ‘vrolijke wetenschap’.


P.S. stand Nietzsche onderzoek ca. 1982

Vooral na de Tweede Wereldoorlog is Nietzsche niet meer weg te denken uit het Westerse denken. In Duitsland was het Martin Heidegger, in Frankrijk waren het de filosofen van de structuralistische school die zich diepgaand met Nietzsche bezighielden en tot in de wortels van hun denken aan hem schatplichtig bleven, vooral de laatsten. Voor het grotere publiek kwam de grote doorbraak pas in de tweede helft van de jaren zeventig, in het Nederlands taalgebied duidelijk gemarkeerd door de talrijke Nietzsche-vertalingen die plotseling op de markt begonnen te verschijnen. Na de dood van de vertaler Pé Hawinkels viel er enige tijd een stilte, die echter in 1979 doorbroken werd met de vertaling van Voorbij goed en kwaad van de hand van Thomas Graftdijk, die het project voortzette (Arbeiderspers, Amsterdam), prettig leesbare, zij het niet geheel vlekkeloze vertalingen, die vooral de penetrante stijl van Nietzsches geschriften op wonderbaarlijke wijze in het Nederlands hebben weten te behouden. (update 2025: Een bijna overdaad aan nieuwe en ‘verbeterde’ versies van reeds bestaande heeft de markt overspoeld. Uitgeverij Boom en Arbeiderspers zijn de grootste spelers en wedijveren hier met elkaar, DW) Inmiddels is er ook de tekstkritische uitgave van Nietzsches geschriften, de Kritische Gesamtausgabe, verzorgd door Giorgio Colli en Mazzino Montinari, en waarvan het eerste deel al in 1968 uitkwam (update 2025: Dit is zonder meer het standaardwerk, inmiddels ook in het Nederlands vertaald. Vooral de briefwisseling en de nieuwe uitgave van de ‘niet gepubliceerde aantekeningen’ heeft de Nietzsche interpretatie enorm vooruitgeholpen. Falsificatie van de these dat ‘De wil tot macht’ Nietzsche’s Unvollendete zou zijn. Hij blijkt zelf deze ‘bundeling’ van gedachten te hebben opgegeven (in de zin van abandoned).  1  Ger Groot behandelt de studie van A. Vloemans (conclusie: “Nietzsche wordt getekend als een, ondanks alle innerlijke kracht en grootheid, wat beklagenswaardige figuur, die lijdt aan een diepe onzekerheid en uiteindelijk in zijn waanzin slachtoffer wordt van het denkgeweld dat hij zelf heeft ontketend”) en F. de Graaff  (conclusie: “Men kan zich toch niet aan de indruk onttrekken dat het denken van Nietzsche in verregaande mate ondergeschikt is gemaakt aan de chiliastische fantasieën van de heer de Graaff zelf.”).

Herzlich lieb hab ich dich o Herr

luisterpagina bij de uitgebreide toelichting (tekst en vertaling, achtergrond)

Michael Praetorius

Eenvoudige, elegante zetting van Michael Praetorius (Musae Sioniae VIII, nr. 202) uit 1610. Praetorius gebruikt een oudere versie van de melodie dan de huidige (EKG 397). Een gepunte beginnoot, en bij het ‘reciterende’ stuk ook een zinsdeel in achtsten, en bij de climax aan het eind neemt hij de tijd. Fraaie harmonisatie.

Hieronder het lied zoals het in 1597 in een Gesangbuch uit Dresden is gepubliceerd.

Heinrich Schütz

Heinrich Schütz had het niet zo op koralen (het Beckerse Psalter is de uitzondering op de regel, maar dat was ‘werk in opdracht’). Echter, de enkele koraalconcerten die hij geschreven heeft, zijn de moeite waard. Niet het vele is goed, maar het goede is veel ! Dit is er één van. Uit de Geistliche Chormusic (Musicalia ad chorum – Latijnse titel, 1648; chor is niet een koor in onze betekenis, maar de term voor elk stemmen-ensemble (zowel vocaal als instrumentaal zoals de ondertitel zegt “vocaliter und instrumentaliter zu gebrauchen“. Dus 6 zangsolisten mag, maar ook 1 zanger met instrumenten. Of zang met instrumentverdubbeling. Kies maar)
Schütz betitelt dit stuk als ‘aria’ (in elk stemboek, behalve in de sextus). Alle drie de coupletten worden op dezelfde muziek gezongen, ook de laatste Ach Herr, lass deine Engelein… (in de onderstaande editie – en veel uitvoeringen – wordt die weggelaten, maar ze staat wel degelijk in de originele stemboeken).

Of deze door Weser-Renaissance o.l.v. Manfred Cordes puur choraliter (zonder b.c.)

Franz Tunder

Heel fraai geestelijk concert van Franz Tunder (1614-1667) over het laatste couplet : Ach Herr, lass deine liebe Engelein… Die strofe kun je het protestantse antwoord op het roomse in Paradisum noemen. Leg ze maar eens naast elkaar (engelen, abrahams schoot). Zoek naast de overeenkomsten dan ook de verschillen. Uitvoering door het Ricercar Consort: Greta De Reyghere – soprano | François Fernandez – violin | Ghislaine Wauters – viola | Philippe Pierlot – bass viol | Kaori Uemura – bass viol | Bernard Foccroulle – organ

Dietrich Buxtehude

Een van zijn cantates, geestelijke concerten. Hieronder een inmiddels historische opname: het nieuwjaarsconcert ten paleize 1999. Currende o.l.v. Erik Van Nevel (met o.a. als bas: Willem Ceuleers, maar dit terzijde). Buxtehude neemt uitgebreid de tijd om alle drie coupletten van z’n eigen sfeer (instrumentatie en toonzetting) te voorzien. Zeer fraai. Kunt u niet tegen de oude vervormde camerabeelden (excuus, het was een VHS), dan staat er een andere ondere (Anima Eterna o.l.v. Immer Seel)

Below the oldest form of the tune/text (Zahn 8326) juxtaposed with the common tune (EKG 397)