Nietzsche’s gepoch en de ironie van Socrates
overgenomen van (vertaald) een blog ‘dyssebeia’
Ik (= de persoon achter ‘dyssebeia’) heb twee stukken geschreven over de relatie tussen Nietzsche en Plato (en Plato’s Socrates), waarin ik beargumenteerde dat Nietzsche veel van Plato heeft overgenomen, zowel qua stijl als qua inhoud. (Het is overigens vermeldenswaardig dat Nietzsche en Plato twee filosofen zijn bij wie de inhoud onlosmakelijk verbonden is met hun stijl: je kunt niet begrijpen wat ze zeggen zonder te begrijpen hoe ze het zeggen. Een zorgvuldige lezing van de inhoud rechtvaardigt hun stijl, en een zorgvuldige bestudering van hun stijl versterkt de inhoud.) Maar hoewel Nietzsche duidelijk veel heeft geleerd aan de voeten van Plato, zag hij Socrates uiteindelijk wel als een vijand (wat niet betekent dat hij hem niet als een goede vriend beschouwde — zie de prachtige passage in het eerste deel van Aldus sprak Zarathoestra waarin Zarathoestra vrienden en vijanden bespreekt). Daarom is het ook de moeite waard om te kijken hoe Nietzsche zich afzet tegen Plato/Socrates, niet alleen qua inhoud, maar ook qua stijl.
Dit stuk is een poging daartoe. Het is slechts een startpunt; een poging om een bepaald aspect van Nietzsche’s werk te karakteriseren en na te denken over de mogelijke betekenis ervan.
Nietzsche pocht, Socrates is ironisch.
Deze feiten vallen elke lezer van Nietzsche of Plato direct op. Nietzsche lijkt een komisch opgeblazen beeld van zijn eigen waarde te hebben, terwijl Plato’s Socrates de meeste dialogen begint door te doen alsof hij dom is en zijn gesprekspartner wijs, terwijl precies het tegenovergestelde waar is. Een manier om de moeilijke verklaring voor deze stilistische keuzes te omzeilen — althans in het geval van Nietzsche — is door te suggereren dat hij simpelweg een extreem hoge dunk van zichzelf had (waarschijnlijk waar) en dat dit doorsijpelde in zijn schrijven. Maar Nietzsche reflecteerde vaak op zijn eigen stijl, en het is (denk ik) ongeloofwaardig dat hij geen specifiek doel voor ogen had wanneer hij zulke boude beweringen deed. Om dit doel te begrijpen, is het nuttig om eerst te begrijpen waarom Socrates ironisch is; ik wil suggereren dat Nietzsche’s gepoch precies een poging is om zichzelf neer te zetten als het tegenovergestelde type van Socrates.
Eiron vs. Alazon
Jerrald Ranta betoogt in een essay over Plato’s Ion (“The Drama of Plato’s ‘Ion’”) dat Plato Socrates en zijn gesprekspartner (Ion) neerzet als varianten van karaktertypen uit de Oudgriekse komedie. Aan de ene kant is er de Eiron, de ironische man “die zijn arsenaal aan bedrog maskeert achter een schijn van alledaagse goedmoedigheid… maar je voortdurend laat merken dat hij je zou kunnen verlichten als hij dat wilde, en je zo belachelijk maakt” (Ranta citeert Francis Cornford’s The Origin of Attic Comedy). Tegenover de Eiron staat de Alazon, de pocherige braller “die offers, kooksessies of feesten verstoort en een onverdiend aandeel in de vruchten van de overwinning opeist” (opnieuw Cornford). Of simpeler gezegd: “Waar de bedrieger beweert hogere kwaliteiten te bezitten dan hij heeft, is de ironische man geneigd zich minder voor te doen dan hij is.” Beiden zijn “onbeschaamde en absurde pretendenten.”
Bij Plato wordt Alazon “voortdurend gekoppeld” aan het woord voor ‘leugenaar’ — kortom, de Alazon is een tegenstander van de liefde voor wijsheid die Socrates promoot. Socrates’ gesprekspartners doen allemaal alsof ze over speciale kennis beschikken (over wat goed, waar of mooi is), en lijken in dat opzicht op de Alazon. Daarom is het logisch dat Plato Socrates neerzet als een Eiron die hen uitlokt, hen vleit terwijl hij zijn eigen waarde wegcijfert, om hen uiteindelijk belachelijk te maken. Socrates is echter geen zuivere Eiron in de klassieke zin. De Eiron en de Alazon staan traditioneel als uitersten tegenover elkaar rondom het (Aristotelische) gemiddelde van de waarachtigheid. Socrates streeft echter naar waarheid; voor zover hij de Eiron speelt, is dat een masker dat hij draagt om mensen tot waarachtigheid te verleiden, om hen als het ware naar het filosofische, onderzochte en waarachtige leven te ‘lokken’.
Bij Nietzsche wordt, ondanks al zijn proto-postmoderne kritiek op het begrip waarheid, een vergelijkbare hoge waarde gehecht aan waarachtigheid en eerlijkheid. Wat ik wil suggereren is dat, net zoals Socrates probeert mensen tot waarachtigheid te verleiden door de rol van de Eiron te spelen, Nietzsche probeert mensen tot zijn vorm van waarachtigheid te verleiden door de rol van de Alazon te spelen: de bedrieger, de pocherige braller.
Waarom zou Nietzsche dit doen? Eén reden is om zichzelf tegenover Socrates te plaatsen, om Socrates als tegenstander te nemen. Maar waarom op precies deze manier? Om dat te begrijpen, moeten we nadenken over hoe Socrates en Nietzsche over waarheid denken.
Voor Socrates zijn waarheid, wijsheid, schoonheid en het goede universele vormen (of zijn ze dezelfde vorm?). Ze zijn eeuwig en tijdloos; ze bezitten een stabiel ‘Zijn’ voorbij het eindeloos veranderende ‘Worden’ van de materiële wereld. Streven naar waarheid of wijsheid is streven naar kennis van deze vormen. In dit opzicht is het de moeite waard om Socrates’ beroemde bewering te herinneren dat hij alleen weet dat hij niets weet. In het Symposion diagnosticeert Socrates de liefde als een vorm van verlangen, en betoogt hij dat men alleen kan verlangen naar wat men mist. Aangezien filosofie letterlijk ‘liefde voor wijsheid’ is, kan het filosofische leven alleen een leven zijn waarin men naar wijsheid verlangt — en dus een leven waarin men wijsheid ontbeert. Socrates, als de paradigmatische filosoof die het onderzochte leven leidt, moet volgens zijn eigen argumenten inderdaad niets weten. Hij kent de vormen niet, maar hij heeft ze lief en streeft ernaar ze te kennen. In dat opzicht schuilt er een diepe waarachtigheid in zijn rol als Eiron: hoewel hij zijn gesprekspartners duidelijk voor de gek houdt door te doen alsof hij minder weet dan zij, liegt hij niet wanneer hij beweert niets te weten. Dat hij niets weet, is immers het enige wat hij wel weet. Socrates zet een masker op om de Eiron te spelen, maar hij doet dat omdat het masker past. In zekere zin moet het filosofische leven voor Socrates wel ironisch zijn. Hieraan moet ik nog kort toevoegen dat de vormen, omdat ze eeuwig en tijdloos zijn, voor alle mensen hetzelfde zijn. Wie het filosofische leven ook leidt, men streeft naar dezelfde vormen.
Nietzsche daarentegen ziet dit streven naar een wereld voorbij de materiële wereld als een ziekte, een gebrek aan vitaliteit. Denk aan mijn vorige stuk over Nietzsche en Socrates: Nietzsche ziet de wijsheid die Socrates promoot als slechts een “kleine rede”, en in plaats daarvan pleit hij voor de “grote rede” van het lichaam. Voor Nietzsche bestaat er niets buiten het lichamelijke en materiële; er is geen wereld buiten deze wereld. Er zijn geen onveranderlijke vormen. Er is geen Waarheid, alleen mijn waarheid en jouw waarheid. (Ik ga ervan uit dat iedereen die dit leest intelligent genoeg is om dit niet te zien als een kans om beledigd te zijn namens de objectiviteit van wetenschappelijk onderzoek, maar inziet dat dit volledig aan het punt voorbij zou gaan.) Voor Socrates kan zinvol worden gezegd dat er één manier is om het onderzochte leven te leiden, om waarachtig (met een hoofdletter W) te zijn. Voor Nietzsche is er echter geen eenduidige manier om waarachtig te zijn. Het kan nog steeds een grote deugd zijn om waarachtig te leven, om in de diepe, troebele wateren van de waarheid te duiken, ongeacht welke verschrikkelijke wezens men daar aantreft, maar wat dit precies inhoudt is niet langer voor iedereen hetzelfde.
Desondanks is het project van Nietzsche, net als dat van Socrates, om iets te zeggen over hoe mensen zouden moeten leven. Nietzsche gelooft dat hij iets basaals en waardevols heeft ontdekt over het soort leven dat de moeite waard is — juist daarom kan hij zich überhaupt tegenover Socrates opstellen. Waar hij zich tegen verzet, is Socrates’ visie op het waardevolle leven. Het is niet zozeer dat Nietzsche denkt dat het onderzochte leven niet de moeite waard is (Nietzsche leidde immers zelf een meer onderzocht leven dan de meesten), maar hij is desalniettemin een tegenstander van Socrates.
Deze spanning in Nietzsche’s project — dat de waarheid die hij wil vertellen juist het vertellen van de waarheid lijkt uit te sluiten, of althans het vertellen met het doel om te overtuigen — ligt aan de wortel van zijn levenswerk, en Nietzsche erkende dit. Waar Socrates tekortschiet ten opzichte van de universele, eeuwige waarheid die hij wil vertellen en dus van nature geschikt is voor de positie van een Eiron, overschrijdt Nietzsche de grenzen van wat zijn persoonlijke, historisch bepaalde waarheid hem toestaat te vertellen, en wordt zo een Alazon. Net zoals Socrates verschilt van de traditionele Eiron doordat hij uiteindelijk wordt gedreven door waarachtigheid, zo is Nietzsche een Alazon die de waarheid slechts overschrijdt om mensen ertoe te “verleiden” en hen ernaar te “verheffen”. Waarachtigheid ligt ten grondslag aan de verdraaiingen van de waarheid bij zowel Socrates als Nietzsche.
Zoals gezegd erkende Nietzsche dit aspect van zijn werk. Een krachtige illustratie hiervan is te vinden in Aldus sprak Zarathoestra. In het eerste deel houdt Zarathoestra toespraken, zoals Jezus preken hield. Maar waar Jezus zich prettig voelde bij het hebben van discipelen en volgelingen, wordt de mogelijkheid van een discipel te worden/zijn, expliciet uitgesloten door de inhoud van Zarathoestra’s toespraken.
Zarathoestra predikt een bepaalde set waarden, waarvan één het wantrouwen van alle waarden is — en als dit enige betekenis wil hebben, moet dit ook gelden voor de waarden die Zarathoestra zelf verkondigt.
Zarathoestra benoemt deze spanning op verschillende momenten (bijvoorbeeld wanneer hij degenen die zijn boodschap horen adviseert hem te volgen — waarheen zij maar willen), nergens duidelijker dan aan het einde van het eerste deel. Daar, wanneer Zarathoestra tot zijn discipelen spreekt voordat hij terugkeert naar zijn grot, vermaant hij hen om hem te vergeten, om hem te verwerpen — pas dan zal hij bij hen terugkeren. Volgens de analyse die ik hier heb ontwikkeld, vertelt hij hen dat ze moeten inzien dat hij slechts een Alazon is, een pocher, een bedrieger — ze moeten de waarheid zelf vinden, en dat betekent dat ze Zarathoestra moeten ontdekken zoals hij werkelijk is. (discovering for what he is (discover, ont-dekken, ont-hullen, ont-maskeren)
