Hermann Prey: ich steh an deiner Krippe…

Ik kniel aan uwe kribbe neer…

Het lied van Paul Gerhardt wordt gezongen door Hermann Prey (bariton). Vooraf leest Will Quadflieg voor uit Lukas 2. De opname/release dateert uit 1966. En de LP heeft een verhaal

[lees verder onder de video]

De kerstplaat werd opgenomen in de zomer van 1966 – het zou Fritz Wunderlich’s (tenor) laatste studio-album worden. In september 1966 kwam hij om het leven door een ongeluk (val van de trap). Hij was pas 36 jaar. In november 1966, twee maanden na zijn dood, werd de plaat uitgebracht. Het bevatte een rouwrand en een in memoriam van Hermann Prey, goede vriend en collega. Zijn tekst kunt u hieronder lezen (uitvergroting van de keerzijde van de LP-hoes).

NBV21 – Less is more

Mijn zoon, zo ge dichter wilt worden,
gewen uw pen om te delgen.

Hebt ge zeven woorden geschreven,
gij zult er zes met de ban slaan.

Ida Gerhardt, ‘Dichterspreuken I’ (uit de bundel Het sterreschip)


Het begin: de eerste verzen van Genesis 1

1In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2De aarde was woest en doods, duisternis lag over de oervloed, en over het water zweefde Gods geest.

Zo begint de Nieuwste Bijbelvertaling, de NBV21. In de oorspronkelijke versie uit 2004 stond er één woordje meer: ‘De aarde was nog woest en doods’. Ook is er één voegwoord vervangen: De slotzin begint nu met ‘en’. Oorspronkelijk stond er het tegenstellende ‘maar‘.

Is dit belangrijk? Jazeker. Het is een kwestie van brontekstgetrouwheid (het eerste principe van het NBV-vertaalcharter).
nog: In het Hebreeuws staat geen tijdsaanduiding. ‘nog’ is dus een toevoeging. Heeft de doeltaal die toevoeging nodig (= tweede vertaalprincipe van NBV): Antwoord ‘neen’. Dus geschrapt.
en: Het hebreeuwse voegwoord dat gebruikt wordt is meerduidig. Het kan tegenstellend zijn, maar dat hoeft niet. Is hier een tegenstelling verondersteld in de tekst? neen. Dus open laten.

Less is more bij vertalingen.
Elke onnodige toevoeging brengt namelijk een stukje uitleg aan in de tekst. En daar moeten we mee oppassen. Want uitleg in de vertaling, beneemt het zicht op de tekst, of beter: stuurt het spreken van de tekst. Door de toevoeging weg te halen, en de tegenstelling in het midden te laten kan de lezer bijv. ook spontaan op andere gedachten komen bij het lezen. Bijv. de alternatieve vertaling die in de voetnoot genoemd wordt blijft zo mogelijk:

1In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2De aarde was woest en doods, duisternis lag over de oervloed, en een geweldige wind joeg over het water…

Laat God zelf aan de kar trekken..

Een origineel lied voor Hervormingsdag (van Zwingli)

Het origineel van Zwingli’s Lied Heer stuur zelf het schip der kerk (gezang 306) is veel interessanter dan de vertaling doet vermoeden.

Herr, nun heb den Wagen selb.
Schelb wird sunst all unser Fart,
Das brächt Lust der Widerpart,
Die dich verachten so freventlich.

Gott erhöh den Namen din
In der Straf der bösen Böck!
Dine Schaf wieder erweck,
Die dich lieb habend so inniglich.

Hilf, daß alle Bitterkeit
Scheide fern, und alte Treu
Wiederkehr und werde neu,
Daß wir ewiges lob singend dir!

Het beeld dat Zwingli kiest voor de ‘kerk’ is : een kar, een boerenwagen… helaas verdwenen in de vertaling in het Liedboek (‘Heer stuur zelf het schip der kerk‘ –  in navolging van de Franse versie: notre barque est en danger.) Het is trouwens ook een knap gedicht/lied, rederijkersrijk aan binnen- en buitenrijm. Val niet over het lastige ritme van de laatste regel. Als je de melodie correct zingt, loopt ze vanzelf. Eigenlijk bidt/zingt Zwingli hier :

Heer trek gij zelf de kar van uw kerk,
want als wij het doen, schiet het niet op
en dan is het gauw gedaan met ‘Gods volk onderweg’.
en ligt de kar beneden in het ravijn...

De gedachtengang spreekt mij veel meer aan dan het klassieke beeld van het ‘bootje in de storm, het schip der kerk’. Trouwens: Het is ook gewoon waar wat Zwingli hier zegt ! God moet de kar trekken… Wij zijn – hoe hoog geplaatst en invloedrijk – nooit meer dan zijn ‘hulpjes’.

Bach & Bijbel

Lezing over Bachs bijbel

Spreker:  Dick Wursten, historicus en theoloog

Wat geloofde Bach zelf eigenlijk? Was hij een ‘vijfde evangelist’ zoals men vroeger wel eens schreef, of was hij gewoon een ambachtsman in dienst van de kerk? Niemand die het weet, want Bach heeft zich over die zaken nooit uitgesproken.

Of toch? In de vorige eeuw werd geheel bij toeval een 17de eeuwse Bijbel met aantekeningen gevonden in Amerika, die aan Bach bleek te hebben toebehoord. Sterker nog: hij heeft passages onderstreept, en af en toe in de kantlijn opmerkingen geplaatst. Niet voor publicatie, maar voor zichzelf.


Pas sinds kort beginnen onderzoekers te beseffen welk een schat aan informatie hierin verborgen zit. De kriebels in de kantlijn, de enkele uitgebreide aantekeningen en de vele onderstrepingen geven ons een inkijkje in Bachs hart.

Dick Wursten neemt ons bij de hand en laat aan de hand van deze bijzondere bijbel zien wat Bach nu echt dacht over de rol van muziek in de eredienst, over het geloof en het christelijk leven.

De Bachliefhebber en boekenuitgever Dingeman Van Wijnen heeft enkele jaren geleden
een facsimile-editie van de ‘Bach-bijbel’ laten maken. Tijdens de lezing zal er een inkijkexemplaar aanwezig zijn.

https://bachindestad.be/evenementen/bach-bijbel/

Een plek om op verhaal te komen

Wat was eigenlijk Jezus’ favoriet plek ?

Van Jezus weten we veel, maar tegelijk ook weinig. Zo kennen we de kleur van zijn ogen of haar niet, we weten niet hoe groot (of klein) Hij was, of Hij een bas-, bariton of tenorstem had. We weten niet waar zijn huis stond als Hij dat had; al vermoeden we dat Hij in Kapernaüm woonde. En als Hij in Jeruzalem was: waar sliep Hij dan? Op de Olijfberg? Vast wel, maar meestal zal Hij toch wel gelogeerd hebben bij een van z’n vrienden of vriendinnen (in Betsaïda bijvoorbeeld bij Maria, Martha en Lazarus). Wat we wel weten, is dat Hij overdag het liefst in de tempel vertoefde.

Bij het woord tempel moet je niet denken aan een plek waar een gewijde stilte hangt. Nee, ik denk eerder aan een ‘grote Markt’ in een mediterrane stad, met zuilengalerijen (stoa, in het Grieks). En denk er het geroezemoes van de handelaren maar bij; gesprekken met priesters of discussies tussen Schriftgeleerden. Een constant komen en gaan van mensen. Jezus was er graag. Het is daar, op die plek, dat Hij het evangelie heeft verkondigd. Niet roepend vanaf een zeepkist of galmend vanaf een kansel, nee: in de gewone dagelijkse gesprekken met mensen die Hij daar tegenkwam ‘geschiedde het evangelie’. ‘Dagelijks was Ik bij jullie in de tempel om onderricht te geven’, zegt Hij bij zijn arrestatie (Marcus 14:49).

Voorhof

Ik denk zelfs dat ik weet waar Hij het liefste zat in de tempel: op de trap in de ‘voorhof der vrouwen’. Hoe ik dat weet? The Bible tells me so. Ik weet niet hoe het met u is, maar ik probeer me bij het lezen van bijbelverhalen altijd de situatie voor te stellen. Ik wil Jezus zien, de mensen om Hem heen, de gebouwen op de achtergrond, de straatstenen, de bomen, het licht, het geluid. En als ik lees dat Jezus – na een nacht te hebben doorgebracht op de Olijfberg – de volgende ochtend weer in de tempel was, en ging zitten (Johannes 8:2), dan stel ik me dat ook echt voor. En dan vraag ik me af: waarop ging Hij dan zitten? Want denk maar niet dat daar banken en stoeltjes stonden. Nee, de enige plek waar je kon gaan zitten in de tempel is op een traptree tussen de verschillende ‘voorhoven’.

Vreemde vrijspraak

Op die plek is het, dat enkele rechtzinnige gelovigen komen aangestormd en een vrouw voor Hem neerwerpen die overspel heeft gepleegd. Enfin, je kent het verhaal. Je ziet het voor je. Jezus tekenend in het zand, je hoort de stenen één voor één vallen in het zand als de mannen afdruipen. Dat is allemaal gebeurd bij de trap aan het eind van de ‘voorhof der vrouwen’. Echt waar, want als Jezus na die vreemde vrijspraak een heel nieuw licht op het wereldgebeuren heeft geworpen, besluit de evangelist de episode met de droge mededeling: ‘Dit zei Hij bij de schatkamer van de tempel, waar Hij onderricht gaf’ (Johannes 8:20). Dezelfde plek overigens als waar de weduwe haar penninkske in de offerkist werpt en Jezus de financiële wereld op zijn kop zet door haar gift de hemel in te prijzen (Marcus 12:41). En dat is rechts van de trap die toegang verschafte naar de Voorhof (waar de vrouwen niet mochten komen. Tsja, andere tijden)

Een derde plek

Wat wil ik hier nu eigenlijk mee zeggen? Niet zoveel. Ik wil er alleen maar op wijzen dat het evangelie in zijn oervorm niet wordt meegedeeld in een speciaal daarvoor ingericht gebouw (zoals een kerk), maar op wat de Amerikaanse socioloog Ray Oldenburg ooit genoemd heeft een ‘third place’, een van die speciale plekken in de mensenwereld waar je met je vrienden naartoe gaat, waar je van gedachten wisselt, je hart lucht, ervaringen deelt, verhalen vertelt. Sinds de pandemie op z’n laatste benen loopt (fingers crossed) weten we weer precies waar die plekken zijn: de Graslei in Gent, de kaaien in Antwerpen, de terrassen voor de cafés. Skatepleinen, speeltuinen, parken en hangplekken.

De eerste plek, aldus Oldenburg, is je (t)huis. De tweede is je werkplek, die je deelt met collega’s. Allebei belangrijk, maar daarnaast hebben mensen informele plekken nodig om elkaar te ontmoeten: ‘third places’. Het gesprek is er ontspannen, er hoeft niets, maar er gebeurt veel. Je kunt er (weer) ‘op verhaal komen’. Lokale bibliotheken en boekhandels proberen zich vandaag de dag om te vormen tot zulke third places. Gelijk hebben ze! De ‘voorhof der vrouwen’ was er ook eentje. En ik vraag me af: waarom zouden onze kerken (en de ruimtes eromheen) niet zo’n derde plek kunnen worden? Zet ze open en laat maar komen, laat het evangelie maar gebeuren, die ‘blijde tijding’: al die dingen in een mensenleven waardoor je ervaart dat het leven goed is, en dat het goed komt.

Dick Wursten (geschreven voor Open Kerkendag (Belgie, 5-6 juni)

Open Churches

Strange fruit hanging from the trees

Over Absalom, David en Jezus

Ooit was er een tijd dat men het heel gewoon vond in de USA om negers op te hangen aan bomen. Substantial Evidence was voor zo’n lynch-partij niet nodig. De aanklacht hoefde enkel van een blanke te komen, dat was genoeg. Het lied over dit ‘strange fruit hanging from the trees’ heeft vele gewetens doen ontwaken vooral toen Billie Holliday het in 1939 op haar repertoire zette. Dit leidde uiteindelijk – dat is veel te laat – tot meer recht voor de zwarte burgers van dat land.

Ik moest aan dit lied denken, toen wij op 18 januari lazen over het einde van Absalom. Ook hij hing aan een boom, geklemd tussen twee takken van een ‘terebint’ (een boomnaam met een bijna religieuze klank), verstrikt in zijn mooie haren zoals de traditie wil. Ab-salom: de vrede van zijn vader, cynisch klinkt zijn naam.

Wie het zwaard opneemt, zal door het zwaard vergaan. Het was zìjn vader, David, die het zwaard had opgenomen en de Hethiet Uria had omgebracht om diens vrouw (Bathseba) ongestoord tot zich te kunnen nemen. Sindsdien is het zwaard niet meer geweken van zijn huis. “De zonden der vaderen worden bezocht aan de kinderen tot in het 3de en het 4de geslacht.” Dat is geen rare zin uit de tien geboden, dat is gewoon een ware zin uit een oud en wijs boek. Ook de rest van Absaloms leger werd verzwolgen door het woud van Efraïm, als het al niet viel door de scherpte des zwaards.

De associatie met het lied van Billie Holliday is trouwens niet de enige link die vanuit het beeld van de hangende Absalom bij mij opkwam. Toen ik in de tekst namelijk ook nog las dat hij tussen hemel en aarde hing. (2 Samuël 18:9), schoot mij het bekende gedicht ‘Memlinc’ (uit ‘Vormen’ 1924) van Martinus Nijhoff te binnen:

Ernstig en eenzaam staat
Tussen de holten van
Hemel en aarde de man
Die Gods woorden verstaat,

Antwoord weet, maar nog zwijgt
Zo lang de vraag nog klinkt,
Wacht tot de wereld verzinkt
En een ster de zon overstijgt.

Hong’rend naar eeuwigheid
Brak hij zijn leven als brood,
Proefde in dit voedsel de dood,
Deed afstand, en houdt zich bereid.

Luisterend, zwijgend, en in
Vroomheid bereid: voorwaar,
Dit is geen einde nog, maar
Een voorgoed begonnen begin.

Dit gedicht heeft niets met Absalom te maken, net zo min trouwens als het lied van Billie Holliday, eerder met Jezus, vermoed ik, maar – zoals een goed gedicht betaamt – ook dat is niet zeker.

Anderzijds: Zou het geloof in Jezus, hangend aan het hout, dan niets te maken hebben met negers die gelyncht werden en met Absalom die te gronde ging aan z’n brandende ambitie (of was het een in z’n tegendeel verkeerde vaderliefde….of had het nog met de verkrachting van z’n zus te doen… of… Wie kent nou echt een ander mens? Met de maat waarmede gij meet, zult gij ook zelf gemeten worden).

Wij moeten die toch juist bij elkaar houden: al die lijdende mensen, al die stervenden, al die vastgelopenen èn die ene die lijdt in Gods opdracht, als knecht des Heren. Hun lijden is toch – ergens – in zijn dood begrepen. Hun dorst (naar gerechtigheid of naar zin of naar léven) is toch in zijn kruiswoord ‘Mij dorst’ vervat ?

Hij is toch geen wereldvreemde ‘Here Jezus’ geweest. Hij was toch onzer één, zijn voetstap is toch op onze aarde geplant, déze met bloed bevlekte aarde, vol ‘strange fruit’. De Messias van Israel is toch Gods heil, dat Hij bereid heeft voor het oog van alle volken (lofzang van Simeon, Luk 2: 31, Evangelieezing voor 2 februari).

Nu ik het zo op schrijf: Zou het toevallig zijn dat David in de rouwklacht over ‘zijn zoon, Absalom’ over plaatsbekleding begint te spreken: Och, dat ik, ik  in uw plaats gestorven ware…en dat de dichter van het lied ‘Strange Fruit’, Abel Meeropol,  een Jood was ?

Ds. Dick Wursten

Cozzolani

een componerende kloosterzuster uit Milaan

Dixit Dominus (ps 110), Chiara Margarita Cozzolani (1656) – Nederlands Kamerkoor (Flagey, Klara, Psalmsexperience)

Chiara Margarita Cozzolani (1602-ca. 1677) was een Italiaanse componiste, zangeres en benedictijner non. Dat lijkt bijzonder, zeker voor een kloosterzuster, maar de 17de eeuw had een andere visie en beleving van het religieuze leven (inclusief dat van kloosterzusters) dan wij. Er waren nog wel meer vrouwen die (kerk)muziek schreven en uitvoerden, zongen. Cozzolani was non (en later moeder-overste) van het vrouwenklooster van Santa Radegonda in Milaan. Haar muziek werd gepubliceerd tussen 1640-1650). De Vespers zijn het bekendst (daaruit ook deze psalm). De nonnen van dat klooster waren ook buiten de kloostermuren bekend om hun zangtalent. Onderzoek heeft zelfs aangetoond dat er ook instrumenten werden bespeeld in het klooster en dat het zelfs niet onmogelijk is dat ‘mannen’ meewerkten aan de muzikale missen. De aartsbisschop, Alfonso Litta, probeerde deze ‘wereldse neigingen’ te verbieden, maar krijgt tegengas van stedelijke families. Ook theologen scharen zich aan de kant van de musicerende nonnen. Schitterend.

De muziek van Cozzolani is niet gemakkelijk (complexe polyfone muziek, tot 8-stemmig). Het zegt dus iets over de zangkwaliteiten waarover de nonnen in het klooster van Santa Radegonda moeten hebben beschikt. Eigenlijk moet je het eens opnemen met een vrouwenensemble, klinkt toch anders. Anderzijds: vrouwen kunnen – als ze dat willen – ook behoorlijk ‘bassen’. Enfin, Zoals u hoort: dit is complexe polyfonie van een hoog gehalte, alleen door geschoolde vocalisten te beheersen, maar dan is de schoonheid ervan ook ongehoord. Het Nederlands Kamerkoor doet z’n best… Het ritmisch-retorische affect valt op en getuigt van een grote muzikale verbeeldingskracht.

Een stukje orgelmuziek

Heinrich Scheidemann, Herr Christ, der einig Gottes Sohn (2 versetten), door Willem Ceuleers gespeeld op het Walckerorgel in de Protestantse kerk van de Lange Winkelstraat te Antwerpen (met in het tweede verset de onlangs door Marc Nagels gereviseerde cornet)

Scheidemann, Herr Christ, der einig Gottes Sohn (twee versetten)

De opname is afkomstig uit de online-viering van 24 januari 2021. Hieronder dus met beeld. Het was de sortie.

Scheidemann, Herr Christ, der einig Gottes Sohn (twee versetten)

Drie koningen

Klik op de afbeelding hieronder om een visuele en theologische analyse van dit schilderij te lezen… Ze zit namelijk vol verborgen symboliek.