Looft God gij christnen, maakt hem groot

Een kerstlied voor de kinderen in Joachimstal

Van dit prachtige kinderlied voor Kerst (en wie is er met Kerst geen kind?) hieronder alle acht coupletten. In hedendaagse zangbundels (kerk en privaat) vindt u maximaal 6 coupletten. Jammer, stelde ik vast, toen ik de ontbrekende opzocht. Vandaar de volledige tekst met vertaling hieronder. De verdwenen verzen zijn de coupletten 4 en 5. Tekst en melodie is van cantor-schoolmeester Nicolaus Herman (ca. 1550) uit St-Joachimstal (nu Jáchymov – Tsjechië). Dit Duitse ‘Weihnachtslied’ is tot in Frankrijk bekend en geliefd: noel allemand… (zoek daar maar eens naar samen met ‘Corrette’ …)

Duits (ca. 1550)
Nikolaus Herman

oudste tekstversie (incl. spelling)
Nederlandse vertaling

1. Lobt Gott, ir Christen, alle gleich,
In seinem höchsten thron,
Der heut schleust auff sein Himelreich,
Und schenckt uns seinen Son,
Und schenckt uns seinen Son.
Looft God, gij christnen, maakt hem groot
in zijn verheven troon,
die nu zijn rijk voor ons ontsloot,
en schenkt aan ons zijn zoon,
en schenkt aan ons zijn zoon.
2. Er kömpt aus seines Vaters schos
Und wird ein Kindlein klein,
Er leit dort elend, nackt und blos
In einem Krippelein,
In einem Krippelein.
Hij daalt uit ‘s Vaders schoot terneer
op aard’ om kind te zijn,
een kindje arm en naakt en teer,
al in een kribje klein,
al in een kribje klein.
3. Er eussert sich all seiner gewalt,
Wird nidrig und gering
und nimpt an sich eins knechts gestalt,
Der Schöpffer aller ding,
Der Schöpffer aller ding.
Verzakende zijn macht en recht
verkoos hij zich een stal,
neemt de gestalt’ aan van een knecht,
de schepper van ‘t al’,
de schepper van ‘t al’.
4. Er leit an seiner Mutter brust,
Ir milch, die ist sein speis,
An dem die Engel sehn irn lust,
Denn er ist Davids reis,
Denn er ist Davids reis,
Zijn moeder legt hem aan de borst,
haar melk, die lest zijn dorst,
de engelen zien hem en zijn blij,
want David’s loot is hij,

want David’s loot is hij,
5. Das aus sein stamm entspriessen solt
In dieser letzten zeit,
Durch welchen Gott auffrichten wolt
Sein Reich, die Christenheit,
Sein Reich, die Christenheit.
die uit zijn stam ontspruiten zou
in deze laatste tijd,
zodat op aarde bloeien zal
Gods heerlijk koninkrijk
,
Gods heerlijk koninkrijk.
6. Er wechselt mit uns wunderlich,
Fleisch und Blut nimpt er an
und gibt uns inn seins Vatern reich
die klare Gottheit dran,
die klare Gottheit dran.
Hij ruilt met ons zo wonderbaar,
neemt aan ons vlees en bloed.
Nu straalt ons uit het hemelrijk
Gods glorie tegemoet,
Gods glorie tegemoet.
7. Er wird ein Knecht und ich ein Herr,
das mag ein Wechsel sein,
Wie könnd er doch sein freundlicher,
Das herze Jhesulein,
Das herze Jhesulein.
Hij wordt een knecht en ik een heer,
wat win ik veel daarbij!
Waar vind men zoveel gulheid weer,
als Jezus heeft voor mij,
als Jezus heeft voor mij.
8. Heut schleust er wider auff die thür,
zum schönen Paradeis,
der Cherub steht nicht mehr darfür.
Gott sey lob, ehr und preis,
Gott sey lob, ehr und preis.
En nu ontsluit Hij weer de poort
naar ‘t schone paradijs.
De cherub staat er niet meer voor.
God zij lof, eer en prijs!
God zij lof, eer en prijs!

mengeling van
1 2 3 : J.J. Thomson, 1938
7 8: C.B. Burger, 1973
4 5 6 : Dick Wursten, 2025

4de en 5de couplet

In ‘verlichte’ tijden vond men het vierde couplet nogal primitief — of aanstootgevend: het kind dat aan de moederborst wordt gelegd en melk drinkt: Pudeur. ‘t Zal wel in de 19de eeuw geweest zijn. Toen moest alles wat met geloven te maken hebben geestelijk en verheven zijn. Tsja, het leven is dat ook niet. De kracht van het lied ligt juist in de geslaagde aansluiting (sentiment en strekking) bij het Kerstfeest met z’n concrete emotionaliteit (‘t kindeke in de kribbe, Maria, de stal), terwijl het tegelijk de betekenis hiervan verwoordt zonder te gaan preken. God werd ècht mens, komt naar ons toe, en het is precies dàt wat ons redt, want alleen zo komen wij dichtbij God. Geen theorie, geen theologie, maar gezongen exegese. Er zijn maar weinig (kerst)liederen die daarin slagen. Hieronder eerst de tekst, dan wat toelichting. Vervolgens iets over de dichter (Nicolaus Herman) en de plaats van ontstaan (de dorpsschool van het mijnstadje Joachimstal).

titelpagina van de eerste versie van dit lied, het eerste van 3 kerstliederen ‘voor de kinderen in Joachimstal’

Toelichting op de tekst

Hoe eenvoudig dit lied ook is, toch is het een en al Heilige Schrift wat u hoort (met een Luther’s accent, m.n. in 6 en 7: ‘De vrolijke ruil’). De ‘incarnatie’, daar gaat het om, maar dan niet abstract-theoretisch, speculatief, maar concreet: God wordt mens, en niet een beetje, halfslachtig, neen: ècht, waarachtig mens. En daar mag je God wel voor danken, want alleen zo komen die twee bij elkaar : Looft God, gij christenen…
– In couplet 1 wordt de boodschap al verklapt: Door de komst van Jezus (de zoon) gaat de poort van het hemelrijk open. NB: ‘schleusst auf’ de hemelpoort, in het laatste couplet idem, maar dan de poort van het paradijs.
– In de coupletten 2-4 wordt dit heel plastisch beschreven en tegelijk geduid (zonder schoolmeesterachtig te worden, knap!) door de armoe en naaktheid te koppelen aan Filippenzen 2:5-11 (het lied van de Mensenzoon, die zijn goddelijke macht aflegt en mens wordt, inclusief de kwetsbaarheid, de pijn.

– In couplet 3 wordt deze tekst letterlijk geëvoceerd, in werkwoord en beeld: Entäussern, Gestalt, Knechtes, niedrig. God legt zijn god-zijn af, ziet af van zijn privileges: ontlediging (‘kenosis’ in het Grieks) en wordt een mensenkind, hij neemt de knechtsgestalte aan, wordt mens. Uniek christelijk gedachtegoed, zich zó “god” denken.
– In couplet 4 komt Maria in beeld, en de profetie uit Jesaja: de afgehouwen tronk van Jesse (Isaï, David’s vader) moet weer gaan bloeien. Een kerstklassieker (uweetwel met de ‘Reis‘ en de ‘Roos‘ die ontsprongen is uit Jesse’s stam). NB: dat kerstlied waaraan u nu denkt, bestond toen nog niet, maar de symbolische uitleg (virga Jesse floruit – Maria bloeit open in een zoon).
– in couplet 5 wordt dit ontvouwd (expliciet), waarna
– in couplet 6 de ‘wonderlijke of vrolijke ruil’ van Luther het overneemt. Hij wordt mens, opdat ik vergoddelijkt wordt, zo zegt Luther het niet helemaal, maar wel zoiets. Herman gaat hierin wel ver: wij krijgen de ‘”klare Gottheit” in de plaats. Het lied zit goed in elkaar. Want dit is inhoudelijk (Filippenzen 2) en aanschouwelijk voorbereid (couplet 2-4).
– In couplet 7 kan de conclusie getrokken worden: Innig en liefdevol zijn zo mens en God (via Jezus, vriend) met elkaar verbonden. Onderschat de emotieve kracht van het volkse Kerstfeest niet.
– In couplet 8 kan de jubel dan losbarsten : Paradise regained: Het lied is ook rond. De poort van de hemel is open, en dus ook die van het Paradijs. De engel die na Eva/Adam’s val de mensenkinderen verhindert daarbinnen te geraken… is weg.

Vierstemmige zetting van J.H. Schein (youtube)

Hier een mooie uitvoering van dit lied, met de toonzetting van J.H. Schein inclusief het vierde couplet (dat uit de gezangboeken is verdwenen). Ze zingen 1, 2, 4, 8. Anderhalve minuut meer en het hele lied had erop gestaan.

Achtergrond: Niclas Herman in (Sankt-)Joachimstal.

Nog iets over de dichter-componist : Nicolaus (of Niclas) Herman (1500-1561). We weten weinig private dingen over deze man, behalve dat hij in de buurt van Nürnberg geboren is, en dat hij op 18 jarige leeftijd in St-Joachimstal is, en wel als leraar aan de Latijnse school. Op zich niet zo bijzonder, ware het niet dat hij dat z’n hele leven zou blijven èn Joachimstal toen nog maar 2 jaar bestond. in 1516 was een rijke zilverader ontdekt in het dal (Thal), en de ontginning was meteen aangevat. Het daarrond ontstane mijnwerkersdorp (industriestadje) werd toegewijd aan St. Joachim. Het was het Klondike van de 16de eeuw.

Nu Jáchymov, op de grens van tsjechië en Duitsland. Landstreek: Bohemen.

De adellijke familie von Schlick (voluit: zu Bassano und Weißkirchen) was de eigenaar van de grond en 10 jaar later een van de rijkste families in Bohemen, tot Ferdinand (koning van Bohemen, later keizer…) zich ermee begon te moeien. Graaf Stephan Schlick was in dezen het meest actief. Zijn wapenschild staat ook vaak op de zilveren munten die uit het erts geslagen werd: de munt uit Joachimsthal, de Joachimsthaler. Hieronder een afbeelding van de tweede reeks Joachimthalers. Het is een Guldengroschen “Joachimsthaler” uit 1525.

centraal: S I – Sant Joachim. Daaronder diverse wapens. / keerzijde de leeuw van Bassano
in de rand (de afkortingen voluit – begin te lezen bovenaan rechts):
links: Arma Dominorum Slickorum Stefani Et Fratrum Comitum De Bassano
rechts: Ludovicus Primus Dei Gratia Rex Bohemiae.
bron: https://nl.numista.com/86643

Hij vertrouwde de ontginning van de mijn toe aan een ‘mijn-hoofdman’ (BergHauptmann; in het Duits is Bergwerk=Mijnbouw). Heinrich von Könneritz, tevens muntmeester, die naast regelgevend werk, en opzicht, ook het metallurgisch onderzoek bevorderde (o.a. door samenwerking met Georg Bauer, beter bekend als Agricola, de ‘vader van de moderne mineralogie’). Zijn vrouw Barbara von Breitenbach was dan weer zeer actief bij de constructie van het sociale weefsel van deze nieuwe ‘samenleving’. Könneritz leidde de exploitatie in goede banen en binnen 20 jaar groeide Joachimstal uit tot de tweede stad van Bohemen en telde meer dan 20.000 inwoners. Alle genoemden waren bekend met Luther en zijn gedachten en het genoemde echtpaar was zelfs goed met hem bevriend, en hield — gezien een bemoedigende brief van Luther uit 1524 aan Nicolaus Herman — in moeilijke tijden ook de cantor-schoolmeester Nicolaus Herman de hand boven het hoofd. Luthers vader was trouwens… mijnbouwer.

Silver medal commemorating Stephan von Schlick, the founder of Joachimsthal, no year (after 1526), unsigned by Wolf Milicz. Dedicated by Stephan’s widow in commemoration of her husband’s death in the Battle of Mohács of 1526. Probably the second specimen on the market. Extremely fine. Estimate: 15,000 euros. From Künker auction 418 (29 January 2025), No. 413.
Zilveren penning uit Joachimstal ter herinnering aan Stephan von Schlick (na 1526). Vervaardigd in opdracht van Stephans weduwe ter gedachtenis aan de dood van haar echtgenoot in de Slag bij Mohács in 1526. https://new.coinsweekly.com/coins-medals-more/joachimsthal-and-the-reformation/

Zilveren penning uit Joachimstal (1531) toegeschreven aan Hieronymus Magdeburger, die ook talrijke ‘evangelische munten’ graveerde, de numismatische evenknie van Niclas Herman.
Links het (bijna)offer van Isaac door zijn vader, rechts het voltrokken offer van Christus door zijn Vader. Een van die — eigenlijk nogal schokkende — standaard christelijke typologieën. Op deze pagina – tevens de bron – vindt u meer uitleg en voorbeelden (English)

De daalder

De zilveren munten die daar geslagen worden, zijn al snel de ‘gouden standaard’ in het hele (Habsburgse) Rijk: Joachimsthaler, al snel afgekort tot ‘Thaler‘ (een volle thaler: ca. 25g zilver). Je mag dit ook letterlijk nemen: Deze in zilver geslagen munt vervangt als courant betaalmiddel al snel de ‘gulden’.1 In onze contreien heeft zo’n Thaler de waarde van 30 stuivers, dat is 1,5 gulden, de daalder (nu enkel nog spreekwoordelijk: Op de markt is uw gulden een daalder waard…netzoveel trouwens als de eerste slag). Later komt er ook nog een upgrade tot 50 stuivers: de rijksdaalder 2,5 gulden. Op dat ‘Rijk’ hadden de Hollanders het niet zo, want dat was het Heilige Roomse Rijk der Duitse natie (Karel V, Filips II etc.) en als ze overzee hun goederen verhandelden, sloegen zij hun eigen daalders, zonder ‘kop’, maar met een leeuw erop: de leeuwendaalder… Engelsen konden daalder of thaler niet goed uitspreken en maakten er dan maar dollar van. Gelooft u het niet: Lieven Scheire zegt het ook: (Joachimstaler > Thaler > Daalder > Dollar. facebook). Het kan trouwens nog korter: in het Tsjechisch is een thaler een tolar, tot 2007 de munteenheid van Slovenië.

Back to business: Belangrijk in dit alles is, dat in deze ‘nieuwe samenleving’ in Bohemen (dus toch al niet zo ‘rooms-gezind’) zowel de politieke, economische als ambachtelijke leidinggevenden van meet aan op z’n minst sympathiseren met de Lutherse Reformatie. De eerste kerk wordt nog wel (net als het dorp) toegewijd aan St Joachim, maar in 1522 wordt er al een “Evangelische Kerkorde” ingevoerd, de eerste in Bohemen. Van de bisschop is er geen spoor meer te bekennen. De machthebbers (m.n. graaf Stephan Schlick en de Berghauptmann Könnewitz) slaan de handen ineen en nemen zelf — met intellectuele, morele en personele ondersteuning vanuit Wittenberg — de organisatie ter hand. Ze waken over de inrichting van de eredienst, nemen de verantwoordelijkheid over voor de andere maatschappelijke functies die de roomse kerk (of orden) vervulden: school, armenzorg, ziekenverpleging.

De school

Jongens konden dus naar de Latijnse school gaan, naar meester Herman. Toelatingsvoorwaarde: kunnen lezen, schrijven. Dat kon je zelf leren (thuis) of op de Duitse school. Beide stedelijke en kerkelijke instellingen ineen. Instroom in de Latijnse school was zo ongeveer vanaf 7 jaar. Logisch: de hersenen ontwikkelden zich toen netzo als nu. Op die school werden de jongens opgeleid voor hogere studies of een baan in de publieke sector (de slimmen waren tegen hun 12de al klaar, maar het kon ook 16-17 worden. Dan konden ze naar de universiteit). Cantor Nicolaus Herman is z’n leven lang schoolmeester geweest van de ‘onderbouw’ op de Latijnse school (net als Bach!). Hij heeft die school waarschijnlijk zelf mee uit de grond gestampt, en mogen werken met twee briljante en ondernemende rectors (die de bovenbouw voor hun rekening namen) : Eerst Stephan Roth, een goede vriend van Luther, afkomstig uit Zwickau, waar hij ook weer heen terugkeert. Hij wordt daar stadssecretaris, en de stuwende kracht om de Hervorming daar ‘deftig’ in te voeren. Een strijd tussen radicale protestanten en behoudsgezinde katholieken kan worden vermeden. De tweede is Johann Mathesius, student van en bevriend met Luther. Hij heeft bij hem ingewoond en gestudeerd, bekend ook als uitgever van diens preken en vooral de ‘Tischreden’. Eerst is hij rector, later wordt hij Pfarr-herr (Pfarrer) van Joachimstal. Het stadje kent een pijlsnelle economische en demografische groei.

Zilvermijn in Joachimstal, 1548 (Duitse fototheek, wiki). De titel verwijst naar de vrijheidsrechten die deze nieuwe stad ook had verworven.

liederen voor de kinderen van Joachimstal

Niclas Herman is een fan van Luther, en helemaal als hij diens publicatie “AAN DE RAADSLEDEN VAN ALLE STEDEN VAN DUITSLAND DAT ZIJ CHRISTELIJKE SCHOLEN MOETEN OPRICHTEN EN IN STAND HOUDEN” uit 1524 leest. 2 Iedereen moet onderwijs worden aangeboden, zegt Luther, jongens èn meisjes, en de ouders moeten worden aangespoord (bijna verplicht) om van dat aanbod gebruik te maken: onderwijs als mensenrecht. Goede ouders (en dus: de overheid) volstaan toch ook niet met enkel lichamelijk voedsel aan hun kinderen te geven. Die voorzien ook geestelijke (op)voeding. Daarbij moet de overheid haar verantwoordelijkheid nemen en scholen oprichten. En zij moet er ook op toe zien dat alle kinderen daar naar toegaan (naartoe kùnnen gaan), jongens èn meisjes. In 1518 is er dus al een Lateinschule (jongens) in Joachimstal, en even later ook een meisjesschool, met een vrouwelijke directrice: Magaretha Heldin. Niclas Herman prijst haar in het voorwoord van zijn verzamelbundel. Daar onthult hij ook dat hij met name voor haar en haar leerlingen zijn liederen heeft geschreven. Hun bijbelkennis en zang had grote indruk op hem gemaakt (De tekst van die passage uit dat voorwoord kunt u hier lezen. Kortom: Leren lezen, leren rekenen (mathematica) èn muziek. Iedereen moet dat kunnen/kennen. Een leraar moet dus ook kunnen zingen (muziek maken), vindt Luther. En de jongens onder hen moeten met de polyfonie vertrouwd gemaakt worden, want zij vormen de ‘Cantorey’ (dat is dus in Bach’s tijd nog steeds zo: de Thomasschool). Zij moeten Latijnse motetten en (later) Duitse composities kunnen zingen, tijdens de vieringen op school, maar ook in de kerk (doordeweeks en zeker op zondag). Herman blijkt trouwens een vooruitstrevende leraar te zijn. Hij is ervan overtuigd dat de mensen willen leren. Hij hekelt lijfstraffen, pleit voor een motiveringspedagogiek, en stelt – zeker wat het godsdienstonderwijs betreft – een zingend curriculum voor. Hij biedt het zelfs aan. Alle bijbelverhalen op tekst en muziek gezet: Die SontagsEvangelia über das gantze Jahr in Gesänge gefasst für die Kinder und christlichen Hausväter

Hier een editie uit 1561 van dit lied. (uit de bundel met liederen bij de evangelieverhalen) Nog steeds staat eronder, wat ook in de eerste druk (als ‘flyer’ met 3 kerstliederen, z.b.) op de titelpagina stond: für die Kinder im Jo(a)chimstal

Bekendste liederen

En zeker rond de grote feesten, moet er wat te zingen zijn:

  • met Kerst dus: Drey Geistliche Weinacht Lieder, vom Newgebornen kindlein Jhesu, für die kinder im Joachimstal is waarschijnlijk zijn eerste publicatie (de zetter heeft wel een potje gemaakt van de teksten). Ons lied is hier het eerste (Liedboek, gezang 147).
  • En met Pasen: “Erschienen ist der herrlich Tag” (gezang 200) – prachtige melodie en ook een zeer leerrijke tekst (helaas ook niet meer aanwezig in de huidige gezangboeken). Voor meer info klik op de melodie:
  • En ‘s ochtends en s’avonds: Die helle Sonn leucht’ jetzt herfür” (gezang 373), “Hinunter ist der Sonnen Schein” (384)en “Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ” (gezang 316).
  • En als je op sterven ligt (want de kinderen werden niet oud, nemen de liederen mee naar huis): “Wenn mein Stündlein vorhanden ist” (gezang 270). Het laatste couplet is ook vaak apart geciteerd en op muziek gezet (“Weil du vom Tod erstanden bist…” – Schütz musicalische exequien). Het koraal is nog getoonzet door Schumann, in z’n laatste levensjaar, toen hij opgenomen was in de kliniek. De laatste maand was hij bezig met de bijbel en het liedboek. Meer info: klik hier

Herman’s teksten en melodieën zijn eenvoudig, maar niet simplistisch. Een goed voorbeeld is het onderwerp van deze pagina, maar dat geldt ook voor de andere genoemde liederen. Over de berijming van de bijbelverhalen kun je twisten, maar dat was dan ook puur onderwijsmateriaal, 4 of 7 regels, met een lijst met melodieën die geschikt zijn. Deze bijbelse-verhalende-liederen heeft hij tegen het eind van zijn leven gemaakt en gebundeld, toen hij ziek thuis zat (geplaagd door hevige en zeer pijnlijke jicht). Het voorwoord tekent hij met Niclas Herman, der alte cantor…. Ze zijn na zijn dood uitgegeven en talloze malen herdrukt. Even terzijde: dus niet bestemd voor de kerkdienst (liturgie), maar voor alle vormen van ‘godsdienstoefening’ daarbuiten.

portret

Hier een portret, gemaakt in zijn laatste levensjaar (1560: corpus vexabat podagra… staat er in het gedicht: zijn lichaam gekweld door de jicht. Je kunt het ‘m aanzien). Hij houdt een lied van zijn hand in de hand:

De muziekrol bevat de eerste regel van zijn berijming van de brief aan de Corinthiërs, waarin hij (met Paulus) de neiging tot afscheuring, sectarisme bestrijdt. Het eerste couplet:

Sant Paulus die Corinthier
hat unterweist in rechter lehr,
sobaldt er aber von in kam,
da fingen sich vil seckten an.

Boven zijn hoofd staat: Vox amici vox Dei: de stem van een vriend is de stem van God…

Dick Wursten (Kerst 2025)

P.S. Ad den Besten over Herman

Vertaler en liedboekdichter Ad den Besten schrijft aan het eind van zijn biografische notitie in het Compendium bij het Liedboek, over Nicolaus Herman:

Na Luther is Nikolaus Herman veruit de meest gezongen dichter van geestelijke liederen uit de 16de eeuw geweest. De heldere eenvoud van zijn teksten, hun kinderlijke, maar nergens kinderachtige toon, hun menselijke warmte, hebben gemaakt, dat zij een veel algemener betekenis kregen dan Nikolaus Herman zelf ooit heeft verwacht. Hij was met andere woorden een veel beter dichter en componist dan hij zelf heeft geweten.

der ‘tolle’ Mensch – zot? dwaas? uitzinnig?

Wat betekent ‘toll’ in de tolle Mensch (Fröhliche Wissentchaft, nr. 125) en hoe vertaal je dat dan in het Nederlands?

overweging n.a.v. van het vertaalproject ‘De vrolijke wetenschap’ (verblijdend inzicht). Daar ook de tekst (Duits-Nederlands).

De vertaling ‘dolle mens’ (Pé Hawinkels, 1976/Hans Driessen, 1999) voldoet niet. De substitutie ervan door ‘de krankzinnige man’ (Hans Driessen, 2018) is gewoon fout: krankzinnig in het Duits is irre, verrückt. Wie een historisch woordenboek Duits (bijv. Grimm) opslaat, ziet al snel dat het bij ‘toll‘, ‘Tollheit‘ vooral gaat over emotionele buitensporigheid, uitzinnigheid. In het Nederlands kennen we dat enkel nog in de combi: hondsdolheid , en in de kunstgeschiedenis bij Brueghel’s Dulle Griet. Verder: oppassen met het hedendaags Duits, want Nietzsche is een 19de eeuwer (en dan in z’n taalgevoel ook nog al klassiek). ‘Das ist toll‘ is tegenwoordig een positieve uitspraak! (Wauw!), maar in de late 19de eeuw nog niet echt (zie onder). Een Vlaming zou het kunnen wagen met ‘een zot, die met een zaklamp zoekt naar God’. Je kunt ook denken aan de ‘idioot’, zoals die vereeuwigd is door Dostojewski. En natuurlijk Diogenes. Nietzsche-kenner prof. em. Paul van Tongeren zou het liefst vertalen met ‘Dwaas’, maar dan mis je naar mijn aanvoelen de ‘uitzinnige’ kant, het woedende. Enfin: Serieus nu, of beter: vrolijk.

Zarathoestra en Diogenes als voorvaders

– In een voorstadium van deze parabel (want dat is het literaire genre) heeft Nietzsche het niet over ‘der tolle Mensch’, maar over ‘Z’. = Zarathoestra.
– Wie op klaarlichte dag met een lamp op zoek gaat naar God, heeft de kunst afgekeken van Diogenes (uweetwel, die wijsgeer in de ton, de ‘kynicus’), van wie vertelt wordt dat hij dat ook deed, d.w.z. op zoek gaan, maar niet naar God, maar naar ‘een mens’. Veelzeggende con-text.
Beide elementen moeten m.i. meegewogen worden bij de vertaling van ‘der tolle Mensch’. Dat impliceert dat er zeker een positief betekenis aspect hoorbaar moet blijven: Zarathoestra en Diogenes zijn voor de auteur twee voorbeeldige figuren, leermeesters.

Woordenboekbetekenis ‘toll’

Als je Grimm (1854) raadpeegt, dan zie je dat het een redelijk courant woord was, en wel in de – inmiddels verouderde – betekenis, waarbij het emotionele uitbarstende kenmerkend is. Het wordt gebruikt voor onstuimig, mateloos, overdadig gedrag, niet noodzakelijk dom, maar onbeheerst.

Voorbeelden van de connotatie (19e eeuw):

  • in Tollheit verfallen = uitzinnig gedrag vertonen. Dit kan negatief zijn (waanzin), maar ook romantisch-subliem (uitbarsting van gevoel, Sturm-und-Drang).

Conclusie: een uitzinnige, een zot

De ‘tolle Mensch’. Hoe vertalen?
1. De klassieke klankvertaling ‘de dolle mens‘ (Hawinkels, Driessen) is enkel verdedigbaar omdat klank voor Nietzsche betekenisvol is, en ‘dolheid’ en ‘gekte’, ‘razernij’ in het Nederlands nog herkend zou kunnen worden: Hondsdolheid. Maar dit bevredigt niet.
2. Een ‘gek’? In het Engels is het vaak een ‘mad man‘, maar ‘mad’ in het Engels is toch net iets anders dan ‘gek’ in het Nederlands. There is method in his madness. Ik ken geen vertaling in het Nederlands die hiervoor kiest.
3. De meest recente vertaling (Driessen 2018) vervangt ‘de dolle mens’ door ‘een krankzinnig man‘. Dat is zoals al gezegd m.i. geen gelukkige oplossing. Het kan verdedigd worden als je dit woord ook hoort in Nietzsche’s tijd (historische context) : de late 19de eeuw. Psychiatrie bestaat nog niet. Laat staan een diagnostisch handboek DSM xx. En ‘raar, vreemd gedrag’ werd toen zonder meer als ‘krank’ van ‘zinnen’ (zenuwziek) gedefinieerd.
4. Mijns inziens (of beter: mijns aanvoelens) is de vertaling ‘een uitzinnige‘ of ‘een zot‘ verdedigbaar. De emotionele component (woede) moet mee kunnen klinken. Ook het in de parabel beschreven gedrag roept daarom (hij roept , hij spring in hun midden, hij kijkt hen met een doorborende ogen aan, hij gedraagt zich aberrant).

Wie is hier eigenlijk aan het woord ?

Ook de vraag in welk opzicht of vanuit welk perspectief wordt deze mens ‘een zot’ genoemd: vanuit zijn eigen perspectief? Vanuit dat van de “atheïsten” (ja, wat zijn dat nu weer?) die zich op de markt hebben verzameld? Of vanuit de verteller? Of de auteur? (En is dat dezelfde?).


Erhalte mich..

Aria from the ‘Funeral Music’ for Leopold (Prince of Anhalt-Köthen)
BWV 244a (second part, first aria)
– The prince had died at the age of 33;
– The mourners’ pray: Spare us the fate of an untimely death.
– The music you will recognize : ‘Erbarme dich’…

Erhalte mich,
Mein Gott, in der Hälfte meiner Tage!

Schone doch,
Meiner Seele fällt das Joch
Jämmerlich.
Erhalte mich,
Gott, In der Hälfte meiner Tage.
Preserve me,
my God, in the midst of my days!
Spare me yet,
when upon my soul the yoke falls
piteously.
Preserve me,
my God, in the midst of my days!  

Vézelay (gedicht)

In stippels bruin en roze valt de boog
op bijbels beitelwerk waarvan gewaden
verglijden in de pijlers hemelhoog
geplant op deze heuvel van genade.

Dit is Jeruzalem gevat in tijd
en ruimte, samenzang van steen en licht.
De voorhal schemert en verplettert mij
gehurkt onder gewelven en gewicht

van kapitelen. Maar de pinksterstraal
die op de hemelpoort bevrijdend spreekt
tot mensendrommen, warmt me en herhaalt
het licht dat buiten door de wolken breekt.

Patrick Lateur

Hoor de klokken luiden (Moralia – Hándl, Gallus) 1590

https://youtu.be/s48bmOvgHlk

De tekst met Engelse vertaling kunt u hier nalezen

Jacob Hándl (verkleinwoord van “Hahn” – Latijn: Gallus) 1551-1591. Componist aan het Habsburgse hof (Graz, Praag), geboortig van Carniola (Kranjska – Slovenië). Stond in zijn dagen hoog in aanzien. Publiceerde aan het eind van zijn korte leven een aantal bundels met wereldlijke muziek, licht van toon: Morele harmonieën. 3 In deze vierstemmige miniatuurtjes zet hij oude Latijnse gedichtjes, spreuken met levenswijsheden (vandaar ‘Moralia’) op muziek. Teksten van Horatius, Ovidius, maar ook uit gangbare verzamelingen (Anthologia Latina, Carmina proverbalia), en van onbekende origine, wellicht van hemzelf. Ze verschenen in drie delen (drie ‘boeken’) in 1598-1890 (Praag). Zijn broer Johann gaf posthuum nog een collectie uit: Moralia (1596). 8, 6 en 5 stemmig. Samen: 100 stuks. Hier de titelpagina van die uitgave:

Het vocaal ensemble ‘Singer Pur’ zong ze allemaal in en gaf een selectie uit op CD. Hier hebt u er eentje uit de eerste bundels (4-stemmig): over een kerkklok Tintinabulo clango

https://youtu.be/s48bmOvgHlk

De kathedraalscholen (12de eeuw)

Fragment uit een TV-film over de kathedralenbouwers (1980), waarin Georges Duby over het ontstaan van de wetenschap vertelt, met speciale aandacht voor Pierre Abélard en de ‘redeneerkunde’. Hij heeft een papier op zak met een citaat van/over Abélard’s lesmethode en haalt die tijdens de uitzending tevoorschijn om voor te lezen… Top-tv was dat op Antenne 2, in 1980, en nog steeds de moeite van het bekijken en beluisteren (en overdenken) waard. Nederlands ondertiteld (cc); transcript-vertaling onder het filmfragment.

https://youtu.be/LVthk5YsCFE

TRANSCRIPT, ongeveer vertaald

“De bouw van de kathedralen (in razend tempo eind 12de, begin 13de eeuw) is mogelijk geworden door de groei van de stedelijke economie. Zeker. Maar is tegelijk ook te danken aan een andere groei die onlosmakelijk verbonden is met de eerste: de groei van de kennis (savoir).
Elke kathedraal wordt immers geflankeerd door een school, en de meest dynamische scholen bevinden zich rond de kathedralen in Noord-Frankrijk. Zeker, in kloosters werd ook les gegeven, maar de kloosterschool was gesloten, de kathedraalschool was open. Dat heeft te maken met haar functie. De kathedraal is – per definitie – de kerk van de bisschop. De primaire functie van de bisschop is (ja echt waar! DW) de verkondiging van het Woord van God en niet alleen in zijn eigen kerk, nee, in zijn hele bisdom. Hij heeft helpers nodig, om samen met hem te prediken. En dus werkplaatsen (ateliers) om predikers op te leiden, te scholen. Dat impliceerde goede boeken (manuscripten), goede leraars die deze boeken konden verklaren. En: in een samenleving waarin reizen steeds gemakkelijker werd, zien we intellectuele avonturiers door Europa trekken op zoek naar de beste scholen. Die bevonden zich precies daar waar de meesterwerken van de gotische kunst verrezen: in Laon, Chartres, en Parijs. Ik denk niet dat het toeval (coïncidentie) is dat de locaties van deze intellectuele onderzoekscentra samenvallen (coïncideren) met de haarden van de artistieke creatie (artistiek = alles wat de mens ‘toevoegt’ aan de natuur: kunde, ambacht, ambachtelijke kunst).
De studiecyclus was dezelfde als in de “eerste Renaissance” (onder Karel de Grote), de zeven vrije kunsten – de artes liberales. Deze zijn te zien op een van de roosvensters van de kathedraal van Laon, waar ze de centrale bloem omringen waar de Wijsheid troont. Die vormen haar hof, verrijkend en verlichtend. De zeven artes bestonden uit drie inleidende disciplines: grammatica (taal), retorica (de kunst van het spreken) en dialectiek (de kunst van het redeneren), gevolgd door vier dieper gravende disciplines: de leer van getallen, de geometrie, de astronomie en de wetenschap van de ‘tonen van de muziek’ (en hun onderlinge verhouding).

Laon cathedral - noord venster
roosvenster met de 7 artes, kathedraal van Laon (voltooid ca 1200)

Deze disciplines onthulden de mysterieuze wetten die het universum beheersen. Dit pad, deze weg, deze boulevard van kennis, leidde uiteindelijk tot de theologie – de hoogste wetenschap omdat zij de mens hielp om de geheimen van God te doorgronden die hij meedeelt in wat hij zegt (zijn Woord) en in de zichtbare tekenen, uitgestrooid in de de natuur.4

In de tweede helft van de 12e eeuw kenden de scholen van Parijs een buitengewoon succes. Ze werden de kweekvijver van bekwame bisschoppen; alle pausen van die tijd kwamen er studeren. Dit succes was grotendeels te danken aan het onderwijs van Abélard5). Men begon bij de taal, de woorden, maar de dialectiek stond daarbij centraal: door redenering de betekenis van de woorden begrijpen. Niet door er in mystieke overpeinzingen over te mediteren, zoals in het klooster, maar door ze te analyseren. Het intellectuele gereedschap werd steeds verfijnder. Geestelijken reisden met de ridders mee die Spanje en Sicilië op de moslims heroverden, en ze stortten zich op de schitterende bibliotheken van Toledo en Palermo. Ze begonnen – samen met/tegelijk met de Joden – koortsachtig Arabische werken te vertalen naar het Latijn – werken die de Arabieren op hun beurt uit het Grieks hadden vertaald. Wat zij zo onthulden was de antieke wetenschap: Euclides, Ptolemaeus, en nog waardevoller voor hen: de logica van Aristoteles.
De methode werd verfijnd, op punt gesteld en verrijkt door Abélard. De eerste stap? Twijfelen! Abélard zei: “we komen tot onderzoek door twijfel, en door onderzoek ontdekken we de waarheid.” Hoogmoed, arrogantie… Sommigen veroordeelden deze houding fel, met name Bernardus van Clairvaux, die Abélard uiteindelijk ten val heeft gebracht. Maar wat een vruchtbaarheid school er in deze benadering ! Wat een enthousiasme ontstond er in de scholen. Het ging niet langer om lessen enkel te aanhoren, maar om discussie. Dialoog, dialectiek, debat! “Mijn studenten,” zei Abélard, “verlangen menselijke redenen te horen, verklaringen die ze begrijpen; geen stellingen en affirmaties.” Ze vonden dat spreken zinloos was, als men niet ook tegelijk het begrip van wat men wilde zeggen mee aanbracht, en ook dat men niets kan geloven als men het niet eerst heeft begrepen.6

Uit deze manier van denken is al onze wetenschap voortgekomen…

Ils disaient qu’il est inutile de parler si l’on donne pas l’intelligence de ses propos et que nul ne peut croire s’il n’a pas d’abord compris. Et toute notre science sors de là…

Georges Duby, Le temps des cathédrales – 9 delige TV-film uit 1980, deel 3, Dieu est lumière.

Georges Duby – Ecce homo

  1. De mens in het Paradijs (Eva, Van Eyck)
  2. De uitdrijving van de mens uit het paradijs (Eva en Adam, Masaccio)
  3. De mens die weet waar hij staat (Jeremia, Donatello)

Hieronder de laatste drie afbeeldingen uit de weergaloze trilogie over de middeleeuwse kunst van Georges Duby7. Hij wil met deze drie ‘koppen’ tonen hoe de mens aan het eind van (wat we) de Middeleeuwen (noemen) zich bewust wordt, niet enkel van zijn falen, maar ook van zijn kracht: ‘virtù‘. De toelichting van Duby onder de afbeelding in het Frans (voluit) en het Nederlands (parafrase, want onvertaalbaar).

🇫🇷 La condition humaine

À la fin du XVe siècle, les hommes riches qui guidaient le travail des artistes aimaient à identifier les objets dans l’œuvre peinte; et le nominalisme ockhamien enseignait d’autre part qu’il est vain de vouloir connaître l’univers autrement que par les sens et par l’observation particulière de chaque créature. Au terme d’un long effort pour traduire les apparences sensibles, l’œuvre des Limbourg parvenait à la vision totale. En jouant à travers l’épaisseur de l’atmosphère, la lumière trompait en profondeur la toile de fond du théâtre; elle ramenait à l’unité les regards discontinus portés sur les divers éléments du décor. Or, voici qu’il devenait possible de réaliser plus parfaitement encore cette synthèse visuelle en employant l’huile comme véhicule de la couleur, et la plate peinture l’emportait désormais sur l’art des enlumineurs. Sur le corps d’Ève, que Van Eyck traite comme un paysage complexe, le glissement onctueux de la lumière vers l’ombre approfondit l’analyse du grain extérieur de chaque objet. 8 Il explore attentivement la matière, mais il relie aussi chacune des expériences sensorielles; il fond leur dispersion dans un ensemble cohérent, étendu dans les trois dimensions du monde sensible – de même que l’illumination de l’Esprit réunit dans l’ineffable la communauté de toutes les âmes, de même que la lumière divine établit la réalité de l’univers dans une création continue. Alors que, pour Masaccio, la peinture est bien déjà «chose mentale». Ses fresques sont filles de l’architecture, d’un art de calcul et d’abstraction qui mesure l’espace et le crée, qui conquiert l’univers par l’intelligence et qui ne se soucie nullement de ressemblance. L’édifice réalise un concept, par le recours aux sciences mathématiques et par le jeu de la raison. Dans Florence, la nouvelle architecture, celle de Brunelleschi, repousse l’ornement gothique, toutes les parures superflues; elle tend à retrouver la pureté et l’équilibre de San Miniato. Dans la composition de Masaccio, l’élément majeur devient donc le vide, l’espace pur, abstrait. Il y place l’homme, présent par son corps. « Ce corps, » lira-t-on bientôt dans le Traité de la peinture de Leon Battista Alberti, « tombera en poussière, mais non longtemps qu’il respire, le mépriser, c’est mépriser la vie. » Cette présence corporelle est bâtie comme un monument. Tous ces corps d’hommes – comme tous les visages que sculpte Donatello – sont établis dans la gravité, celle d’un christianisme tendu, qui refuse toute complaisance, se veut lucide, fondé en volonté et qui assume, en pleine sérénité, le tragique de la condition humaine.9

🇳🇱 Geboorte van een nieuw humanisme

Tegen het einde van de 14de eeuw dringt het besef door dat je het universum nooit zult kunnen begrijpen los van de zintuigen. Elk schepsel moet waargenomen worden. Wil je dus ooit ‘de mens’ begrijpen, dan moet hen zien, waarnemen, d.w.z. goed kijken naar echte mensen, niet speculeren over het begrip ‘mens’. Het nominalisme heeft gewonnen. Bij de gebrs. Van Limburg wordt er gespeeld met het licht, waardoor er anders gekeken gaat worden. En ook al is de diepte nog bedriegelijk (zoals bij een theaterdecor) toch ontstaat er al een totaalblik. Door het gebruik van olieverf wordt het mogelijk om de visuele eenheid krachtig in de verf te zetten. De paneelschilderkunst verdringt de illluminatie (= het werk van de boekverluchters, DW). In het lichaam van Eva, dat Van Eyck schilderde alsof het een fijnmazig landschap is, maakt de vloeiende overgang van licht naar schaduw de textuur van elk onderdeel duidelijk.10 Van Eyck onderzoekt niet alleen aandachtig de materie, maar ook hoe afzonderlijke zintuiglijke indrukken – die in eerste instantie verspreid of gefragmenteerd zijn – worden samengebracht in een samenhangend geheel dat zich uitbreidt in de drie dimensies van de waarneembare wereld. – net zoals de Verlichting (Illuminatio) door/met de heilige Geest de zielen van alle mensen in een onuitsprekelijke vreugde verenigt; net zoals het goddelijke Licht (van de schepping) de werkelijkheid van het universum tot stand brengt in een creatio continua.
Bij Masaccio is het schilderen zelf een mentaal proces geworden, een ‘concept’. Zijn fresco’s komen voort uit de architectuur, een abstract-rekenkundig ambacht dat ruimte meet en creëert, dat het universum onderwerpt aan het intellect zonder acht te slaan op gelijkenis. Het bouwwerk belichaamt een idee en komt tot stand door toepassing van wiskunde en meetkunde, aangestuurd door het spel van de rede. In Florence maakt Brunelleschi komaf met de gotische ornamentiek en overbodige versieringen; Zijn bouwkunst wil de zuiverheid en het evenwicht van San Miniato terugvinden. In de compositie van Masaccio wordt het voornaamste element de leegte, als pure, abstracte ruimte. Daarin plaatst hij de mens. Die is daar lijfelijk aanwezig. Dat lichaam, zoals Leon Battista Alberti schrijft in zijn “Verhandeling over de Schilderkunst, “zal vergaan tot stof; maar zolang het nog ademt, geldt: wie dat lichaam veracht, veracht het leven zelf .”11Deze lijfelijke presentie bouwt Masaccio op, zoals een monument. Al zijn menselijke lichamen zijn – net als de gezichten die Donatello uitkapt – doordrongen van ernst, van een intens christendom, die elke toegeeflijkheid afwijst, die helder wil zijn en vastberaden. Ze nemen volledig sereen de tragische last van de menselijke staat op zich.

noten

Artur Honegger: psaume 138

From Trois psaumes (1940-41), nr. 3: Il faut que de tous mes esprits.

https://www.youtube.com/watch?v=H2HqzC91qvQ

Text (Fr-Eng)

Psaume 138 Psalm 138
(poem by Clément Marot, 1543) (English – Book of Common Prayer)
Il faut que de tous mes esprits
ton los et prix
j’exalte et prise:
Devant les grands me présenter
pour te chanter
J’ai fait emprise.
En ton saint’ Temple adorerai,
célèbrerai
ta renommée,
Pour l’amour de ta grand’ bonté,
et féauté
tant estimée.
I will give thanks to you, O LORD,
with my whole heart;

Before the gods I will sing your praise.

I will bow down toward your holy temple
and praise your Name,

Because of your love and faithfulness;

Score (All three psalms) – from IMSLP. Enjoy

IMSLP14501-Honegger_-_3_Psaumes_voice_and_piano

Clément Marot : Als een vogel zo vrij

Rondeau parfait. En liberté…
A ses amis après sa délivrance

Een gedicht van de Franse dichter Clément Marot (1496-1544) over 1 mei, de dag dat hij zijn vrijheid hervond.

buste van Marot, Cahors
foto: Jetty Janssen

Qua vorm is het gedicht een rondeau parfait. Alle regels van het eerste kwatrijn keren, één voor één, terug als slotregel van de volgende kwatrijnen. De beginwoorden En liberté ronden het geheel af (vandaar ‘Rondeau’).
Qua inhoud vertelt Marot over zijn tijd in de gevangenis (voorjaar van 1526): Eerst in le Châtelet (Parijs), daarna in Chartres (met milder régime) en hoe hij – dankzij interventie van het Franse hof – is bevrijd. Inhoud en vorm vertellen in dit gedicht hetzelfde verhaal.

Wilt u meer weten over de achtergrond van dit gedicht, lees dan de parallel gepubliceerde uitgebreide webpagina.

Rondeau parfait
À ses amis après sa délivrance
En liberté maintenant me pourmène,
Mais en prison pourtant je fus cloué :
Voilà comment Fortune me démène.
C’est bien, et mal. Dieu soit de tout loué.
Les Envieux ont dit, que de Noé
N’en sortirais : que la Mort les emmène !
Maulgré leurs dents le nœud est dénoué.
En liberté maintenant me pourmène.
Pourtant si j’ai fâché la Cour romaine,
Entre méchants ne fus oncq alloué :
Des bien famés j’ai hanté le domaine :
Mais en prison pourtant je fus cloué.
Car aussitôt que fus désavoué
De celle-là, qui me fut tant humaine,
Bientôt après à saint Pris fus voué :
Voilà comment Fortune me démène.
J’eus à Paris prison fort inhumaine,
À Chartres fus doucement encloué :
Maintenant vois, où mon plaisir me mène.
C’est bien, et mal. Dieu soit de tout loué.
Au fort, Amis, c’est à vous bien joué,
Quand votre main hors du pair12 me ramène.
Écrit, et fait d’un cœur bien enjoué,
Le premier jour de la verte Semaine,13
En liberté.
Rondeau LXVII (Oeuvres, 1538), orthographe (partiellement) modernisée

Aan zijn vrienden, na zijn vrijlating

Volmaakt rondeel
Aan zijn vrienden, na zijn vrijlating
Ik ben vrij en ga nu mijn eigen gang,
Toch zat ik vast, in het gevang
Dat is het lot, zo gaat het leven:
‘t zij goed of kwaad: God zij geprezen.
Jaloers zeiden ze: ‘Voor kerstmis
geraak je er niet uit!’ Ik zeg :’Val dood’.
grom maar, knars, de knoop is ontward
Ik ben vrij en ga mijn eigen gang,
Wat zeg je? Ik zou Rome ambeteren?
In slecht gezelschap verkeerde ik nooit,
t’ waren goede heren, die ik frequenteerde:
Toch zat ik vast, in het gevang.
‘t is waar: Toen zij mij liet vallen
die mij als mens zo dierbaar was,
viel heilige hechtenis mij ten deel:
Dat is het lot, zo gaat het leven.
De conciergerie, onmenselijk,
de cel in Chartres, was te doen.
Maar nu ga ik, waar mijn lust mij leidt.
t zij goed of kwaad, God zij geprezen.
Kortom, mijn vrienden, goed gespeeld,.
onovertroefbaar. Hier ben ik weer.
Gaarne geschreven en goedgekeurd,
De eerste dag van de bloeimaand mei:
Ik ben vrij.
Gedaan, vertaald en toegelicht, 1 mei 2024, Dick Wursten,
Buste van Clément Marot, Cahors (1904)
https://e-monumen.net/patrimoine-monumental/monument-a-clement-marot-cahors/


Bronvermelding voor nieuwsgierigen

zie onderaan de parallel gepubliceerde uitgebreide pagina


Voetnoten

Amerika’s schaduw-oorlog met Iran

a war by proxies

Thomas L. Friedman bezocht enkele Amerikaanse militaire basissen in het westen van Jordanië en het oosten van Syrië en vertelt hoe hij terecht kwam midden in the other Middle-East war, tussen de VS en Iran, ‘a war by proxies’

THOMAS L. FRIEDMAN 5 maart 2024. NYTimes
10 maart 2024. De MORGEN.

Vorige week heb ik twee dagen in een helikopter zeven Amerikaanse militaire basissen bezocht in het westen van Jordanië en het oosten van Syrië, samen met de hoogste Amerikaanse Centcom-commandant in het Midden-Oosten, generaal Michael Kurilla. Hier is er geen evenwicht. Hier woedt de andere oorlog van het Midden-Oosten, die kort na het uitbreken van de tragische oorlog tussen Hamas en Israël begon.

In deze andere oorlog staan Iran en zijn bondgenoten – de Houthi’s, Hezbollah en sjiitische milities in Irak – tegenover het kleine netwerk van Amerikaanse bases in Syrië, Jordanië en Irak, en de Amerikaanse marine in de Rode Zee en de Golf van Aden. De door Iran bewapende sjiitische milities in Irak en de Houthi-strijders in Jemen zien er misschien niet uit als dodelijke bedreigingen, maar laat je niet misleiden. Ze hebben geleerd om de meest geavanceerde precisiewapens ter wereld te bedienen, te bouwen, aan te passen en in te zetten. Dat wapentuig, geleverd door Iran, kan een doel raken vanop 800 kilometer afstand. De jonge Amerikaanse soldaten en matrozen die tegenover hen staan, zetten met software en cursors ‘s werelds meest geavanceerde tegenmaatregelen en onderscheppings-projectielen in om bijna elke raket en drone weg te vagen die de Iraanse proxy’s op hen afvuren.

Kortom, de Amerikanen beseffen het misschien niet, maar de Iraanse Revolutionaire Garde weet heel goed dat ze via hun bondgenoten (proxies) in een schaduwoorlog verwikkeld zijn met de VS.

Deze andere oorlog in het Midden-Oosten kwam in een stroomversnelling op 17 oktober, 10 dagen na de aanval op Israël, legden Centcom-functionarissen me uit, toen Iran duidelijk de beslissing nam om al zijn bondgenoten een tandje te laten bijsteken. Onder de dekmantel van de Gaza-oorlog en verleid door het anti-Amerikaanse sentiment dat die heeft opgewekt, probeerde Iran te zien of het het Amerikaanse netwerk van faciliteiten in Irak, Oost-Syrië en Noord-Jordanië aanzienlijke schade kon toebrengen of misschien de Amerikaanse troepen kon verdrijven.

Ik vermoed dat Teheran nog een ander doel voor ogen had: de Arabische bondgenoten van de VS intimideren door hen te laten zien welke schade Iran hun beschermheer kan toebrengen. Wat ik zeker weet, is dat dit het gevaarlijkste spel is dat momenteel op aarde wordt gespeeld, en wel om drie redenen.

The first (reason) is the sheer volume of rockets, drones and missiles that Iran’s proxies have deployed 

De eerste is de enorme hoeveelheid drones en raketten die de bondgenoten van Iran inzetten. Volgens Centcom zijn er sinds 17 oktober honderden door Iran geleverde land-zee-raketten, kruisraketten, ballistische raketten, gevechtsdrones, kamikazespeedboten en onbemande onderwatervoertuigen op Amerikaanse bases, oorlogsschepen en commerciële schepen in de Rode Zee afgestuurd.

Gelukkig zijn de VS er ondanks de hoeveelheid aanvallen in geslaagd om de meeste daarvan te vernietigen of af te buigen met onderscheppingsraketten en een elektronisch woud van radars en tegenmaatregelen op de bases en op Amerikaanse oorlogsschepen. Dit is geen gemakkelijke taak; verschillende raketten en drones zijn er al door gekomen, waarbij tot nu toe meer dan 180 Amerikaanse personeelsleden gewond zijn geraakt, aldus Centcom.

Maar omdat deze bases indertijd ontworpen zijn om Islamitische Staat te verhinderen zijn bevoorradingslijnen en kritische massa herop te bouwen, waren ze nooit bedoeld als afschrikking of aanvalsmiddel tegen de enorme moderne raketarsenalen van Iran en zijn bondgenoten. Daarom kon een Iraanse gevechtsdrone met een springlading van 9 kilogram, gelanceerd door een coalitie van door Iran gesteunde sjiitische milities genaamd het Islamitisch Verzet in Irak, op 28 januari een Amerikaanse faciliteit genaamd Tower 22 in het noordoosten van Jordanië treffen.

Ik bezocht Tower 22 vorige week met het team van generaal Kurilla. De ontploffing doodde drie Amerikaanse soldaten, die uit hun bed werden geblazen, en verwondde er 47. Gelukkig waren de modulaire woonverblijven daar gescheiden door explosiemuren. Een soldaat vertelde ons dat hij in een naburige bunker met zijn vrouw aan het praten was op FaceTime toen de drone insloeg; beschermd door een dikke betonnen barrière kwam hij er met de schrik van af.

(second reason): I was surprised to learn just how aggressive the Iranians have encouraged their proxies to be

Ik was verrast om te horen hoeveel agressie de Iraniërs bij hun bondgenoten hebben aangemoedigd, wat ons brengt bij het tweede, uiterst gevaarlijke aspect van deze oorlog. Generaal Kurilla beschreef mij droogjes een afschrikkingsgesprek dat Centcom had gehad met Iran na de aanval op Tower 22 om Teheran duidelijk te maken dat het met vuur speelde.

Op 2 februari lanceerden de VS luchtaanvallen op het hele Iraanse proxynetwerk in Irak en Syrië, en de volgende dag op Houthi-locaties in Jemen, waarbij ze in totaal meer dan 100 doelen troffen met een combinatie van langeafstandsbommenwerpers en kruisraketten en jachtbommenwerpers. Naar verluidt werden ongeveer 40 mensen gedood bij de Amerikaanse vergeldingsaanvallen.

De operatie werd afgerond op 7 februari. Toen lieten de VS Iran en zijn bondgenoten zien wat voor gecombineerde inlichtingen-precisie-oorlogsvoering de VS kunnen inzetten door Abu Baqir al-Saedi te doden, de commandant van Kataib Hezbollah waarvan de VS hadden vastgesteld dat hij de leiding had over droneaanvallen op hun bases in Irak, Jordanië en Syrië.

Dit Amerikaanse antwoord trok duidelijk de aandacht van de Iraniërs en sindsdien houden de Iraanse proxy’s zich aan een stilzwijgend staakt-het-vuren op het land. Dit informele staakt-het-vuren wordt echter niet nageleefd door de Houthi’s, die hebben verklaard dat ze niet zullen stoppen met het beschieten van internationale schepen, de Amerikaanse marine en Israël, in ieder geval totdat er een staakt-het-vuren is in Gaza. Afgelopen weekend werd het onder Belgische vlag varende vrachtschip Rubymar, dat op 18 februari door de Houthi’s werd geraakt met een ballistische antischipraket, het eerste schip dat volledig zonk in de Straat Bab el-Mandeb als gevolg van een Houthi-raketaanval.

(third reason) every day is pregnant with a low-probability-but-high-consequence event.

Dat brengt ons bij het derde gevaarlijke aspect van deze schaduwoorlog. Op elke basis die we bezochten, was er een geheime kamer waar journalisten niet naar binnen mochten, het zogenaamde gevechtsintegratiecentrum. Daarbinnen staren jonge Amerikaanse militairen naar schermen, proberen de ontelbare objecten te identificeren die op hen afkomen en beslissen aan de hand van de radar en visuele signatuur welke ze aanvallen, welke ze negeren en welke ze laten passeren, in de veronderstelling dat het zijn doel zal missen. Met andere woorden, elke dag dreigt er iets te gebeuren wat onwaarschijnlijk is, maar grote gevolgen kan hebben. En de eerste en vaak laatste verdedigingslinie is meestal een Amerikaanse soldaat of matroos van een jaar of 20 die naar een computerscherm loert en met behulp van software binnen enkele seconden probeert te bepalen wat er zijn of haar kant op komt en de juiste tegenmaatregelen neemt.

WANORDE

Gezien alle risico’s is het belangrijk om ons af te vragen: waarom blijven we daar? Laat me eerst een scène beschrijven en dan een antwoord geven.

De scène: het team van generaal Kurilla bezocht het garnizoen van Tanf, een kleine logistieke basis in Syrië, vlak bij waar Syrië, Irak en Jordanië samenkomen. Kurilla maakte van de gelegenheid gebruik om een medische pelotonsleider die daar gestationeerd was te promoveren van tweede luitenant tot eerste luitenant. Kurilla vroeg eerst of iemand een Amerikaanse vlag voor hem kon halen en een paar minuten later kwamen er twee pelotonsleden met een kleine vlag die ze op schouderhoogte omhoog hielden.

“Ons leger is uniek in de wereld”, zei Kurilla tegen de jongeman. “We leggen geen eed af aan een persoon of een koning, maar aan een idee, vastgelegd in de Grondwet en ingebakken in onze democratie: dat alle mannen en vrouwen gelijk zijn. We zweren dat idee te verdedigen.” Kurilla legde vervolgens de eed af die elke Amerikaanse soldaat herhaalt als hij of zij in rang stijgt. Nadat hij zijn eed had afgelegd, zette de kersverse eerste luitenant een pet op met zijn nieuwe rang en gaf vervolgens een applaus aan elk lid van zijn peloton.

Er was iets aan die scène dat me raakte: de twee soldaten die hun kleine stars-and-stripes omhoog hielden, het enige wat kleur gaf aan het uitgestrekte bruine landschap, en de eed van trouw aan een idee, niet aan een koning, de woorden gedempt door explosiemuren op een verafgelegen basis in een regio die meestal alleen het tegenovergestelde heeft gekend.

Tijdens het tijdperk na de Koude Oorlog, van de vroege jaren 90 tot de jaren 2010, dacht ik dat het mogelijk zou zijn om meer consensus en pluralisme naar dit deel van de wereld te brengen dankzij de Oslo-akkoorden, het Jordaans-Israëlische vredesverdrag, de Arabische Lente-opstanden en de grotere integratie als gevolg van de globalisering. Maar in plaats van de verspreiding van democratie kreeg deze regio te maken met uitzaaiende wanorde en falende staten. Tegelijkertijd werd de grote kloof in de wereld niet langer tussen democratie en autocratie, maar tussen orde en wanorde.

Het beste argument voor Amerikaanse troepen om in Oost-Syrië, Irak en de Rode Zee te blijven, is juist dat de wanorde “daar” niet naar “hier” komt. Het is geen mooie of heldhaftige missie, maar het is het waarschijnlijk waard. Dat gezegd zijnde, we moeten ons geen illusies maken over de risico’s, want de schaduwoorlog die daar speelt kan elk moment uit de schaduw treden.

© The New York Times